Uitspraak BRS.25.000128
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4507
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 17 januari 2025 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000128
ECLI:NL:RVS:2026:4507
Datum uitspraak: 3 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 29 januari 2025 in zaak nr. NL24.48559 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 17 januari 2025 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit genomen.
Bij uitspraak van 29 januari 2025 heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover dat was gericht tegen het aanvullend terugkeerbesluit van 17 januari 2025 en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. W.N. van der Voet, advocaat in Rotterdam heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.1. De minister klaagt in zijn enige grief ten onrechte dat voor hem geen verplichting bestond om een aanvullend terugkeerbesluit te nemen in verband met de beoogde verwijdering van betrokkene, door middel van een removal order, naar Marokko. Uit het ten tijde van het aanvullend terugkeerbesluit geldend artikel 109a van de Vw 2000 volgt namelijk dat de Nederlandse wetgever ervoor heeft gekozen om geen toepassing te geven aan de uitzonderingsclausule in artikel 2, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn voor personen van wie de asielaanvraag in de grensprocedure is afgewezen, zodat de gemeenschappelijke normen en procedures waarin deze richtlijn voorziet op hen van toepassing zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie, betekent dit dat de minister verplicht was om een terugkeerbesluit te nemen tegen betrokkene zodra was vastgesteld dat zijn verblijf illegaal was en om daarin te vermelden naar welk van de in artikel 3, aanhef en derde lid, van de Terugkeerrichtlijn bedoelde derde landen hij moest worden verwijderd. Zie de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155, onder 7.
1.2. Wel klaagt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in het aanvullend terugkeerbesluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene kan terugkeren naar Marokko. Uit het rechtbankdossier volgt namelijk dat de Koninklijke Marechaussee op 9 november 2024 een removal order heeft uitgereikt aan Royal Air Maroc nadat betrokkene met deze vliegmaatschappij van Marokko naar Nederland was gereisd. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2026, ECLI:NL:2026:4028, onder 8 tot en met 11.3, mag de minister een land dat partij is bij het Verdrag van Chicago en waarnaar een vreemdeling op basis van een removal order kan worden terugvervoerd, aanmerken als land van doorreis en bijgevolg als land van terugkeer in de zin van artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn.
1.3. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover het beroep van betrokkene tegen het aanvullend terugkeerbesluit van 17 januari 2025 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 29 januari 2025 in zaak nr. NL24.48559, voor zover zij het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit van 17 januari 2025 gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft vernietigd;
III. verklaart het beroep in zoverre ongegrond;
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026
907