Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202102888/1/R4

Uitspraak 202102888/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4601
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de minister voor Milieu en Wonen aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) zonder schriftelijke kennisgeving en toestemming overbrengen van partijen grond van Nederland naar Duitsland. [appellante] is sinds mei 2019 exploitant en eigenaar van een groeve in Havert, net over de grens in Duitsland. Uit de groeve wordt zand en grind gewonnen en de daardoor ontstane ruimte wordt vervolgens weer opgevuld met partijen grond die [appellante] ophaalt bij derden in Nederland. [appellante] betoogt dat zij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de EVOA, niet heeft overtreden.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Afval
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202102888/1/R4.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd in [plaats],

appellante,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de minister voor Milieu en Wonen (thans: de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat) aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) zonder schriftelijke kennisgeving en toestemming overbrengen van partijen grond van Nederland naar Duitsland.

Bij besluit van 18 februari 2021 heeft de staatssecretaris bij [appellante] € 100.000,00 aan verbeurde dwangsommen ingevorderd.

Bij besluit van 22 februari 2021 heeft de staatssecretaris aan [appellante] opnieuw een last onder dwangsom opgelegd wegens dezelfde overtreding, omdat de in 2020 opgelegde last onder dwangsom volgens de staatssecretaris was uitgewerkt.

Bij besluit van 25 maart 2021 heeft de staatssecretaris het bezwaar van [appellante] tegen de besluiten van 31 maart 2020 en 18 februari 2021 ongegrond verklaard.

[appellante] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 maart 2021.

[appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 februari 2021 en de staatssecretaris verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht. De staatssecretaris heeft daarmee ingestemd.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 september 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.J.J.M.M. Metsemakers, advocaat in Urmond, mr. S.L. Smits-Emons, advocaat in Echt, [gemachtigden], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer, I.J.M. Thoer en P.R. de Groot, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] is sinds mei 2019 exploitant en eigenaar van een groeve in Havert, net over de grens in Duitsland. Uit de groeve wordt zand en grind gewonnen en de daardoor ontstane ruimte wordt vervolgens weer opgevuld met partijen grond die [appellante] ophaalt bij derden in Nederland.

Op 30 oktober 2019 heeft de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid-Limburg een vrachtwagen van [appellante] gecontroleerd die richting Duitsland onderweg was. Uit de controle bleek dat de vrachtwagen op weg was naar de groeve in Duitsland met een lading grond afkomstig van een wegenbouwproject van BLM Wegenbouw in Echt, maar dat [appellante] voor dit transport geen schriftelijke kennisgeving had gedaan en dat de betrokken bevoegde autoriteiten hiervoor geen toestemming hadden verleend.

Bij het besluit van 31 maart 2020 heeft de staatssecretaris [appellante] gelast om herhaling van overtreding van artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de EVOA te voorkomen. Volgens de staatssecretaris was het transport van 30 oktober 2019 namelijk een illegale overbrenging als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en/of sub b van de EVOA en heeft [appellante] hiermee artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer overtreden. Aan de last is een dwangsom verbonden van € 150,00 per ton illegaal overgebrachte afvalstoffen, met een maximum van € 100.000,00.

De staatssecretaris heeft bij het besluit van 18 februari 2021 het maximale bedrag van € 100.000,00 aan verbeurde dwangsommen ingevorderd. Hierbij is op basis van transportgegevens van [appellante] vastgesteld dat er op 9, 10 en 12 oktober 2020 41 overbrengingen zijn uitgevoerd die [appellante] had aangemeld onder een kennisgeving waarvan de geldigheidsperiode was verstreken. Bovendien had zij volgens de staatssecretaris met deze overbrengingen meer partijen grond overgebracht dan was toegestaan op basis van de kennisgeving.

Bij het besluit van 22 februari 2021 heeft de staatssecretaris opnieuw een last onder dwangsom opgelegd wegens dezelfde overtreding van de Wet milieubeheer en de EVOA, omdat volgens de staatssecretaris de bij het besluit van 31 maart 2020 opgelegde last onder dwangsom was uitgewerkt. De nieuwe last luidt hetzelfde als de vorige, maar daaraan is een hogere dwangsom verbonden van € 300,00 per ton illegaal overgebrachte afvalstoffen met een maximum van € 187.500,00.

Bij het besluit op bezwaar van 25 maart 2021 heeft de staatssecretaris de besluiten van 31 maart 2020 en 18 februari 2021 in stand gelaten.

De staatssecretaris heeft ingestemd met rechtstreeks beroep tegen het besluit van 22 februari 2021. Dit betekent dat deze procedure betrekking heeft op het beroep tegen het besluit op bezwaar van 25 maart 2021 en op het rechtstreeks beroep tegen het besluit van 22 februari 2021.

2.       De relevante bepalingen uit de EVOA, de Kaderrichtlijn Afvalstoffen en de Wet milieubeheer zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Heeft er een illegale overbrenging plaatsgevonden?

3.       [appellante] betoogt dat zij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de EVOA, niet heeft overtreden. Volgens haar zijn de partijen grond die zij rechtstreeks van het wegenbouwproject in Echt naar de groeve in Havert transporteert, zoals de op 30 oktober 2019 gecontroleerde lading, geen afvalstoffen. Daarom heeft er volgens haar geen illegale overbrenging van afvalstoffen als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EVOA plaatsgevonden.

[appellante] voert in de eerste plaats aan dat de partijen grond geen afvalstoffen zijn, omdat zij niet voornemens was zich daarvan te ontdoen. Zij had de grond namelijk juist afgenomen van BLM Wegenbouw om deze toe te passen in de groeve die zij moet opvullen. Volgens haar was de grond schoon en daardoor geschikt voor toepassing in de groeve zonder nadelige gevolgen voor het milieu.

[appellante] voert in de tweede plaats aan dat de partijen grond geen afvalstoffen zijn, omdat het bijproducten zijn. Volgens haar voldoen de partijen grond aan de vier cumulatieve voorwaarden in artikel 5, eerste lid, van de Richtlijn (EG) nr. 2008/98 van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312; Kaderrichtlijn Afvalstoffen). Allereerst is het afgraven van de grond volgens haar een integraal onderdeel van de werkzaamheden van het wegenbouwproject en kon zij de partijen grond onmiddellijk en zonder nadere bewerking toepassen in de groeve, omdat deze voorafgaand aan de afgraving waren onderzocht op hun geschiktheid voor toepassing in de groeve. Zij voert aan dat zij met BLM Wegenbouw was overeengekomen dat zij enkel de partijen zou afnemen waarvan uit het voorafgaande onderzoek bleek dat die geschikt was voor toepassing in de groeve. Op de zitting heeft zij toegelicht dat die partijen grond vervolgens specifiek voor dat doel werden ontgraven door BLM Wegenbouw, daarna ter plaatse nog een keer werden onderzocht op kwaliteit en vervolgens door haar rechtstreeks naar de groeve werden getransporteerd. Met die onderzoeken is volgens haar ook vastgesteld dat de grond geen risico voor het milieu of volksgezondheid vormt en dat het verdere gebruik van de grond in de groeve voldoet aan alle voorschriften die daaraan in Nederlandse en Duitse regelgeving zijn gesteld. Tot slot was volgens haar zeker dat zij de partijen grond zou gebruiken voor het opvullen van de groeve, aangezien haar overeenkomst met BLM Wegenbouw en de overeengekomen werkwijze geheel daarop gericht was.

3.1.    Onder een illegale overbrenging als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EVOA wordt onder meer verstaan een overbrenging van afvalstoffen zonder kennisgeving aan of toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EVOA. Als stoffen of voorwerpen worden vervoerd die geen afvalstoffen zijn, kan dus geen sprake zijn van een illegale overbrenging. Voor de definitie van afvalstoffen wordt in artikel 2 van de EVOA verwezen naar artikel 3, eerste lid, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen, waarin het begrip ‘afvalstof’ wordt omschreven als elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen worden stoffen of voorwerpen die het resultaat zijn van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stoffen of voorwerpen, niet als afvalstoffen beschouwd maar als bijproducten, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

"a) het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;

b) de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder enige verdere verwerking anders dan die welke bij normale productiepraktijken gangbaar is;

c) de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van het productieproces; en

d) verder gebruik is rechtmatig, m.a.w. de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid."

3.2.    Dat [appellante] niet voornemens was zich van de partijen grond te ontdoen, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat de partijen grond geen afvalstoffen zijn. Voor de beantwoording van de vraag of de partijen grond afvalstoffen zijn, is immers relevant of de houder van de partijen grond voornemens was zich daarvan te ontdoen en [appellante] was niet de houder op het moment dat de partijen grond werden geproduceerd. Het begrip ‘houder’ wordt in artikel 2, onder 10, van de EVOA omschreven als de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft. In artikel 2, onder 9, wordt het begrip ‘producent’ omschreven als eenieder wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen. Gelet op die begripsomschrijvingen was BLM Wegenbouw de houder van de partijen grond. Voor het antwoord op de vraag of de partijen grond afvalstoffen zijn, is bepalend of BLM Wegenbouw zich daarvan ontdeed, voornemens was zich te ontdoen of zich moest ontdoen. Zij heeft de partijen grond afgegraven om plaats te maken voor de aan te leggen wegfundering bij het wegenbouwproject en daarbij moest zij zich van de afgegraven grond ontdoen.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

3.3.    Over het betoog van [appellante] dat de partijen grond geen afvalstoffen zijn, omdat het bijproducten zijn, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals het Hof van Justitie heeft bevestigd in zijn arrest van 17 november 2022, Porr Bau, ECLI:EU:C:2022:885, punt 43, volgt uit artikel 5, eerste lid, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen dat een stof die het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof, als een bijproduct - en niet als een afvalstof - wordt aangemerkt, indien wordt voldaan aan de vermelde vier cumulatieve voorwaarden.

Naar het oordeel van de Afdeling voldoen de partijen grond die op basis van de overeenkomst met BLM Wegenbouw zijn onderzocht, ontgraven en rechtstreeks van het wegenbouwproject in Echt naar de groeve in Havert zijn getransporteerd, aan alle voorwaarden van artikel 5, eerste lid, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. Het wegenbouwproject was een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld was voor de productie van grond, maar wel heeft geresulteerd in het vrijkomen daarvan, omdat grond moest worden ontgraven om plaats te maken voor de aan te leggen wegfundering. Daarmee is de grond geproduceerd als integraal onderdeel van het wegenbouwproject en is voldaan aan de voorwaarde onder c. De Afdeling volgt de staatssecretaris niet in haar verweer dat het wegenbouwproject geen productieproces is omdat het in opdracht van de gemeente is uitgevoerd en de gemeente geen bedrijf voert waarbij een bijproduct vrij kan komen. Zoals hiervoor onder 3.2 is overwogen, is BLM Wegenbouw de producent van de grond en niet de gemeente. Dat BLM Wegenbouw in opdracht van de gemeente heeft gehandeld, maakt dat niet anders. Daarnaast kon de grond na afgraving zonder enige verdere verwerking onmiddellijk in de groeve in Havert worden toegepast en was zeker dat de grond daarvoor zou worden gebruikt, zodat ook is voldaan aan de voorwaarden onder a en b. De staatssecretaris heeft dit niet betwist. Verdere verwerking was niet nodig, omdat al uit onderzoek voorafgaand aan de afgraving was gebleken dat de grond geschikt was voor toepassing in de groeve. Na afgraving en voor het transport is de grond opnieuw gecontroleerd. Uit de overeenkomst met BLM Wegenbouw blijkt dat [appellante] de grond uitsluitend zou afnemen als de grond geschikt was voor toepassing in de groeve en dat zij in haar hoedanigheid als exploitant van de groeve de grond voor dat doel nodig had. Uit de bevindingen van de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid-Limburg bij de controle van het transport van 30 oktober 2019, de begeleidingsbrief van dat transport en de transportgegevens van [appellante] blijkt ook dat de toen gecontroleerde lading voor dat doel naar de groeve werd vervoerd. Ten slotte was de toepassing in de groeve rechtmatig, zodat is voldaan aan de voorwaarde onder d. Uit de bodemonderzoeken is namelijk gebleken dat de grond voldoet aan alle Duitse milieuvoorschriften voor het gebruik in de groeve. Dit is door de staatssecretaris ook niet betwist. Daarnaast is niet gebleken dat dat gebruik over het geheel genomen tot ongunstige effecten op het milieu en de menselijke gezondheid zal leiden.

Aangezien de partijen grond voldoen aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen, moeten zij als bijproducten worden aangemerkt en niet als afvalstoffen.

Het betoog slaagt in zoverre.

3.4.    In haar verweerschrift heeft de staatssecretaris gesteld dat de Duitse autoriteiten de partijen grond als afvalstof hebben gekwalificeerd. Volgens haar moet zij, gelet op artikel 28, eerste lid, van de EVOA, alleen al daarom de partijen grond als afvalstoffen aanmerken. De Afdeling volgt de staatssecretaris hierin niet. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten zich uitdrukkelijk op het standpunt hebben gesteld dat de partijen grond die van het wegenbouwproject in Echt naar de groeve in Havert werden gebracht of specifiek de lading grond die op 30 oktober 2019 is gecontroleerd, afvalstoffen zijn. De staatssecretaris heeft geen stukken van de Duitse autoriteiten overgelegd waar dat standpunt uit blijkt. Voor deze transporten is verder geen procedure van voorafgaande kennisgeving en toestemming doorlopen waarin de Duitse autoriteiten zich op het standpunt hebben gesteld dat de partijen grond afvalstoffen zijn. Daarnaast volgt uit artikel 28, vierde lid, van de EVOA dat [appellante] bij de rechter de kwalificatie van de partijen grond aan de orde kan stellen, ongeacht het standpunt van de Duitse autoriteiten daarover. Dat heeft [appellante] met haar beroepen in deze procedure gedaan en de Afdeling is van oordeel dat de partijen grond als bijproducten moeten worden aangemerkt.

3.5.    Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich in de besluiten van 31 maart 2020 en 22 februari 2021 ten onrechte op het standpunt gesteld dat de partijen grond die [appellante] op 30 oktober 2019 en daarna op basis van de overeenkomst tussen haar en BLM Wegenbouw rechtstreeks van het wegenbouwproject in Echt naar de groeve in Havert vervoerde, afvalstoffen zijn. Dit betekent dat de staatssecretaris zich in die besluiten ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] illegaal afvalstoffen heeft overgebracht als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EVOA en daarmee artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer heeft overtreden.

Het betoog slaagt.

Conclusie

4.       Gelet op wat hiervoor onder 3.5 is overwogen, was de staatssecretaris niet bevoegd om handhavend op te treden tegen de transporten van de desbetreffende partijen grond. Dit betekent dat de besluiten van 31 maart 2020 en 22 februari 2021 niet in stand kunnen blijven. Dat heeft tot gevolg dat de grondslag komt te ontvallen aan het invorderingsbesluit van 18 februari 2021, zodat ook dat besluit niet in stand kan blijven.

De overige beroepsgronden die [appellante] in deze procedure heeft aangevoerd, hoeven niet meer te worden besproken.

5.       De beroepen zijn gegrond. De besluiten van 25 maart 2021 en van 22 februari 2021 moeten worden vernietigd. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 31 maart 2020 en 18 februari 2021 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 25 maart 2021.

6.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden die [appellante] heeft gemaakt in verband met de behandeling van de door haar ingestelde beroepen en gemaakte bezwaren.

Overschrijding van de redelijke termijn

7.       [appellante] heeft de Afdeling verzocht om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.

7.1.    De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat met voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar en anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

In deze procedure zijn twee beroepen van één belanghebbende gezamenlijk behandeld. Beide beroepen hebben betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk de oplegging van een last onder dwangsom wegens dezelfde overtreding. In gevallen als deze bepaalt de Afdeling voor de gezamenlijke behandeling van beide beroepen of de redelijke termijn is overschreden. Omdat de redelijke termijn niet tegelijkertijd is aangevangen in beide zaken, zal de Afdeling voor de bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn de datum van ontvangst van het eerste bezwaarschrift nemen als begindatum van de redelijke termijn in beide zaken.

De staatssecretaris heeft het eerste bezwaarschrift van [appellante] ontvangen op 11 mei 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus met meer dan vier jaar overschreden. Deze overschrijding moet aan de staatssecretaris en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 1/10e deel aan de staatssecretaris en voor 9/10e deel aan de Afdeling worden toegerekend.

De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 4.500,00.

8.       De staatssecretaris en de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten [appellante] een schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

9.       Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de staatssecretaris en de Afdeling is toe te rekenen, moeten de staatssecretaris en de Staat ieder de helft van de proceskosten vergoeden die [appellante] heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 25 maart 2021, kenmerk B-4-20-0175.001 en B-4-21-0057.001;

III.      herroept het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 31 maart 2020, kenmerk 404160;

IV.      herroept het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 18 februari 2021, kenmerk 404160/inv;

V.       bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 25 maart 2021;

VI.      vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 22 februari 2021, kenmerk 404160-LOD 2;

VII.     veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.998,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX.      gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 360,00 vergoedt;

X.       wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

XI.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 4.050,00 te betalen;

XII.     veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat om aan [appellante] een schadevergoeding van € 450,00 te betalen;

XIII.    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XIV.    veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. De Groot
voorzitter

w.g. Kors
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

687-1098

BIJLAGE

Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA)

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. "afvalstoffen": afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/12/EG;

[…]

9. "producent": eenieder wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen (eerste producent) en/of […];

10. "houder": de producent van de afvalstoffen dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft […];

[…]

35. "illegale overbrenging": een overbrenging van afvalstoffen:

a) zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of;

b) zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of;

[…]

Artikel 28

1. Indien de bevoegde autoriteiten van verzending en van ontvangst het niet eens kunnen worden over de indeling wat betreft het onderscheid tussen afval en niet-afval, worden de betrokken stoffen behandeld als afval, onverminderd het recht van het land van bestemming om het overgebrachte materiaal na aankomst volgens zijn eigen wetgeving te behandelen, voorzover deze wetgeving in overeenstemming is met de Gemeenschapswetgeving of het internationaal recht.

[…]

4. De leden 1 tot en met 3 zijn alleen van toepassing in het kader van deze verordening en laten het recht van belanghebbenden om geschillen over deze kwesties langs gerechtelijke weg te regelen, onverlet.

Richtlijn (EG) nr. 2008/98 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (Kaderrichtlijn Afvalstoffen)

Artikel 3

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "afvalstof": elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

[…]

Artikel 5

1. De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, niet als een afvalstof wordt beschouwd maar als een bijproduct, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;

b) de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder enige verdere verwerking anders dan die welke bij normale productiepraktijken gangbaar is;

c) de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van het productieproces; en

d) verder gebruik is rechtmatig, m.a.w. de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.

[…]

BIJLAGE V

Wet milieubeheer

Artikel 10.60

[…]

2. Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

[…]


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon