Uitspraak 202503697/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4598
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 augustus 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) van € 2.500 toegekend. [appellant] heeft op 16 mei 2024 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij aan een mishandeling ernstig fysiek letsel heeft overgehouden. De CSG heeft op 28 augustus 2024, gehandhaafd bij besluit van 4 november 2024, een uitkering ter hoogte van € 2.500 toegekend. Dit bedrag hoort bij letselcategorie 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is ontstaan als gevolg van het geweldsmisdrijf waar de aanvraag betrekking op heeft en dat hij op basis van deze aanvraag eigenlijk in het geheel niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds.
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202503697/1/A2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2025 in zaak nr. 24/9008 in het geding tussen:
[appellant]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2024 heeft de CSG aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) van € 2.500 toegekend.
Bij besluit van 4 november 2024 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 juli 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. el Yahyiaoui en mr. I. Atay, advocaten in Amsterdam, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. Y. Pieters, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] heeft op 16 mei 2024 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij aan een mishandeling ernstig fysiek letsel heeft overgehouden.
2. De CSG heeft op 28 augustus 2024, gehandhaafd bij besluit van 4 november 2024, een uitkering ter hoogte van € 2.500 toegekend. Dit bedrag hoort bij letselcategorie 2.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is ontstaan als gevolg van het geweldsmisdrijf waar de aanvraag betrekking op heeft en dat hij op basis van deze aanvraag eigenlijk in het geheel niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds. In het verlengde daarvan komt [appellant] ook niet in aanmerking voor een hogere uitkering. Daarbij betrekt de rechtbank dat [appellant] niet consistent over de datum van de mishandeling heeft verklaard. Uit de aangifte volgt dat de mishandeling op 22 juni 2022 heeft plaatsgevonden, terwijl uit de medische stukken blijkt dat op 19 mei 2022 een fractuur aan het middenhandsbeentje van [appellant] is geconstateerd en dat hij hiervoor op 25 mei 2022 is behandeld door middel van een plaatfixatie. Daarnaast volgt uit het medisch journaal van de huisarts dat [appellant] zijn hand heeft gebroken naar aanleiding van een mishandeling op 19 mei 2022. De CSG mocht veel waarde hechten aan het proces-verbaal van aangifte, omdat dit een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal betreft.
Beoordeling van het hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de CSG een uitkering behorend bij letselcategorie 3 of hoger had moeten toekennen. Volgens hem is het voldoende aannemelijk dat het letsel is ontstaan als gevolg van het geweldsmisdrijf waar de aanvraag betrekking op heeft. De overgelegde stukken sluiten aan bij de datum en toedracht zoals opgenomen in het proces-verbaal van aangifte. Alleen in de aanvraag is per vergissing een verkeerd jaartal ingevuld. Het exact kunnen aanduiden van de pleegdatum dient niet zwaarder te wegen dan de materiële beoordeling van de feiten en daadwerkelijke gevolgen voor het slachtoffer. Daarbij wijst hij erop dat door de mishandeling zijn hand is gebroken en operatief metalen platen (MC3-fixatie) in zijn hand zijn geplaatst. Nadien heeft hij langdurige fysiotherapie moeten ondergaan. Hij heeft blijvende en hinderlijke beperkingen overgehouden aan de mishandeling. Daarbij is hij ook arbeidsongeschikt geraakt en kan hij niet meer als kleermaker werken.
4.1. Op grond van artikel 3, eerste lid, sub a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven kan uitkering worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. Van belang is dus dat het letsel het gevolg is van het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf.
4.2. In de aanvraag van 16 mei 2024 heeft [appellant] vermeld dat de mishandeling op 22 april 2023 plaatsvond en dat hij aangifte heeft gedaan op 23 april 2023. Verder staat daarin dat hij in april 2023 is geopereerd aan zijn hand en dat hij vanaf 23 mei 2023 tot en met 23 juni 2023 fysiotherapie had. In het proces-verbaal van aangifte van 2 juli 2022 staat echter dat de mishandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2022 om 11.00 uur. Verder staat daarin dat hij 25 juli 2022 moet terugkomen voor een operatie aan zijn hand. Op beide onderdelen wijkt niet alleen het jaar af, maar ook de maand en dag van de maand af van de aanvraag. Uit de medische stukken blijkt dat [appellant] op 19 mei 2022 is onderzocht in het Haga Ziekenhuis en dat er op 25 mei 2022 een poliklinische behandeling plaatsvond in de vorm van een plaatfixatie. Deze data wijken af van zowel de aanvraag als van het proces-verbaal van aangifte. Uit het journaal van de huisarts volgt tot slot dat [appellant] op 18 mei 2022 klachten had en dat hij drie dagen daarvoor heeft gevochten. De datum van 15 mei 2022 komt niet voor in de aanvraag en evenmin in het proces-verbaal van aangifte.
4.3. Naar het oordeel van de Afdeling mocht de CSG zich onder deze omstandigheden op het standpunt stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is ontstaan als gevolg van het geweldsmisdrijf waar de aanvraag betrekking op heeft. Uit de medische informatie lijkt immers te volgen dat [appellant] het letsel heeft bekomen voor de datum van de mishandeling die is genoemd in het proces-verbaal van aangifte. Dat [appellant] stelt dat hij zich heeft vergist in de data van het proces-verbaal van aangifte, is een omstandigheid die voor zijn rekening mag worden gelaten. [appellant] heeft immers het proces-verbaal van aangifte niet laten corrigeren of andere objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat de datum in het proces-verbaal van aangifte onjuist is of op grond waarvan aannemelijk is dat het letsel van [appellant] het gevolg is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Uit de medische informatie komt weliswaar een beeld naar voren van hoe het gegaan zou kunnen zijn, maar alleen deze informatie biedt geen uitsluitsel over wat er is gebeurd. Daarbij komt dat de CSG erop heeft gewezen dat een onjuiste datum (in het proces-verbaal) ook verhaal van schade op de dader in de weg kan zitten.
4.4. De Afdeling merkt tot slot op dat [appellant] heeft gesteld ernstig lichamelijk letsel te hebben overgehouden aan de mishandeling, waardoor hij volledig arbeidsongeschikt is geraakt en zijn beroep als kleermaker niet meer kan uitoefenen. Omdat niet aannemelijk is geworden dat het letsel het gevolg is van de mishandeling, is dit niet verder onderzocht door de CSG. Op de zitting is wel besproken dat als [appellant] de datum in het proces-verbaal laat aanpassen en als de pleegdatum van de mishandeling objectief komt vast te staan, het [appellant] vrijstaat om de CSG te verzoeken zijn aanvraag met inachtneming van de gewijzigde omstandigheden opnieuw te beoordelen. Daarmee wordt overigens niet vooruitgelopen op de inhoud van de beslissing op een dergelijk herzieningsverzoek.
4.5. De slotsom is dat de CSG geen uitkering behorend bij een hogere letselcategorie hoefde toe te kennen, nu niet aannemelijk is geworden dat het letsel van [appellant] het gevolg is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
4.6. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
1120