Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202506108/1/A2

Uitspraak 202506108/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4594
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij beslissing van 5 augustus 2025 heeft de examencommissie Data Science and Artificial Intelligence aan [appellant] een bindend negatief studieadvies (BNSA) gegeven voor de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence. Bij beslissing van 26 november 2025 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE) het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] heeft in het studiejaar 2024-2025 de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence gevolgd. De norm voor een positief bindend studieadvies voor deze opleiding is 45 studiepunten. De examencommissie heeft aan de beslissing van 5 augustus 2025 ten grondslag gelegd dat [appellant] slechts 6 studiepunten heeft gehaald in zijn eerste jaar van de bacheloropleiding en dat zij [appellant] daarom niet geschikt acht voor de opleiding.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202506108/1/A2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE),
verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 5 augustus 2025 heeft de examencommissie Data Science and Artificial Intelligence aan [appellant] een bindend negatief studieadvies (BNSA) gegeven voor de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence.

Bij beslissing van 26 november 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. F.M.Y. Coladarci-Rijnders en dr. A.N. van der Meulen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [appellant] heeft in het studiejaar 2024-2025 de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence gevolgd. De norm voor een positief bindend studieadvies voor deze opleiding is 45 studiepunten. De examencommissie heeft aan de beslissing van 5 augustus 2025 ten grondslag gelegd dat [appellant] slechts 6 studiepunten heeft gehaald in zijn eerste jaar van de bacheloropleiding en dat zij [appellant] daarom niet geschikt acht voor de opleiding.

2.       Het CBE heeft aan de beslissing van 26 november 2025 ten grondslag gelegd dat, hoewel de door [appellant] gemelde persoonlijke omstandigheden ernstig zijn en van invloed zijn geweest op zijn studieprestaties, het tekort aan studiepunten aanzienlijk is. Volgens de overgelegde hinderverklaring, waarin is vermeld dat [appellant] zeer gehinderd is geweest door zijn persoonlijke omstandigheden, had hij, ook als rekening wordt gehouden met deze omstandigheden, ongeveer 30 studiepunten kunnen halen. Het tekort aan studiepunten is veel groter dan de hinderverklaring rechtvaardigt. Het CBE heeft daarbij meegewogen dat [appellant] aan veel tentamengelegenheden heeft deelgenomen, maar daarbij vrijwel steeds zeer lage cijfers heeft behaald. [appellant] wordt daarom niet geschikt geacht voor de opleiding.

3.       [appellant] betoogt dat de beslissing van 26 november 2025 onvoldoende is gemotiveerd. In de hinderverklaring van de studenten is bevestigd dat hij gedurende het gehele studiejaar aanzienlijk gehinderd is door persoonlijke omstandigheden. Niet valt in te zien hoe hij, ondanks deze omstandigheden, aan de studievoortgangsnorm had kunnen voldoen. Daar komt bij dat niet duidelijk was dat, zoals het CBE heeft gesteld, de hinderverklaring slechts een tekort van 30 studiepunten kan verklaren. [appellant] dacht dat hij met de hinderverklaring uitstel van het bindend studieadvies zou krijgen. De informatievoorziening was dus ontoereikend. Daardoor is in strijd met een zorgplicht gehandeld.

3.1.    In het verweerschrift is vermeld dat de studentendecaan bij het vaststellen van de mate van studiebelastbaarheid de volgende categorieën hanteert: geen studieprestaties kunnen leveren; zeer ernstig gehinderd (circa 25% kunnen studeren), ernstig gehinderd (circa 50% kunnen studeren); zeer gehinderd (circa 66,6% kunnen studeren); gehinderd (circa 75% kunnen studeren); niet gehinderd bij het studeren. De genoemde percentages zijn in die zin indicatief, dat voor elke mate van geschiktheid een zekere marge geldt, omdat het lang niet altijd mogelijk is om hinder in exacte percentages te vatten, aldus het verweerschrift.

3.2.    [appellant] heeft zijn persoonlijke omstandigheden onderbouwd met een brief van een huisarts en een brief van een psycholoog. Deze stukken bevatten naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat hij meer gehinderd was dan in de hinderverklaring is vermeld. Het CBE heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van de hinderverklaring en de daaraan gekoppelde studiebelastbaarheid van 66,6%. De Afdeling betrekt daarbij dat de studentendecaan naar aanleiding van het administratief beroep de hinderverklaring opnieuw heeft bezien en heeft geconcludeerd dat er geen reden is om deze te heroverwegen. De Afdeling volgt [appellant] daarom niet in zijn betoog dat een zorgplicht is geschonden. Ook anderszins ziet zij geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het CBE het BNSA ten onrechte in stand heeft gelaten.

3.3.    Ten overvloede merkt de Afdeling op dat [appellant], zoals het CBE in het verweerschrift en op de zitting onweersproken heeft uiteengezet, in het eerste semester van het studiejaar 2025-2026 slechts twaalf studiepunten heeft gehaald, wat zou leiden tot een voorlopig negatief studieadvies.

3.4.    Het betoog slaagt niet.

4.       [appellant] betoogt verder dat het CBE ten onrechte heeft beslist dat de examencommissie een BNSA heeft mogen geven, omdat geen studieplan is opgesteld, terwijl de Regeling Bindend Studieadvies (Regeling) dat wel vereist.

4.1.    In artikel 3.1.3 van de Regeling is bepaald dat elke bacheloropleiding een studiebegeleidingsplan heeft, waarin onder meer is geregeld het in het eerste jaar van inschrijving, op verzoek van de student, aanbieden van een aan de omstandigheden aangepast studieplan aan studenten bij wie de studievoortgang gehinderd wordt door persoonlijke omstandigheden. Het had dus op de weg van [appellant] gelegen om een verzoek om een aangepast studieplan te doen. Het CBE heeft onweersproken gesteld dat [appellant] dat niet heeft gedaan.

Het betoog slaagt niet.

5.       [appellant] betoogt tot slot dat de beslissing van het CBE van 26 november 2025 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hij voert aan dat hij gedurende het studiejaar buiten zijn schuld te kampen heeft gehad met persoonlijke omstandigheden, dat hij vanwege het BNSA een jaar tevergeefs heeft gestudeerd, dat het BNSA zal leiden tot studievertraging en een studieschuld en dat hij zijn leven heeft ingericht op een verblijf voor langere tijd voor studie in Nederland en dat het verlaten van Nederland voor hem onoverkomelijk is.

5.1.    De Afdeling heeft hiervoor, onder 3.1, het betoog over de persoonlijke omstandigheden van [appellant] beoordeeld. Dat hij, als gevolg van het BNSA, niet verder kan met de opleiding, waardoor hij - achteraf bezien - tevergeefs tijd en geld in de opleiding heeft geïnvesteerd, is inherent aan de beslissing. Dat maakt op zichzelf niet dat de beslissing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Verder strekt de beslissing niet tot het intrekken van zijn verblijfsvergunning en zijn vertrek uit Nederland. Dat is afhankelijk van de besluitvorming van een ander bestuursorgaan.

Het betoog slaagt niet.

6.       Het beroep is ongegrond.

7.       Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hazen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

452-1175


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon