Uitspraak 202506110/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4512
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 19 augustus 2025 is aan [appellant] meegedeeld dat aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt gemeld dat hij gedurende het studiejaar 2024-2025 niet heeft voldaan aan de studievoortgangseis en dat niet is gebleken van een hiervoor bestaande verschoonbare reden. Bij beslissing van 26 november 2025 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE) het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] heeft in het studiejaar 2024-2025 de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence gevolgd. Aan de beslissing van 19 augustus 2025 is ten grondslag gelegd dat [appellant] een verblijfsvergunning voor studie heeft, dat hij daarom ieder studiejaar moet voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de MoMi-norm), dat deze norm gelijk is aan 50% van het in dat jaar te halen aantal studiepunten, dat [appellant] deze norm niet heeft gehaald en dat de onvoldoende studievoortgang niet is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden. De universiteit zal daarom bij de IND melden dat [appellant] de MoMi-norm niet heeft gehaald.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Studentenzaken
Toon inhoud
202506110/1/A2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 19 augustus 2025 is aan [appellant] meegedeeld dat aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt gemeld dat hij gedurende het studiejaar 2024-2025 niet heeft voldaan aan de studievoortgangseis en dat niet is gebleken van een hiervoor bestaande verschoonbare reden.
Bij beslissing van 26 november 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. F.M.Y. Coladarci-Rijnders en dr. A.N. van der Meulen, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] heeft in het studiejaar 2024-2025 de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence gevolgd. Aan de beslissing van 19 augustus 2025 is ten grondslag gelegd dat [appellant] een verblijfsvergunning voor studie heeft, dat hij daarom ieder studiejaar moet voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de MoMi-norm), dat deze norm gelijk is aan 50% van het in dat jaar te halen aantal studiepunten, dat [appellant] deze norm niet heeft gehaald en dat de onvoldoende studievoortgang niet is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 7.51, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De universiteit zal daarom bij de IND melden dat [appellant] de MoMi-norm niet heeft gehaald.
2. [appellant] betoogt dat de beslissing van 19 augustus 2025 niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.1. De beslissing van 19 augustus 2025 bevat de vaststelling dat [appellant] in het studiejaar 2024-2025 niet het vereiste aantal studiepunten heeft behaald en daarvoor geen verschonende omstandigheden zijn gevonden. Deze vaststelling behelst een beoordeling van de vraag of de opgelopen studievertraging verband houdt met bij hem bestaande persoonlijke omstandigheden. Naar het oordeel van de Afdeling moet de brief in zoverre, mede vanuit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming, worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb waartegen bij de onderwijsinstelling rechtsbescherming openstaat. Een ander oordeel zou ertoe leiden dat [appellant] bij de minister van Asiel en Migratie in een procedure over de intrekking van zijn verblijfsvergunning moet opkomen tegen de beoordeling van het verband tussen de studievertraging en zijn persoonlijke omstandigheden. Niet de minister, maar de universiteit is voor deze beoordeling de aangewezen instantie. De Afdeling verwijst naar de uitspraak van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs van 24 oktober 2018, CBHO 2018/078, overweging 2.4.
Het betoog slaagt niet.
3. [appellant] betoogt verder dat het CBE niet bevoegd is om een beslissing te nemen op het administratief beroep.
3.1. In artikel 2.1 van de Regeling studievoortgang studenten met een verblijfsvergunning is bepaald dat het College van Bestuur (CvB), in zijn hoedanigheid van erkend referent, aan de examencommissie de bevoegdheid mandateert tot het vaststellen van de studievoortgang van de studenten met een verblijfsvergunning. In artikel 2.3 is bepaald dat het besluit over de studievoortgang namens het CvB door de examencommissie wordt genomen.
De beslissing van 19 augustus 2025 is door de examencommissie namens het CvB genomen. Ingevolge artikel 10:2 van de Awb geldt een door de gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid genomen besluit als een besluit van de mandaatgever. Dat betekent dat de beslissing van 19 augustus 2025 geldt als een besluit van het CvB. Tegen die beslissing staat bezwaar open. Dat betekent dat in de beslissing van 19 augustus 2025 ten onrechte is vermeld dat daartegen administratief beroep kan worden ingesteld bij het CBE. Het CBE heeft de beslissing van 26 november 2025 onbevoegd genomen.
Het betoog slaagt.
4. Het beroep tegen de beslissing van 26 november 2025 is gegrond. De Afdeling zal deze beslissing vernietigen wegens strijd met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. Het CBE moet het administratief beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift doorzenden aan het CvB.
4.1. Het CBE moet de proceskosten vergoeden. Omdat in deze zaak geen griffierecht is geheven, hoeft het CBE het griffierecht niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden van 26 november 2025;
III. veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
452-1175