Uitspraak 202406014/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4510
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hoger beroepen ingesteld. Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van appellant 1 ingewilligd.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202406014/1/V1.
Datum uitspraak: 3 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 september 2024 in zaak nrs. NL24.25270 en NL24.25271 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hoger beroepen ingesteld.
Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant 1 ingewilligd.
Bij besluit van 5 maart 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant 2 afgewezen.
Appellanten hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
De hoger beroepen
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellanten tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluiten genomen op de aanvragen van 8 november 2023. Dat heeft de minister bij de besluiten van 21 januari 2026 en 5 maart 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van deze besluiten hebben appellanten het doel van deze procedure bereikt.
2. De hoger beroepen zijn niet-ontvankelijk.
3. De hoger beroepen gaan over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of appellanten hun proceskosten vergoed moeten krijgen. In dit geval heeft de minister hangende de hoger beroepen besluiten genomen op de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De Afdeling merkt de hogerberoepschriften aan als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelet op de criteria voor samenhangende zaken in het tweede lid van dit artikel. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor de hogerberoepschriften). De hoger beroepen gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
De besluiten van 21 januari 2026 en 5 maart 2026
5. Appellant A heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, de Afdeling laten weten dat zij het besluit van 21 januari 2026 niet betwist. Gelet hierop is daartegen geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
6. Appellant B heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, de Afdeling laten weten dat zij het niet eens is met het besluit van 5 maart 2026 en dat zij daartegen bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, beroep heeft ingesteld. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 5 maart 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. verwijst het beroep tegen het besluit van 5 maart 2026, V-[…], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026
392