Uitspraak 202504110/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4592
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd. Tijdens een controle van het binnenschip [naam schip] op 2 februari 2023 hebben toezichthouders diverse overtredingen geconstateerd. Deze zijn neergelegd in een door hun op ambtseed opgemaakt boeterapport. In de besluitvorming heeft de minister aan [appellant], als schipper/gezagvoerder van het schip, een boete van in totaal € 2.230,00 opgelegd wegens zeven overtredingen ten aanzien van het vaartijdenboek. De overtredingen betreffen voor 1 februari 2023 het niet juist invullen van de tijden waarop de bemanning aan boord komt, het niet juist invullen van de kolommen van het begin van de vaart en het niet juist invullen van de exploitatiewijze. Ten aanzien van 2 februari 2023 gaat het om het niet aanwezig hebben van het vaartijdenboek in de stuurhut, het niet juist invullen van de kolommen van het begin en van het einde van de vaart en het niet juist invullen van de kolommen ten aanzien van de rusttijden van de bemanning. De rechtbank heeft overwogen dat de minister deze overtredingen terecht heeft vastgesteld.
- Hoger beroep
- Boete
Toon inhoud
202504110/1/A3.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 3 juni 2025 in zaak nr. 24/313 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de minister aan [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd.
Bij besluit van 12 december 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. L. Man en mr. D.E.A. Eden, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Tijdens een controle van het binnenschip [naam schip] op 2 februari 2023 hebben toezichthouders diverse overtredingen geconstateerd. Deze zijn neergelegd in een door hun op ambtseed opgemaakt boeterapport. In de besluitvorming heeft de minister aan [appellant], als schipper/gezagvoerder van het schip, een boete van in totaal € 2.230,00 opgelegd wegens zeven overtredingen ten aanzien van het vaartijdenboek. De overtredingen betreffen voor 1 februari 2023 het niet juist invullen van de tijden waarop de bemanning aan boord komt, het niet juist invullen van de kolommen van het begin van de vaart en het niet juist invullen van de exploitatiewijze. Ten aanzien van 2 februari 2023 gaat het om het niet aanwezig hebben van het vaartijdenboek in de stuurhut, het niet juist invullen van de kolommen van het begin en van het einde van de vaart en het niet juist invullen van de kolommen ten aanzien van de rusttijden van de bemanning.
Rechtbankuitspraak
2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister deze overtredingen terecht heeft vastgesteld. Het vaartijdenboek bevond zich niet in de stuurhut en de kolommen in het vaartijdenboek ten aanzien van het begin en einde van de vaart, de tijd van het aan boord komen van [appellant] en de rusttijden zijn niet of niet juist ingevuld. Ook de exploitatiewijze is niet juist ingevuld. In het boeterapport staat dat [appellant] heeft verklaard dat de exploitatiewijze is gewijzigd naar A1 op het moment dat hij aan boord is gekomen, terwijl dit niet is opgenomen in het vaartijdenboek. De minister mag in beginsel uitgaan van dergelijke verklaringen die ten overstaan van een toezichthouder zijn afgelegd en zijn opgenomen in een op ambtseed opgesteld boeterapport. [appellant] heeft met de enkele betwisting van deze verklaring en de stelling dat de toezichthouder het op hen heeft gemunt, niet aannemelijk gemaakt dat de minister niet van deze verklaring heeft mogen uitgaan. Verder moet [appellant] als de overtreder worden aangemerkt. Hij fungeerde als schipper op het moment van de controle en niet is gebleken dat hij eerder die dag niet de schipper was. Voor zover [appellant] heeft willen stellen dat ook nog [persoon A] als schipper aan boord was, laat dat onverlet dat uit het beroepschrift blijkt dat [appellant] zelf schipper was tijdens de op 1 februari aangevangen vaart en dus verantwoordelijk was voor de aantekeningen in het vaartijdenboek op de momenten dat hij als schipper fungeerde. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding de boete te matigen wegens overmacht of omdat [appellant] geen verwijt valt te maken voor het niet aanwezig hebben van het vaartijdenboek in de stuurhut, naar gesteld omdat de deur niet goed op slot kon en documenten van waarde tijdelijk in de woning op het schip werden bewaard. Uit wat [appellant] heeft aangevoerd volgt niet dat hij het vaartijdenboek niet in de stuurhut kon hebben tijdens de vaart. Dit was, zo heeft hij op zitting verklaard, wel mogelijk, maar alleen niet praktisch. Dat is echter niet voldoende om aan te nemen dat hem geen verwijt valt te maken of dat sprake is van overmacht. Ook verder is de hoogte van de boete evenredig. Het was voor [appellant] mogelijk het vaartijdenboek mee te nemen naar de stuurhut zodra hij ging varen, en deze eventueel na het einde van de vaart weer mee terug te nemen naar de woning.
Hoger beroep
3. In hoger beroep betoogt [appellant] dat [persoon B] het gezag heeft overgedragen aan [persoon A] toen hij als schipper op 1 februari 2023 van boord ging en werd vervangen door [appellant]. Uit het vaartijdenboek blijkt dat [persoon A] die dag en de dag erna aan boord was. Dit heeft hij in een verklaring ook bevestigd. Uit niets blijkt dat hij van boord is gegaan en dit heeft de inspecteur bij de controle ook niet geverifieerd. De inspecteur heeft het daarnaast op onder meer hem gemunt en daarom zijn verklaringen niet juist opgeschreven. [appellant] heeft zelf alleen bepaalde delen van de vaart gevaren, omdat de rest van de bemanning wegens zijn leeftijd rekening met hem heeft willen houden bij de te verrichten fysieke handelingen. [persoon A] was verantwoordelijk voor de onjuiste vermeldingen in het vaartijdenboek. Het mag [appellant] verder niet worden verweten dat het vaartijdenboek niet in de stuurhut was, omdat op instructie van de eigenaar alles wat van waarde was in de woonkamer moest worden opgeborgen. Tot slot is het niet juist dat er een exploitatiewissel heeft plaatsgevonden. Toen de schipper van boord ging en [appellant] aan boord ging, bleef de bemanningsterkte immers hetzelfde.
3.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 9.3.1. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat uit het boeterapport, dat door de inspecteur en een brigadier van de politie op ambtseed is opgesteld, volgt dat [appellant] en het bij de controle aanwezige bemanningslid op verschillende momenten, en in het geval van [appellant] zelfs meerdere keren in verschillende bewoordingen, hebben verklaard dat zij de enige bemanning aan boord van het schip zijn. Daarbij heeft [appellant] ook nog verklaard dat hij, nadat hij aan boord was gegaan ter vervanging van [persoon B], meteen is vertrokken en in één keer naar Rotterdam is gevaren zonder te rusten, waarbij hij en het aanwezige bemanningslid ‘met zijn beiden’ waren en er verder niemand aan boord was. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, mag de minister van dergelijke verklaringen uitgaan, tenzij er gelet op de aard en inhoud van de betwisting grond bestaat voor zodanige twijfel, dat de verklaring niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kan worden gelegd. Vergelijk de uitspraak van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2309, onder 3.2. Met wat [appellant] heeft aangevoerd is geen sprake van een dergelijke betwisting. Uit het duidelijk onvolledig ingevulde vaartijdenboek blijkt niet dat en op welke momenten [persoon A] de verantwoordelijke schipper was en hierin mist alle informatie over 2 februari 2023. Gelet op de duidelijke verklaringen van [appellant] en het andere bemanningslid en nu het vaartijdenboek zo onvolledig is ingevuld, bestond voor de inspecteur geen aanleiding nog eens uitdrukkelijk na te vragen waar de in het vaartijdenboek genoemde [persoon A] is. Bovendien is [appellant] wel gevraagd om inlichtingen aangaande de rusttijden van de gezagvoerder en is hem gevraagd om de exacte tijd en locatie van het van boord gaan van de bemanningsleden. Hij heeft hierop wegens irritaties geen antwoord gegeven, terwijl hij toen alsnog had kunnen verduidelijken dat, zoals hij nu stelt, ook [persoon A] aan boord is en dat juist ook [persoon A] gedurende de vaart de verantwoordelijke schipper was. Aangezien hij dat pas heeft gesteld in beroep en ook toen pas een verklaring van [persoon A] heeft ingebracht, zonder verder bewijs, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat niet hij, maar [persoon A] de schipper/gezagvoerder is geweest die verantwoordelijk is voor de overtredingen.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
802