Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202600857/1/A2

Uitspraak 202600857/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4590
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij beslissing van 21 mei 2025 heeft de examencommissie academie, business en communicatie aan [appellante] medegedeeld dat zij geen verlenging krijgt voor de deadline van haar afstudeeropdracht en daardoor moet stoppen met deze opdracht. Bij beslissing van 26 januari 2026 heeft het college van beroep voor de examens van Hogeschool Arnhem en Nijmegen het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het onderdeel Uitvoering van de afstudeeropdracht en ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het onderdeel Advisering. [appellante] volgt de bacheloropleiding Ondernemerschap & Retailmanagement aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. [appellante] heeft een chronische aandoening, waardoor zij verminderd belastbaar is. In september 2023 is zij gestart met het afstudeertraject. Zij is begonnen met het uitvoerend project van het afstudeertraject. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden mocht [appellante] in het studiejaar 2024-2025 doorgaan met dit project. In april/mei 2024 is zij ook aan het adviserend project van dit afstudeertraject begonnen. [appellante] heeft door haar aandoening in een aangepast tempo aan de projecten gewerkt. In januari 2025 viel zij door haar aandoening uit en had zij enige tijd nodig om te herstellen.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202600857/1/A2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

en

het college van beroep voor de examens van Hogeschool Arnhem en Nijmegen (het CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 21 mei 2025 heeft de examencommissie academie, business en communicatie aan [appellante] medegedeeld dat zij geen verlenging krijgt voor de deadline van haar afstudeeropdracht en daardoor moet stoppen met deze opdracht.

Bij beslissing van 26 januari 2026 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het onderdeel Uitvoering van de afstudeeropdracht en ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het onderdeel Advisering.

Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. Paijmans, advocaat in Utrecht, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. R.E. Jansen, vergezeld door de  M. van Haarlem, zijn verschenen. Ook is de examencommissie, vertegenwoordigd door ing. M.P.M. Welbers, op de zitting gehoord.

Overwegingen

1.       [appellante] volgt de bacheloropleiding Ondernemerschap & Retailmanagement aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (de HAN). [appellante] heeft een chronische aandoening, waardoor zij verminderd belastbaar is. In september 2023 is zij gestart met het afstudeertraject. Zij is begonnen met het uitvoerend project van het afstudeertraject. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden mocht [appellante] in het studiejaar 2024-2025 doorgaan met dit project. In april/mei 2024 is zij ook aan het adviserend project van dit afstudeertraject begonnen. [appellante] heeft door haar aandoening in een aangepast tempo aan de projecten gewerkt. In januari 2025 viel zij door haar aandoening uit en had zij enige tijd nodig om te herstellen. In mei 2025 heeft de opdrachtgever besloten om niet langer verder te willen gaan met de projecten. [appellante] heeft een verzoek om uitstel van de deadline voor afronding van het project bij de HAN ingediend. Dat verzoek is afgewezen. In een poging om tot een schikking te komen heeft [appellante] verzocht om op een alternatieve wijze haar competenties aan te mogen tonen om alsnog het project te kunnen afronden. Dat verzoek heeft de examencommissie afgewezen, omdat het portfolio, vanwege het ontbreken van feedbackformulieren, niet meer zal kunnen voldoen aan de ontvankelijkheidseisen.

De bestreden beslissing

2.       Het CBE heeft het administratief beroep voor het uitvoerend project gegrond verklaard en de examencommissie opgedragen om voor dat project een nieuw besluit te nemen, met daarin opgenomen de afspraken die gelden voor afronding van dat project.

Daarnaast heeft het CBE overwogen dat de examencommissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] het huidige adviserend project niet tot een succesvolle afronding zou kunnen brengen. Hieraan heeft het CBE ten grondslag gelegd dat [appellante] geen portfolio kan aanleveren dat aan de minimale vereisten voldoet. Haar portfolio had feedbackformulieren moeten bevatten van halverwege en het eind van het project, waarmee zij kon aantonen dat zij waarde had gecreëerd voor het stagebedrijf. Omdat een deel van die formulieren ontbreekt, het stagebedrijf niet meer mee wil werken om de ontbrekende feedbackformulieren alsnog aan te leveren en de wel aanwezige formulieren niet valide en betrouwbaar zijn, is het voor [appellante] niet mogelijk om op twee momenten in de tijd toetsbaar aan te tonen dat zij waarde heeft gecreëerd voor het stagebedrijf. Het CBE heeft geconcludeerd dat de vereiste competenties om die reden niet kunnen worden aangetoond. Volgens het CBE heeft de examencommissie voldoende toegelicht dat binnen de opleiding Ondernemerschap en Retail Management een bedrijfsonderdeel verplicht is en een vervangende, alternatieve opdracht niet mogelijk is.

Het geschil in beroep en de beoordeling daarvan

3.       [appellante] betoogt dat het project in een vergevorderd stadium is. Zij moet de methode herschrijven, enkele analyses aanvullen en de resultaten, conclusies en aanbevelingen uitschrijven. Zij meent dat, omdat het onderzoek al is uitgevoerd, zij dit onafhankelijk van het stagebedrijf zou kunnen uitvoeren. Haar omstandigheden maken dat het kijken naar een praktische oplossing is geboden. Voor haar uitvoerend afstudeerproject heeft de examencommissie wel meegewerkt aan een oplossing, zodat dat niet opnieuw hoeft. [appellante] betoogt dat voor haar adviserend afstudeerproject ook een oplossing gevonden dient te worden, die ertoe leidt dat zij niet dat gehele afstuurproject opnieuw hoeft te doen. Het verschil in inzicht over een mogelijke oplossing ziet vooral op de ontbrekende feedbackformulieren. [appellante] betoogt dat zij er vier heeft. Voor het ontbreken van de overige formulieren heeft zij onder andere het voorstel gedaan gebruik te maken van een externe bedrijfscoach. Ter ondersteuning van haar voorstel heeft zij advies ingewonnen van toetsdeskundigen. Met haar verzoek om een aangepaste dan wel vervangende manier van toetsing, doet zij uitdrukkelijk een beroep op een doeltreffende aanpassing in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz). Voor een dergelijke voorziening geldt dat de examencommissie gedegen onderzoek moet doen naar een voorziening. Dat is volgens [appellante] onvoldoende gebleken. Door haar nu op basis van ontvankelijkheidseisen te verplichten het project te stoppen wordt ervoor gezorgd  dat er geen inhoudelijk oordeel volgt.

3.1.    Voor de beoordeling van de stage is het noodzakelijk dat er feedbackformulieren worden aangeleverd. Deze formulieren worden op verschillende momenten gedurende de stage ingevuld en zoveel mogelijk door dezelfde personen, zodat de voortgang ook duidelijk beoordeeld kan worden. Omdat het stagebedrijf heeft laten weten niet langer mee te willen werken, kan [appellante] de laatste formulieren niet meer aanleveren. Daardoor kan zij geen volledig portfolio meer indienen. Ook zijn na contact met het stagebedrijf bij de examencommissie twijfels gerezen over de inhoud en authenticiteit van de formulieren die [appellante] wel heeft. De examencommissie heeft op de zitting bij de Afdeling nader toegelicht dat met een externe bedrijfscoach als alternatieve beoordelingswijze niet kan worden volstaan. Doordat de coach achteraf instapt, mist deze het gehele proces en het tussentijdse peilmoment om een goed oordeel te kunnen geven over de ontwikkeling van [appellante]. Daarmee kan volgens de examencommissie geen oordeel worden gegeven over onder andere de competentie waardecreatie. Doordat het stagebedrijf niet meer met [appellante] verder wil, is dit gebrek niet meer te repareren. Het CBE mocht dan ook naar het oordeel van de Afdeling de conclusie van de examencommissie volgen dat er geen nadere verlenging voor dit afstudeerproject kon worden gegeven, waarmee het afstudeerproject is gestopt.

3.2.    Op de zitting bij de Afdeling heeft de examencommissie bevestigd dat [appellante] niet het volledige afstudeertraject hoeft te herkansen, maar dat het zal gaan om een hersteltraject, enkel voor het adviserend project. [appellante] heeft zes van de tien competenties al behaald. Het hersteltraject zal daarom zien op de overige vier competenties. [appellante] heeft een beroep gedaan op de Wgbh/cz. Bij de invulling van de verplichting uit de Wgbh/cz moet rekening worden gehouden met haar belastbaarheid. Het CBE en de examencommissie hebben aangegeven daar rekening mee te houden. Voor de invulling hiervan wil de examencommissie samen met [appellante] overleggen over een aanpak waarbij aan de eindtermen van de opleiding wordt voldaan op een manier die past bij haar verminderde studiebelastbaarheid.

Conclusie

4.       Het beroep is ongegrond.

5.       Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

705-1043


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon