Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.001762

Uitspraak BRS.26.001762

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4377
Datum uitspraak
30 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 1 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.001762
ECLI:NL:RVS:2026:4377
Datum uitspraak: 30 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 april 2026 in zaak nr. NL26.4220 in het geding tussen:

[appellant],

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 1 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.        De minister heeft de asielaanvraag van appellant en haar drie minderjarige kinderen niet in behandeling genomen, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Appellant stelt dat de minister verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag, omdat haar gestelde echtgenoot en vader van twee van haar kinderen, in Nederland verblijft. Appellant wijst in haar grieven op onder meer artikel 9 en 20, derde lid, van de Dublinverordening op basis waarvan de minister volgens haar verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van haar asielaanvraag.

2.         Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Artikel 9 van de Dublinverordening

3.        Anders dan appellant heeft aangevoerd in haar eerste en derde grief, heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 9 van de Dublinverordening niet van toepassing is in dit geval. Om onder de reikwijdte van die bepaling te vallen moet het gezinslid in de verzoekende lidstaat internationale bescherming genieten. Volgens artikel 2, aanhef en onder f, van de Dublinverordening gaat het om internationale bescherming als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn. Niet in geschil is dat de gestelde echtgenoot in Nederland verblijft op grond van nareis als bedoeld in de Gezinsherenigingsrichtlijn en dus niet op grond van internationale bescherming als bedoeld in de Kwalificatierichtlijn. Alleen al daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 9 van de Dublinverordening in dit geval niet van toepassing is. De eerste grief faalt.

Artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening

4.        Appellant klaagt in zijn vierde en vijfde grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening. Appellant wijst op punt 89 van het arrest van het Hof van Justitie van 20 januari 2019, M.A., ECLI:EU:C:20219:53, en betoogt dat de minister op basis van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Het Hof heeft in dat punt overwogen dat uit die bepaling blijkt dat de eerbiediging van het familie- en gezinsleven en, meer in het bijzonder, het behoud van de eenheid van het gezin in beginsel in het belang van het kind is, aldus appellant.

4.1.        De Afdeling overweegt dat die overweging in het licht moet worden gelezen van het doel, de context en de bewoordingen van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening. Uit die bepaling en het arrest M.A., volgt dat bij de behandeling van het verzoek om internationale bescherming de situatie van de minderjarige onlosmakelijk verbonden is met de situatie van het gezinslid dat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend als dit in het belang van het kind is. Deze bepaling is dus bedoeld om het gezin bijeen te houden bij de overdracht van de minderjarige en zijn gezinsleden aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het door deze gezinsleden ingediende verzoek om internationale bescherming.

4.2.        Artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening geeft geen materieel criterium op basis waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald vanwege het verblijf van een gesteld gezinslid in de verzoekende lidstaat. De minister handelt dan ook niet in strijd met die bepaling als hij appellant en haar kinderen overdraagt aan Spanje. Op deze punten falen de vierde en vijfde grief.

Overige grieven

5.        Wat appellant voor het overige heeft aangevoerd in haar hogerberoepschrift over onder meer de belangen van de kinderen bij een overdracht aan Spanje, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift op deze punten geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Arrest Remling

6.        Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag over de uitleg van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening. Deze vraag kan mede worden beantwoord aan de hand van het arrest M.A. Voor het overige roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of geldigheid van een bepaling van het Unierecht. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24, 36 en 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Conclusie

7.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Lagaaij
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026

992


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon