Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202305040/1/R1

Uitspraak 202305040/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4589
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 juni 2023 heeft raad van de gemeente Uithoorn het bestemmingsplan "Parapluplan Datacenters" vastgesteld. In het bestemmingsplan is als strijdig gebruik aangemerkt: het gebruiken van gronden of laten gebruiken van gronden of bebouwing als een datacenter met een oppervlakte van 2.000 m2 en waarvan het elektrisch aansluitvermogen meer dan 5 MVA bedraagt. Het bestemmingsplan geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Uithoorn. BACT is eigenaar van het perceel aan de Mijnsherenweg 8 in de Kwakel. Zij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat zij voornemens is om op dat perceel een datacenter te realiseren. Oudendijk Beheer B.V. was eigenaar van het perceel aan de Mijnsherenweg 4-6 in de Kwakel. Zij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat het volgens haar de gebruiksmogelijkheden van haar perceel beperkt. GTMH heeft het perceel aan de Mijnsherenweg 4-6 van Oudendijk Beheer gekocht en wenst als rechtsopvolger van Oudendijk Beheer het beroep te handhaven.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Holland

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202305040/1/R1.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       BACT B.V., gevestigd in Amsterdam,

2.       Oudendijk Beheer B.V., gevestigd in De Kwakel, gemeente Uithoorn, nu: GTMH B.V., gevestigd in Amsterdam,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Uithoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2023 heeft raad het bestemmingsplan "Parapluplan Datacenters" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de rechtsvoorganger van GTMH, en BACT beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

BACT, GTMH en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb aan provinciale staten van Noord-Holland verzocht om schriftelijk inlichtingen te geven.

Provinciale staten hebben bij brief van 20 oktober 2025 aan dit verzoek voldaan.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 november 2025, waar de rechtsvoorganger van GTMH, vertegenwoordigd door mr. M.M. Brinkman, mr. T. van Wissen en mr. V. van der Stap, rechtsbijstandverleners in Amsterdam, BACT, vertegenwoordigd [gemachtigden], ook bijgestaan door Brinkman, Van Wissen en Van der Stap, en de raad, vertegenwoordigd door S.D. Meulenbelt, bijgestaan door mr. S.A.B. Boer, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen. Verder hebben provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. B. de Boer en B. Gerretsen, op de zitting op verzoek van de Afdeling inlichtingen verschaft.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 9 februari 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       In het bestemmingsplan is als strijdig gebruik aangemerkt: het gebruiken van gronden of laten gebruiken van gronden of bebouwing als een datacenter met een oppervlakte van 2.000 m2 en waarvan het elektrisch aansluitvermogen meer dan 5 MVA bedraagt. Het bestemmingsplan geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Uithoorn.

BACT is eigenaar van het perceel aan de Mijnsherenweg 8 in de Kwakel. Zij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat zij voornemens is om op dat perceel een datacenter te realiseren. Oudendijk Beheer B.V. was eigenaar van het perceel aan de Mijnsherenweg 4-6 in de Kwakel. Zij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat het volgens haar de gebruiksmogelijkheden van haar perceel beperkt. GTMH heeft het perceel aan de Mijnsherenweg 4-6 van Oudendijk Beheer gekocht en wenst als rechtsopvolger van Oudendijk Beheer het beroep te handhaven.

Relevante wettelijke bepalingen

3.       De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Beroep BACT

Dienstenrichtlijn

4.       BACT betoogt dat het verbod in de planregels om datacenters in Uithoorn te vestigen in strijd is met artikel 15, derde lid, onder b en c, van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376/36; Dienstenrichtlijn). Artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening NH2020 (Omgevingsverordening) is volgens BACT geen rechtvaardiging voor het verbod in de planregel. Die bepaling is volgens BACT namelijk ook in strijd met de Dienstenrichtlijn, zodat deze onverbindend is of buiten toepassing moet worden gelaten bij de beoordeling van het bestemmingsplan. BACT stelt in dat verband dat provinciale staten aan de hand van een objectieve en cijfermatige onderbouwing hadden moeten motiveren dat artikel 6.21c, eerste lid van de Omgevingsverordening noodzakelijk is.

4.1.    In artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat van toepassing is op het werkingsgebied "datacenters uitgesloten" niet voorziet in nieuwe datacenters met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitingsvermogen van meer dan 5 MVA. Het gehele plangebied ligt binnen het werkingsgebied "datacenters uitgesloten".

4.2.    Artikel 4 van de planregels luidt: "Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van bebouwing en/of onbebouwde gronden als datacenter(s)."

Artikel 1.5 van de planregels definieert datacenter als "een reken- of datacenter, waar ondersteuning wordt gegeven voor dataverkeer of dataopslag en dat daartoe hoofdzakelijk gericht is op het digitaal opslaan en verwerken van (digitale) informatie en informatietechnologie op servers, met de daarbij behorende noodzakelijke installaties en apparatuur zoals koelsystemen, elektriciteit- en energievoorzieningen, onderhoudsruimtes, kantoorruimtes en /of veiligheidssystemen; welke,

a. binnen een gebouw of bouwwerk meer dan 2000 m2 bruto vloeroppervlak beslaat en waarvan het elektrisch aansluitvermogen meer dan 5 MVA bedraagt; dan wel,

b. binnen een verzameling van bouwwerken die in onderlinge samenhang als één geheel functioneren, meer dan 2000 m2 bruto vloeroppervlak beslaat en waarvan het elektrisch aansluitvermogen meer dan 5 MVA bedraagt."

4.3.    De raad heeft toegelicht dat artikel 4 van de planregels dient ter uitvoering van artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening en dezelfde doelen dient als die bepaling. Het beroep noopt daarom tot exceptieve toetsing van artikel 6.21c van de Omgevingsverordening aan de Dienstenrichtlijn. Exceptieve toetsing houdt in dit verband in dat de bestuursrechter beoordeelt of een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift buiten toepassing moet worden gelaten of onverbindend moet worden verklaard, als dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling. De Dienstenrichtlijn is zo’n hogere regeling.

4.4.    De Afdeling overweegt dat het exploiteren van een datacenter een vorm van "dienstverlening" is in de zin van de Dienstenrichtlijn. De beperking voor het oprichten van datacenters die geldt op grond van artikel 6.21c van de Omgevingsverordening en is uitgewerkt in het bestemmingsplan, moet daarom worden aangemerkt als een "eis" in de vorm van een territoriale beperking als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn. De Afdeling zal daarom hierna beoordelen of artikel 6.21c van de Omgevingsverordening buiten toepassing gelaten moet worden of onverbindend verklaard moet worden, omdat deze bepaling in strijd is met het rechtstreeks werkende artikel 15 van de Dienstenrichtlijn. In het licht van wat BACT heeft aangevoerd, zal de Afdeling daarbij ingaan op de vraag of de eis gerechtvaardigd is op grond van artikel 15, derde lid, aanhef en onder b en c, van de Dienstenrichtlijn en dus of de eis noodzakelijk en evenredig is als is bedoeld in deze artikelleden. Daarbij is van belang dat de Afdeling in staat moet zijn om te toetsen of artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening, geschikt en noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken (vergelijk het arrest van 18 september 2019, VIPA, ECLI:EU:C:2019:751, punten 69 en 70). Na de exceptieve toetsing van artikel 6.21c van de Omgevingsverordening zal - met de uitkomst daarvan in acht genomen - de Afdeling beoordelen of het bestemmingsplan in strijd met artikel 15 van de Dienstenrichtlijn is vastgesteld.

- Exceptieve toetsing van de instructieregel

Artikel 15, derde lid, aanhef en onder b: noodzakelijkheid (gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang)

4.5.    BACT voert aan dat het voorkomen van overbelasting op het elektriciteitsnetwerk geen ruimtelijk belang is dat kan meewegen bij de vaststelling van een instructieregeling in de Omgevingsverordening in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Volgens BACT is de mogelijkheid van het verkrijgen van een elektriciteitsaansluiting en transport exclusief geregeld in de Elektriciteitswet 1998. Omdat het belang van het voorkomen van netcongestie niet betrokken kan worden in de afweging om een instructieregel op te nemen in de Omgevingsverordening, kan dit volgens BACT ook geen dwingende reden van algemeen belang zijn die artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening in het kader van de Dienstenrichtlijn rechtvaardigt.

4.6.    Bij de beantwoording van de vraag of een eis noodzakelijk is in de zin van artikel 15, derde lid, onder b, van de Dienstenrichtlijn, moet worden bezien of deze eis gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Uit artikel 4, aanhef en onder 8, van de Dienstenrichtlijn volgt dat hiervan sprake kan zijn als een eis wordt gesteld met het oog op de bescherming van het stedelijk milieu. Een goede ruimtelijke ordening, waartoe een provinciale instructieregel, zoals artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening, moet strekken, kan in dat licht een dwingende reden van algemeen belang vormen.

4.7.    De Afdeling begrijpt het betoog van BACT zo dat BACT meent dat de instructieregeling niet vastgesteld kon worden, omdat daarmee geen ruimtelijk belang wordt gediend, terwijl artikel 4.1, eerste lid, van de Wro bepaalt dat in een provinciale verordening regels opgenomen kunnen worden omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, indien provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dit noodzakelijk maken. Omdat overbelasting op het elektriciteitsnetwerk geen ruimtelijk belang is, mocht deze instructieregel niet vastgesteld worden en kan daarin dan ook geen rechtvaardiging vanwege een dringende reden van algemeen belang worden gevonden. Gelet hierop noopt ook dit deel van het beroep van BACT tot exceptieve toetsing. Het gaat dan om toetsing van artikel 6.21c van de Omgevingsverordening aan de Dienstenricthlijn, in het licht van het bepaalde in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro.

4.8.    In artikel 6.21c van de Omgevingsverordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat van toepassing is in het werkingsgebied "datacenters uitgesloten", niet voorziet in nieuwe datacenters. Dat werkingsgebied beslaat het gehele grondgebied van de provincie Noord-Holland met uitzondering van grondgebied van de gemeentes Amsterdam, Haarlemmermeer en Hollandse Kroon. In de toelichting bij Paragraaf 6.1.5a van de Omgevingsverordening wordt verwezen naar de "Datacenterstrategie Noord-Holland 2022-2024".

Uit dat stuk valt af te leiden dat met het toestaan van de nieuwvestiging van datacenters in een beperkt aantal gemeentes is beoogd om de datacenters ruimtelijk te clusteren. Het clusteren is bedoeld om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen, de impact van datacenters op het landschap, het watersysteem en de natuur te beperken en om overbelasting op het elektriciteitsnetwerk te voorkomen, zo staat in dat stuk beschreven.

Provinciale staten hebben over het voorkomen van overbelasting op het elektriciteitsnetwerk toegelicht dat bij nieuwvestiging van een datacenter de daarvoor benodigde elektriciteit nagenoeg nooit via bestaande infrastructuur kan worden geleverd. Dit komt doordat er in vrijwel heel Noord-Holland een tekort is aan transportcapaciteit op het elektriciteitsnetwerk en datacenters doorgaans een uitzonderlijk hoge vraag naar elektriciteit hebben. Bij de nieuwvestiging van datacenters is daarom vrijwel altijd een uitbreiding van de transportcapaciteit van het elektriciteitsnetwerk nodig.

Die verzwaring van het elektriciteitsnetwerk gaat volgens provinciale staten gepaard met het uitbreiden van bestaande of het bouwen van nieuwe infrastructuur in de vorm van, onder meer, boven- en ondergrondse kabels en (hoogspannings-)stations. Dit heeft een forse impact op de omgeving in de vorm van bijvoorbeeld ruimtegebruik, uitzicht, geluid en veiligheid. Ook vergt het realiseren van zulke infrastructuur inspanningen van netbeheerders, die zich hierdoor niet bezig kunnen houden met hun aandeel in het verhelpen van knelpunten die nodig zijn om andere ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Het ruimtelijk relevante aspect van netcongestie is volgens provinciale staten juist gelegen in die gevolgen.

Met artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening is volgens provinciale staten dus beoogd om datacenters te clusteren met het oog op meerdere ruimtelijke belangen, waaronder het beperken van de voor datacenters benodigde infrastructuur tot specifieke clustergebieden om daarmee de ruimtelijke gevolgen van die infrastructuur en de effecten die deze voor andere ruimtelijke ontwikkelingen met zich brengt, te beperken.

4.9.    De Afdeling stelt aan de hand van die toelichting van provinciale staten vast dat met artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening ook ruimtelijke belangen worden nagestreefd. Gelet op deze toelichting, in samenhang met de aan provinciale staten toekomende beleidsruimte, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro. Dat in de Elektriciteitswet 1998 bepalingen zijn opgenomen over aansluiting op en transport van elektriciteit, staat daar los van en leidt niet tot een andere conclusie.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

4.10.  Gelet op het toetsingskader dat onder 4.6 is besproken, overweegt de Afdeling dat met artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening een dwingende reden van algemeen belang in de zin van artikel 15, derde lid, onder b, van de Dienstenrichtlijn is nagestreefd, te weten het waarborgen van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

Artikel 15, derde lid, aanhef en onder c: evenredigheid / geschikt om het doel te bereiken

4.11.  BACT voert aan dat de eis in artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening in haar geval niet geschikt is om krapte op het elektriciteitsnetwerk te voorkomen. Volgens BACT zal een datacenter op het perceel aan de Mijnsherenweg 8 in de Kwakel namelijk een directe eigen aansluiting krijgen op het elektriciteitsstation in Rozenburg in Haarlemmermeer, zodat deze geen beslag zal leggen op de capaciteit van het lokale elektriciteitsnetwerk in Uithoorn. Volgens BACT zal er op die wijze dus niet bijgedragen worden aan netcongestie.

4.12.  Een eis die aan dienstverrichters gesteld wordt en een dwingende reden van algemeen belang nastreeft, moet op grond van artikel 15, derde lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn evenredig zijn. In de zin van die bepaling betekent dit onder meer dat de eis geschikt moet zijn om het beoogde doel te bereiken. Daarbij geldt dat de eis moet kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van het nagestreefde doel. Het is niet nodig dat de eis op zichzelf voldoende is om het doel te verwezenlijken (zie het arrest van het Hof van Justitie van 13 juni 2018, Deutscher Naturschutzring, ECLI:EU:C:2018:433, punt 49, en de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2856, onder 7.2). Verder geldt dat een cijfermatige onderbouwing alleen vereist is, als de specifieke omstandigheden van het geval daar aanleiding toe geven (zie ter vergelijking het arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2010, Stoß, EU:C:2010:504, punt 72, en het arrest van 24 maart 2011, Commissie t. Spanje, EU:C:2011:172, punt 83).

4.13.  Onder 4.8 is beschreven dat provinciale staten met artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening hebben beoogd om datacenters te clusteren, waarmee diverse ruimtelijke belangen worden gediend. Dat clusteren van datacenters brengt mee dat ook nieuwe infrastructuur zoveel mogelijk kan worden geclusterd. Ook met die clustering en het ten gevolge daarvan voorkomen van netcongestie worden ruimtelijke belangen gediend. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat met het clusteren van datacenters ook de vereiste nieuwe infrastructuur kan worden geclusterd en dat hiermee netcongestie kan worden voorkomen, omdat die clustering schaalvoordelen met zich brengt bij het uitbreiden van de transportcapaciteit van het elektriciteitsnetwerk. Wanneer datacenters zich nabij elkaar bevinden, kunnen netbeheerders volgens provinciale staten gerichtere investeringen doen in het vergroten van de transportcapaciteit van het elektriciteitsnetwerk in een beperkt gebied. De ruimtelijke uitstraling en het ruimtebeslag van de daarvoor benodigde infrastructuur zal hierdoor in de regel beperkter zijn dan wanneer de transportcapaciteit van het elektriciteitsnetwerk moet worden vergroot voor datacenters die verspreid liggen door de provincie. Ook zal er door het efficiënt investeren in het elektriciteitsnetwerk bij netbeheerders meer capaciteit zijn om knelpunten op andere plekken op het elektriciteitsnetwerk te verhelpen. Ruimtelijke ontwikkelingen die momenteel niet mogelijk zijn omdat die moeten wachten op een nieuwe of zwaardere aansluiting op het elektriciteitsnetwerk, kunnen hierdoor alsnog of sneller mogelijk worden gemaakt.

4.14.  Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten ervan uit mogen gaan dat clustering van datacenters kan bijdragen aan, onder meer, het voorkomen van netcongestie en dat met die clustering van datacenters concrete ruimtelijke belangen worden gediend. De Afdeling ziet in het betoog van BACT verder geen specifieke omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat een cijfermatige onderbouwing van de geschiktheid van de eis noodzakelijk is.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

4.15.  De vraag of de gevolgen van het verbod op het realiseren van nieuwe datacenters op het perceel van BACT evenredig zijn met de daartoe te dienen doelen, zullen onder 7.3 in het licht van artikel 3.1, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, worden besproken.

Artikel 15, derde lid, aanhef en onder c: evenredigheid / geschiktheid in de zin van coherent en systematisch

4.16.  BACT voert aan dat de eis in artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening niet coherent en systematisch is. Volgens BACT is ten onrechte de keuze om gemeenten wel of niet aan te wijzen  als "clustergemeente" niet onderbouwd. Daarnaast wordt met de eis, volgens BACT, onderscheid gemaakt tussen datacenters en andere bedrijfsvormen zonder dat daar een goede reden voor is.

4.17.  Evenredigheid in de zin van artikel 15, derde lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn, houdt wat betreft de beoordeling van de vraag of de eis geschikt is, verder in dat de eis het doel op een coherente en systematische wijze moet nastreven (zie het arrest van het Hof van Justitie van 20 juni 2024, S.N. e.a., ECLI:EU:C:2024:530, punt 76).

4.18.  Over de keuze voor de aangewezen clustergemeentes hebben provinciale staten toegelicht dat bij dat aanwijzen van de gebieden waar de nieuwvestiging van datacenters wel is toegestaan, zoveel mogelijk is aangesloten bij bestaande clusters van datacenters.

Over de vraag waarom specifiek datacenters geclusterd moeten worden en andere bedrijfsvormen niet, hebben provinciale staten in de eerste plaats toegelicht dat er in Noord-Holland, in vergelijking met andere bedrijfsvormen, momenteel een grote vraag is naar locaties voor de ontwikkeling voor datacenters. Dit is deels te verklaren door de algehele groei van de sector in de afgelopen jaren en voor een ander deel door de aanwezigheid van een internetknooppunt in Noord-Holland, wat de provincie aantrekkelijk maakt voor de vestiging van datacenters.

In de tweede plaats hebben provinciale staten toegelicht dat datacenters per m2 een uitzonderlijk hoog elektriciteitsverbruik hebben in vergelijking met andere bedrijven. Datacenters verschillen in dat opzicht van andere bedrijven, waarbij het stroomverbruik op een meer gebruikelijke manier samenhangt met hun fysieke omvang. Volgens provinciale staten maakt de nieuwvestiging van een datacenter het hierdoor in veel grotere mate noodzakelijk om het elektriciteitsnetwerk te verzwaren dan bij de nieuwvestiging van andere bedrijfsvormen. Bij het planologisch mogelijk maken van een bepaalde oppervlakte aan bedrijfsruimte wordt namelijk rekening gehouden met de elektriciteitsbehoefte van een gemiddeld bedrijf, en niet met het uitzonderlijke hoge verbruik van een datacenter. Provinciale staten hebben er op de zitting in dat verband op gewezen dat het datacenter dat BACT beoogt te realiseren in dit opzicht niet anders is, omdat het gaat om een datacenter met een geraamd vermogen van 60 MW.

4.19.  De Afdeling overweegt dat provinciale staten voldoende inzichtelijk hebben gemaakt dat met artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening het daarmee beoogde doel op een coherente en systematische wijze wordt nagestreefd. BACT heeft niet geconcretiseerd waarom het incoherent of niet-systematisch zou zijn om bij het aanwijzen van een clustergemeente aan te sluiten bij bestaande clusters van datacenters. Verder acht de Afdeling voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze datacenters zich onderscheiden van andere bedrijfsvormen en waarom het in dat licht noodzakelijk is om juist voor datacenters van een bepaalde omvang en met een bepaald elektriciteitsverbruik, specifieke regels te stellen.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

Artikel 15, derde lid, aanhef en onder c: evenredigheid / minder beperkende maatregel

4.20.  BACT voert aan dat de eis niet evenredig is, omdat hetzelfde resultaat met een minder beperkende maatregel bereikt zou kunnen worden. Zo hadden volgens BACT voorwaarden gesteld kunnen worden voor het vestigen van datacenters ten aanzien van bijvoorbeeld duurzaamheid, toegankelijkheid of over het realiseren van eigen aansluitingen op het elektriciteitsnetwerk.

4.21.  Evenredigheid in de zin van artikel 15, derde lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn houdt in dat het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.

4.22.  De Afdeling overweegt dat provinciale staten redelijkerwijs hebben kunnen concluderen dat het niet mogelijk was om met een minder beperkende maatregel de met artikel 6.21c van de Omgevingsverordening beoogde doelen te bereiken. Onder 4.8, 4.13 en 4.18 is besproken welke doelen dit zijn en op welke wijze die doelen met artikel 6.21c van de Omgevingsverordening worden bereikt. De Afdeling acht in dit verband ook van belang dat artikel 6.21c van de Omgevingsverordening geen totaal verbod op datacenters bevat, maar alleen een beperking bevat op de vrije vestiging van datacenters van een bepaalde minimale omvang en minimaal energieverbruik door dit alleen toe te staan in een aantal aangewezen gemeenten. De algemene verwijzing van BACT naar de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan het realiseren en exploiteren van datacenters, zonder dat is onderbouwd op welke wijze de hiervoor besproken doelen daarmee kunnen worden bereikt, doet dan ook niet af aan de motivering die provinciale staten voor hun keuze hebben gegeven.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

- Conclusie exceptieve toetsing instructieregel

4.23.  Uit het voorgaande volgt dat artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening is gesteld met het oog op een goede ruimtelijke ordening als is bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro en daarmee een dwingende reden van algemeen belang dient.

Verder volgt uit het voorgaande dat artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening noodzakelijk en evenredig is. De eis die in die bepaling is vervat, is daarom gerechtvaardigd op grond van artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn.

Er bestaat in zoverre daarom geen aanleiding om artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening bij de beoordeling van het bestemmingsplan buiten toepassing te laten of onverbindend te verklaren.

4.24.  Voor zover er met artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening ook nog andere doelen zijn nagestreefd, wat daar ook van zij, en voor zover BACT daartegen argumenten heeft aangevoerd, hoeven die, gelet op de voornoemde conclusie, niet besproken te worden.

- Toetsing bestemmingsplan aan artikel 15 van de Dienstenrichtlijn

4.25.  Aangezien wat BACT aanvoert geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening in strijd is met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn, bestaat er in dit geval ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan zelf met die bepaling in strijd is. Bij de beantwoording van de vraag of artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening in strijd is met de Dienstenrichtlijn, is namelijk al rekening gehouden met het rechtsgevolg daarvan, te weten, dat het nieuw vestigen van datacenters in Uithoorn in het bestemmingsplan als strijdig gebruik wordt aangemerkt. De vraag of het bestemmingsplan vanwege datzelfde rechtsgevolg in strijd is met artikel 15 van de Dienstenrichtlijn, leidt dan ook niet tot een andere conclusie. Ook in dat verband geldt dat het effectieve verbod is gerechtvaardigd op grond van artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. Daarbij is ook van belang dat het bestemmingsplan dient ter uitvoering  van artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening en met het bestemmingsplan de met artikel 6.21, eerste lid, van de Omgevingsverordening beoogde doelen worden gediend.

Het betoog slaagt niet.

4.26.  Hierna onder 5.1 oordeelt de Afdeling dat wat er verder door BACT is aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestemmingsplan verder gaat dan wat in artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening is bepaald. Er is daarom ook in zoverre geen aanleiding om te beoordelen of het bestemmingsplan in strijd met de Dienstenrichtlijn is vastgesteld.

Verhouding provinciale instructieregel en het bestemmingsplan

5.       BACT betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het in artikel 4 van de planregels opgenomen verbod op het realiseren van datacenters ruimer is dan hoe dit verbod is voorgeschreven in artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening. BACT wijst erop dat in de planregels over het bepalen van het bruto vloeroppervlak van een datacenter ook de oppervlakte van ondersteunende installaties, onderhoudsruimtes en kantoorruimtes moeten worden betrokken. Dat is volgens BACT niet terecht, omdat een redelijke uitleg van de Omgevingsverordening is dat het bruto vloeroppervlak van een datacenter alleen moet worden berekend aan de hand van de vloeroppervlakte van de serverruimtes.

5.1.    Het betoog geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan ten aanzien van het vestigen van datacenters een grotere beperking omvat dan is voorgeschreven in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening biedt - anders dan een minimale oppervlakte en een minimaal elektrisch aansluitingsvermogen - geen duidelijkheid over wat er onder het begrip "datacenter" moet worden verstaan. De raad heeft daarom beoordelingsruimte bij de vraag wat feitelijk gezien als datacenter moet worden aangemerkt. In artikel 1.5 van de planregels heeft de raad aan die beoordelingsruimte invulling gegeven door het begrip "datacenter" te definiëren. Daarbij heeft de raad de noodzakelijke apparatuur en de ondersteunende ruimtes die bij een datacenter horen, redelijkerwijs onder de definitie van dat begrip mogen laten vallen. In wat er door BACT is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan ongemotiveerd meer gebruik als strijdig aanmerkt dan wat met artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening is beoogd.

Het betoog slaagt niet.

Provinciaal belang

6.       BACT betoogt dat het bestemmingsplan geen uitvoering had mogen geven aan artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening, omdat die bepaling is vastgesteld in strijd met artikel 4.1, van de Wro. Volgens BACT is er namelijk geen provinciaal belang gemoeid met het verbieden van datacenters in Uithoorn.

6.1.    Zoals hiervoor onder 4.7 is overwogen, volgt uit artikel 4.1, eerste lid, van de Wro, dat in een provinciale verordening regels opgenomen kunnen worden omtrent de inhoud van bestemmingsplannen indien provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dit noodzakelijk maken.

6.2.    Onder 4.8, 4.13 en 4.18 is besproken met het oog op welke doelen provinciale staten artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening hebben vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich, gelet op die motivering, op het standpunt mogen stellen dat aan die doelen bovengemeentelijke aspecten kleven. De Afdeling is van oordeel dat er sprake is van een provinciaal belang. Het betoog van BACT geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan geen uitvoering had mogen geven aan artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening.

Het betoog slaagt niet.

De belangen van BACT

7.       BACT betoogt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. BACT wijst erop dat zij op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan beschikte over een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een datacenter op haar perceel. Volgens BACT heeft de raad in dit verband ook onvoldoende gemotiveerd dat het noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening om het gebruik van de gronden als datacenter als strijdig gebruik aan te merken

7.1.    BACT heeft op 19 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de verbouw en uitbreiding van een bestaand gebouw om een datacenter te realiseren op haar perceel. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) heeft bij uitspraak van 6 februari 2023, in zaken nrs. 22/6356 en 22/6358 (ongepubliceerd) overwogen dat op grond van die aanvraag aan BACT een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend en heeft het college opgedragen om die omgevingsvergunning bekend te maken. Bij uitspraak van vandaag 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4455, heeft de Afdeling die uitspraak bevestigd. Daarmee staat vast dat BACT op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan beschikte over een van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor, kort gezegd, de bouw van een datacenter op haar perceel. Niet in geschil is dat het vergunde datacenter op grond van de oppervlakte daarvan en gelet op het elektrische aansluitingsvermogen in strijd is met het gebruiksverbod in artikel 4 van de planregels.

7.2.    Een niet onherroepelijke omgevingsvergunning vormt een zwaarwegend belang dat de raad moet betrekken bij de besluitvorming, wat onverlet laat dat de raad ook andere relevante belangen moet betrekken bij die besluitvorming (zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1812, onder 10.3 en van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1594, onder 5).

7.3.    De Afdeling ziet zich, gelet op het betoog van BACT en het zwaarwegend belang dat zij op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan ontleende aan haar omgevingsvergunning, voor de vraag gesteld in hoeverre de raad de mogelijkheid had om over dat belang een eigen afweging te maken. De Afdeling overweegt hierover als volgt.

Artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening moet door de raad in een bestemmingsplan of beheersverordening worden verwerkt. De raad heeft geen beleidsruimte om een eigen afweging te maken bij de beantwoording van de vraag of het voor een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is om de nieuwvestiging van datacenters op het perceel van BACT in de uiteindelijke planologische situatie als strijdig gebruik aan te merken. De omstandigheid dat de raad op grond van artikel 13.5 van de Omgevingsverordening tot 31 december 2028 de tijd heeft om uitvoering te geven aan artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening, maakt dat niet anders (vergelijk de uitspraak van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1790, r.o. 10.3).

Maar het standpunt van de raad dat hij bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen enkele mogelijkheid had om rekening te houden met de belangen van BACT, waarop hij zich in de nota beantwoording zienswijzen heeft gesteld, kan de Afdeling niet volgen. De raad heeft namelijk niet onderkend dat hier geen sprake is van een "nieuw datacenter" zoals is bedoeld in artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening. In de bijlage 1 bij de Omgevingsverordening zijn de begrippen gedefinieerd, waaronder het begrip "bestaand". Onder "bestaand" wordt begrepen: a. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling rechtmatig aanwezig; b. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een omgevingsvergunning toegestaan of waarvoor op dat tijdstip een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die op grond van op dat moment geldende regels moet of kan worden verleend; of c. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een geldend ruimtelijk plan toegestaan." Gelet op het feit dat artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening in werking is getreden op 1 januari 2023 en BACT voor die datum al beschikte over een omgevingsvergunning van rechtswege voor een datacenter, kon het datacenter van BACT niet worden beschouwd als een "nieuw datacenter" als is bedoeld in artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening. De raad is er dan ook ten onrechte van uitgegaan dat hij op grond van die bepaling gehouden was om het bouwplan van BACT te verbieden. Het bestemmingsplan is daarom in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd.

Verder heeft de raad ook in het licht van wat hiervoor onder 7.2 is overwogen en los van het bepaalde in artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening, de belangen van BACT onvoldoende in zijn afweging betrokken. Voor zover uit de nota beantwoording zienswijzen valt af te leiden dat de raad wel zo’n afweging heeft gemaakt, is de Afdeling van oordeel dat de raad die belangenafweging onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd. Weliswaar heeft de raad omstandigheden aangedragen op grond waarvan hij de belangen van BACT van beperkt gewicht acht. Maar de raad heeft niet duidelijk gemaakt tegen welke andere belangen hij dit heeft afgewogen. De raad is namelijk niet ingegaan op de specifieke situatie op het perceel van BACT en hij heeft zich geen rekenschap gegeven van de aan BACT verleende omgevingsvergunning van rechtswege voor het datacenter. Of en in hoeverre de doelstellingen die met het bestemmingsplan worden nagestreefd relevant zijn in het geval van BACT is in dit verband daarom onvoldoende gemotiveerd. Het bestemmingsplan is, gelet op het voorgaande, vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het betoog slaagt.

Rechtszekerheid

8.       BACT betoogt dat het bestemmingsplan in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld, omdat daarin geen definitie van "bruto vloeroppervlak" is opgenomen.

8.1.    Vaststaat dat in de planregels geen omschrijving van het begrip "bruto vloeroppervlak" is opgenomen. Omdat zonder begripsomschrijving onduidelijk is wat de raad verstaat onder "bruto vloeroppervlak", is het in zoverre onduidelijk hoe dat begrip in artikel 4 van de planregels moet worden uitgelegd en wat er in die bepaling precies is bepaald. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de planregels in zoverre rechtsonzeker. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:621, onder 10.1.

Het betoog slaagt.

Beroep GTMH

9.       GTMH betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat een verbod op vestiging van middelgrote datacenters noodzakelijk en evenredig is gelet op haar haar belangen. Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst GTMH naar het beroepschrift van BACT. In het bijzonder verwijst GTMH naar de paragrafen in dat beroepschrift over de vermeende strijd met de Dienstenrichtlijn en het vermeende ontbreken van provinciale belangen bij artikel 6.21c, eerste lid, van de Omgevingsverordening.

9.1.    De Afdeling heeft over de betogen van BACT over de vermeende strijd met de Dienstenrichtlijn (onder 4.25), over het vermeende gebrek aan provinciale belangen (onder 6.2) overwogen dat deze betogen niet slagen. GTMH heeft verder niet onderbouwd waarom de gevolgen van het bestemmingsplan voor haar onevenredig zouden zijn. Zo is niet gebleken dat GTMH of haar rechtsvoorganger een concreet plan voor een datacenter had, waarmee de raad bij het vaststellen van het bestemmingsplan rekening had moeten houden.

Het beroep van GTMH biedt dan ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bestemmingsplan een gebrek bevat.

Conclusie

10.     Gelet op wat BACT heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb en met de rechtszekerheid. Het beroep van BACT is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op het perceel van BACT aan de Mijnsherenweg 8 in de Kwakel, moet worden vernietigd.

11.     Gelet op wat is overwogen onder 9.1, is het beroep van GTMH ongegrond.

Opdracht

12.     De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen om het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

Proceskosten

13.     De raad moet de proceskosten van BACT vergoeden.

14.     De raad hoeft de proceskosten van GTMH niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep van GTMH B.V. ongegrond;

II.       verklaart het beroep van BACT B.V. gegrond;

III.      vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Uithoorn van 1 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Parapluplan Datacenters" voor zover dat betrekking heeft op het perceel aan de Mijnsherenweg 8 in de Kwakel;

IV.      draagt de raad van de gemeente Uithoorn op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;

V.       veroordeelt de raad van de gemeente Uithoorn tot vergoeding van bij BACT B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.      gelast dat de raad van de gemeente Uithoorn aan BACT B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.I. van der Schoot, griffier.

w.g. Knol
voorzitter

w.g. Van der Schoot
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

749-1082

Bijlage

Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 376)

Artikel 15

Aan evaluatie onderworpen eisen

1. De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden. De lidstaten passen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen.

2. De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen:

a)       kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters;

b)       eisen die van de dienstverrichter verlangen dat hij een bepaalde rechtsvorm heeft;

c)       eisen aangaande het aandeelhouderschap van een onderneming;

d)       eisen, niet zijnde eisen die betrekking hebben op aangelegenheden die vallen onder Richtlijn 2005/36/EG of die in andere communautaire instrumenten zijn behandeld, die de toegang tot de betrokken dienstenactiviteit wegens de specifieke aard ervan voorbehouden aan bepaalde dienstverrichters;

e)       een verbod om op het grondgebied van dezelfde staat meer dan één vestiging te hebben;

f)        eisen die een minimum aantal werknemers vaststellen;

g)       vaste minimum- en/of maximumtarieven waaraan de dienstverrichter zich moet houden;

h)       een verplichting voor de dienstverrichter om in combinatie met zijn dienst andere specifieke diensten te verrichten.

3.   De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)       discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;

b)       noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;

c)       evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.

Omgevingsverordening NH2020

Paragraaf 6.1.5a Datacenters

Artikel 6.21a Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over datacenters met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA.

Artikel 6.21b Datacenter clustering

1. Een ruimtelijk plan kan uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied datacenterclustering toegestaan voorzien in vestiging van een nieuw of uitbreiding van een bestaand datacenter met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA als:

a. de locatie is gelegen op of grenst aan een bedrijventerrein; en

b. voor de locatie een stedenbouwkundig plan en een   beeldkwaliteitsplan is opgesteld. […]

Artikel 6.21c Datacenters uitgesloten

1. Voor zover een ruimtelijk plan van toepassing is op het werkingsgebied datacenters uitgesloten, voorziet het niet in nieuwe datacenters met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de projecten in de gemeenten Diemen en Haarlem welke staan vermeld in bijlage 1 van de Datacenterstrategie Noord-Holland 2022-2024 indien hiervoor uiterlijk op 31 december 2024 een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd.

Artikel 13.5 Verwerken instructieregels in ruimtelijke plannen

De termijn als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor ruimtelijke plannen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld, eindigt op 31 december 2028.

Bijlage 1 Begrippen

Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

[…]

15. bestaand: onder bestaand worden begrepen:

a. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling rechtmatig aanwezig;

b. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een omgevingsvergunning toegestaan of waarvoor op dat tijdstip een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die op grond van op dat moment geldende regels moet of kan worden verleend; of

c. op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een geldend ruimtelijk plan toegestaan.

[…]

Bestemmingsplan "Parapluplan Datacenters"

Artikel 1 Begrippen

[…]

1.5 datacenter:

een reken- of datacenter, waar ondersteuning wordt gegeven voor dataverkeer of dataopslag en dat daartoe hoofdzakelijk gericht is op het digitaal opslaan en verwerken van (digitale) informatie en informatietechnologie op servers, met de daarbij behorende noodzakelijke installaties en apparatuur zoals koelsystemen, elektriciteit- en energievoorzieningen, onderhoudsruimtes, kantoorruimtes en /of veiligheidssystemen; welke,

a.       binnen een gebouw of bouwwerk meer dan 2000 m2 bruto vloeroppervlak beslaat en waarvan het elektrisch aansluitvermogen meer dan 5 MVA bedraagt; dan wel,

b.       binnen een verzameling van bouwwerken die in onderlinge samenhang als één geheel functioneren, meer dan 2000 m2 bruto vloeroppervlak beslaat en waarvan het elektrisch aansluitvermogen meer dan 5 MVA bedraagt.

Artikel 4 Algemeen strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van bebouwing en/of onbebouwde gronden als datacenter(s).


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon