Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202404937/1/R3

Uitspraak 202404937/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4588
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 juni 2024 hebben provinciale staten van Zuid-Holland het inpassingsplan "Warmtelinq Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie" (het inpassingsplan) vastgesteld. Dit besluit is met toepassing van de provinciale coördinatieregeling van artikel 3.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met andere besluiten, aangeduid als ‘gecoördineerde besluiten’. Bij besluit van 20 juni 2024 van het college is aan WarmtelinQ een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk herinrichten van een deel van de straten en de omgeving en ook voor het kappen van 211 bomen en het verplanten van 28 bomen ten behoeve van de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden waarvan een deel van het tracé loopt via Den Haag (de omgevingsvergunning). Het inpassingsplan maakt een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden mogelijk. Deze transporteert restwarmte uit de Rotterdamse haven. Het tracé van het inpassingsplan is opgedeeld in vier deelgebieden en heeft een lengte van ongeveer 25 km. De warmtetransportleiding zal bestaan uit twee leidingen. Eén aanvoer- en één retourleiding. [appellant sub 1] woont op de [locatie 2] in Leidschendam. Hij is eigenaar van het [perceel 5b). De voorziene warmtetransportleiding zal het perceel 5b doorkruisen.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Inpassingsplan

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persbericht
Volledige tekst

202404937/1/R3.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend in Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

2.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

3.       Coöperatie De Groene Klaver (De Groene Klaver), gevestigd in Voorschoten,

4.       WarmtelinQ Transport Services B.V. (WarmtelinQ), gevestigd in Groningen,

5.       Prosat Security B.V. (Prosat), gevestigd in Den Haag,

appellanten,

en

1.       provinciale staten van Zuid-Holland (provinciale staten),

2.       het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (het college),

verweerders.

Procesverloop

De besluiten

Bij besluit van 12 juni 2024 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Warmtelinq Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie" (het inpassingsplan) vastgesteld. Dit besluit is met toepassing van de provinciale coördinatieregeling van artikel 3.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met andere besluiten, aangeduid als ‘gecoördineerde besluiten’.

Bij besluit van 20 juni 2024 van het college is aan WarmtelinQ een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk herinrichten van een deel van de straten en de omgeving en ook voor het kappen van 211 bomen en het verplanten van 28 bomen ten behoeve van de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden waarvan een deel van het tracé loopt via Den Haag (de omgevingsvergunning).

De omgevingsvergunning is gewijzigd bij besluit van 26 november 2025 van het college (het eerste wijzigingsbesluit). De omgevingsvergunning is opnieuw gewijzigd bij besluit van 3 februari 2026 van het college (het tweede wijzigingsbesluit).

De beroepen

[appellanten sub 2], [appellant sub 1], en De Groene Klaver hebben beroep ingesteld tegen het inpassingsplan.

WarmtelinQ heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.

Prosat heeft beroep ingesteld tegen het tweede wijzigingsbesluit.

Verweer en nadere stukken

Het college en provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 2] hebben een nader stuk ingediend.

WarmtelinQ heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zitting

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 april 2026. Daar zijn verschenen:

- [appellanten sub 2];

- De Groene Klaver, vertegenwoordigd door [gemachtigden];

- WarmtelinQ, vertegenwoordigd door mrs. W.L.J. Willemsen, J.E. van Uden en R.H.F. Kok, advocaten in Amsterdam, en [gemachtigde]. Zij zijn vergezeld door [persoon];

- Prosat, vertegenwoordigd door [gemachtigde];

- provinciale staten en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door mrs. M.J.W. Timmer, C.E. Barnhoorn en J.K.M. Buitenhuis;

- het college van Den Haag, vertegenwoordigd door mr. M.P.K. Ahsmann;

- Vattenfall Warmte N.V. en Vattenfall N.V., vertegenwoordigd door mr. E.M.N. Noordover;

- het college van Leidschendam-Voorburg, vertegenwoordigd door mr. M.A. Klaver;

- het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland, vertegenwoordigd door mr. D.C. van der Vecht.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een inpassingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het inpassingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 8 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 9 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

Het inpassingsplan

2.       Het inpassingsplan maakt een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden mogelijk. Deze transporteert restwarmte uit de Rotterdamse haven. Het tracé van het inpassingsplan is opgedeeld in vier deelgebieden en heeft een lengte van ongeveer 25 km. De warmtetransportleiding zal bestaan uit twee leidingen. Eén aanvoer- en één retourleiding.

Het startpunt van de warmtetransportleiding ligt in Rijswijk bij de prinses Beatrixlaan. Daar sluit de warmtetransportleiding aan op de warmtetransportleiding tussen Vlaardingen en Den Haag. De warmtetransportleiding loopt vervolgens door de gemeenten Den Haag, Rijswijk, Leidschendam-Voorburg, Voorschoten, Wassenaar, Katwijk, Zoeterwoude, Leiderdorp, naar Leiden en Oegstgeest. Het tracé ligt voor een groot deel aan de zuidoostkant van de A33 en de A4. Na de N434 kruist de warmtetransportleiding onder de A4 door en loopt vanaf daar in de richting van de A44. Het eindpunt is een warmteoverdrachtstation op een aanlandlocatie aan de westkant van Leiden en in Oegstgeest bij het knooppunt A44-N206. De warmtetransportleiding zal daar worden aangesloten op het warmtenet van Leiden.

Partijen die opkomen tegen het inpassingsplan

3.       [appellanten sub 2] wonen op de [locatie 1] in Leidschendam. Hun woning ligt op ongeveer 760 m van de gronden waarop de warmtetransportleiding is voorzien. Het perceel waarop de woning staat, ligt op een kortste afstand van ongeveer 640 m. Aangrenzend aan hun woonperceel ligt het perceel, kadastraal bekend Stompwijk, sectie I, nummer 165 (het perceel I-165). De voorziene warmtetransportleiding zal dit perceel doorkruisen. [appellanten sub 2] waren op het moment dat zij beroep instelden eigenaar van dit perceel maar hebben dit inmiddels overgedragen.

[appellant sub 1] woont op de [locatie 2] in Leidschendam. Hij is eigenaar van het [perceel 5b). De voorziene warmtetransportleiding zal het perceel 5b doorkruisen. De woning ligt tegenover dit perceel, op een afstand van ongeveer 30 m van de voorziene warmtetransportleiding. Het perceel met nummer 5b gebruikt [appellant sub 1] onder meer voor het hobbymatig houden van vee en als erf en tuin. Het bestaat uit een stal, schuren, erf, ondergrond, paardenbak, weiland, toegangsbrug en bijbehorende aanhorigheden.

De Groene Klaver is een coöperatie die zich inzet voor onder meer het natuur en het landschap. Zij is als collectief sinds 1 januari 2016 aangewezen voor de uitvoering van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) in het noordelijk gedeelte van de provincie Zuid-Holland.

[appellanten sub 2], [appellant sub 1] en De Groene Klaver kunnen zich niet vinden in de voorziene warmtetransportleiding, met name wegens de gekozen route (het tracé). [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] betogen dat de aanleg en de aanwezigheid van de warmtetransportleiding hun woon- en leefklimaat onevenredig aantasten. [appellanten sub 2] en De Groene Klaver vrezen dat de aanleg en de aanwezigheid van de warmtetransportleiding nadelige gevolgen zullen hebben voor de weidevogels in de omgeving. [appellanten sub 2] vrezen daarnaast voor de nadelige effecten op een in de omgeving gelegen dijk.

De omgevingsvergunning

4.       Met de omgevingsvergunning worden werkzaamheden toegestaan voor de aanleg van de warmtetransportleiding in de gemeente Den Haag. Toegestaan wordt om een deel van de straten en omgeving tijdelijk te herinrichten. Ook is het kappen van 211 bomen en het verplanten van 28 bomen vergund. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten "uitvoeren van werkzaamheden", "handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening" en "kappen".

WarmtelinQ heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning omdat aan elk van deze drie activiteiten een voorschrift is verbonden. Volgens dit voorschrift kan de vergunning pas worden uitgevoerd als het inpassingsplan onherroepelijk is. Bij uitspraak van 30 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6425, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling op verzoek van WarmtelinQ deze voorschriften geschorst. Daarbij is het voorschrift dat verbonden is aan de kapactiviteit alleen geschorst voor zover dat betrekking had op de 28 te verplanten bomen en 163 van de te kappen bomen.

Vervolgens heeft het college met het tweede wijzigingsbesluit besloten om deze voorschriften uit de omgevingsvergunning te verwijderen. Prosat heeft beroep ingesteld tegen dit laatste besluit. Zij kan zich niet vinden in de aanleg van de warmtetransportleiding met een expansielus bij het perceel op de Oude Middenweg 223 in Den Haag, waar zij gevestigd is. Zij vreest belemmering van de toegang tot haar perceel en heeft bezwaar tegen de bomenkap op die locatie.

De omvang van het geschil

5.       Om de warmtetransportleiding mogelijk te maken zijn verschillende besluiten van verschillende bestuursorganen nodig. Provinciale staten hebben op 10 mei 2023 besloten om toepassing te geven aan de provinciale coördinatieregeling van artikel 3.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro. Dit houdt in dat de voorbereiding en bekendmaking van het inpassingsplan is gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van de andere besluiten. De coördinatie vindt plaats in clusters. Het gaat in deze procedure om het inpassingsplan en de gecoördineerde besluiten van clusters 1 en 2 en de wijzigingen van deze besluiten.

6.       [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en De Groene Klaver hebben beroep ingesteld tegen het inpassingsplan. WarmtelinQ heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning van het college. Prosat heeft beroep ingesteld tegen het tweede wijzigingsbesluit van het college.

Leeswijzer

7.       De Afdeling zal hieronder eerst ingaan op de beroepen tegen het inpassingsplan. De Afdeling behandelt eerst het beroep van [appellant sub 1]. Daarna zal zij de beroepen van De Groene Klaver en van [appellanten sub 2] gezamenlijk bespreken. Hun beroepsgronden komen voor een deel overeen. Vervolgens zal de Afdeling ingaan op het beroep van Prosat tegen het tweede wijzigingsbesluit. Ten slotte zal de Afdeling ingaan op het beroep van WarmtelinQ tegen de omgevingsvergunning.

8.       De relevante regelgeving die niet in de overwegingen is opgenomen, is opgenomen in bijlage I, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De beroepen tegen het inpassingsplan

Hoe beoordeelt de Afdeling het inpassingsplan?

9.       Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die zij uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Het beroep van [appellant sub 1]

10.     [appellant sub 1] betoogt dat het inpassingsplan onevenredige gevolgen voor hem heeft. De warmtetransportleiding loopt namelijk dwars door het perceel 5b heen. Het inpassingsplan leidt tot planologische beperkingen. Deze gevolgen worden mogelijk nog verzwaard doordat een zakelijk recht wordt gevestigd of een gedoogbeschikking wordt opgelegd.

[appellant sub 1] betoogt verder dat in de zienswijzenota onvoldoende is ingegaan op de gevolgen die het inpassingsplan voor hem heeft, omdat alleen in het algemeen is gesteld dat klimaatdoelen gehaald moeten worden.

10.1.  Door het inpassingsplan is het niet langer toegestaan om bouwwerken op te richten als deze niet ten behoeve zijn van de ondergrondse warmtetransportleidingen met de daarbij behorende beschermingszone. Hier kan weliswaar bij omgevingsvergunning van worden afgeweken, maar slechts onder voorwaarden. Zo mag het leidingbelang niet onevenredig worden geschaad. Ook moet het bouwplan betrekking hebben op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken. Daarnaast is het niet toegestaan om werkzaamheden uit te voeren zonder een omgevingsvergunning. Voorwaarde aan de verlening van een dergelijke vergunning is ook dat het leidingbelang niet onevenredig wordt geschaad. De mogelijkheden om te bouwen en werkzaamheden uit te voeren worden hiermee beperkt.

De Afdeling ziet in deze beperkingen geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 1] onevenredig worden geschaad. Deze beperkingen gelden maar voor een deel van het perceel. Daarnaast wordt het perceel 5b voornamelijk gebruikt als tuin en voor het hobbymatig houden van vee. Het inpassingsplan beperkt deze gebruiksmogelijkheden van de gronden niet.

Ook waren de bouwmogelijkheden op dit deel van het perceel al beperkt. Toen het inpassingsplan werd vastgesteld gold op de gronden van perceel 5b het bestemmingsplan "Landelijk Gebied II". Daarin hadden deze gronden onder meer de bestemming "Agrarisch met waarden -Landschapswaarden". Op gronden met deze bestemming mochten uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van en noodzakelijk voor de bestemming dan wel (agrarische) bedrijfsvoering worden gebouwd. Erf- en perceelafscheidingen mochten niet hoger dan 1 m zijn. Andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen niet hoger zijn dan 2 m, waarbij de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m². Dit bepalen artikel 4.2.1 en artikel 4.2.3 van de planregels van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied II".

Onder deze omstandigheden hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van de aanleg van de warmtetransportleiding op het perceel dan aan de belangen van [appellant sub 1]. De Afdeling ziet in de gevolgen van een nog te vestigen zakelijk recht of een te nemen gedoogbeschikking geen grond voor een ander oordeel.

10.2.  In de zienswijzenota zijn provinciale staten ingegaan op het betoog van [appellant sub 1] dat de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel beperkt worden. Daarbij hebben provinciale staten gesteld dat enige mate van overlast voor de omgeving aanvaardbaar is omdat het project belangrijk is voor het behalen van de klimaatdoelen. Provinciale staten hebben echter ook toegelicht dat de gebruiksmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan blijven bestaan. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten hiermee voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de belangen van [appellant sub 1] zijn gewogen.

10.3.  De betogen slagen niet.

Conclusie over het beroep van [appellant sub 1]

11.     Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

De beroepen van [appellanten sub 2] en De Groene Klaver

Relativiteitsvereiste

12.     WarmtelinQ stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de behandeling van de beroepsgronden van [appellanten sub 2] omdat zij het perceel dat door de warmtetransportleiding wordt doorkruist hebben overgedragen. De Afdeling zal indien nodig hieronder bij de bespreking van de beroepsgronden ingaan op de vraag of het relativiteitsvereiste aan de vernietiging van het inpassingsplan in de weg staat. Als bij de bespreking van een beroepsgrond niets is overwogen over het relativiteitsvereiste, dan is hierover door de Afdeling geen oordeel gegeven.

Participatie

13.     [appellanten sub 2] betogen dat WarmtelinQ bij de voorbereiding van het inpassingsplan geen goede uitvoering heeft gegeven aan het participatieplan. Provinciale staten hebben onvoldoende geverifieerd dat aan het participatieplan was voldaan. [appellanten sub 2] wijzen erop dat het participatieplan aangeeft dat grondeigenaren van percelen die de warmtetransportleiding doorkruist in de voorbereidingsfase worden betrokken en dat met hen in gesprek gegaan wordt. Zij stellen dat zij pas in september 2023 zijn benaderd met een eenzijdig opgestelde overeenkomst over een te vestigen zakelijk recht.

Door het te laat betrekken van hen en andere stakeholders in de omgeving van het plangebied is volgens [appellanten sub 2] onvoldoende onderzocht wat de situatie ter plaatse is. [appellanten sub 2] stellen dat op het moment dat stakeholders werden betrokken het voorkeursalternatief al was vastgesteld. Zij betogen dat deze stakeholders en de door hen aangedragen cruciale informatie daarom geen invloed hebben gehad op de vaststelling van het voorkeursalternatief.

13.1.  Het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland heeft samen met WarmtelinQ een participatieplan opgesteld. De Afdeling leest hierin geen verplichting dat met grondeigenaren in gesprek moet worden gegaan voordat het inpassingsplan kon worden vastgesteld. In het participatieplan staat dat WarmtelinQ met grondeigenaren individueel in gesprek gaat en dat met hen afspraken worden gemaakt via een zakelijk recht. Zoals [appellanten sub 2] hebben aangegeven, heeft WarmtelinQ ook contact gezocht over het vestigen van een zakelijk recht. Ook geeft het participatieplan aan dat op verschillende momenten in het traject één op één gesprekken met belanghebbenden en/of stakeholders worden gevoerd. Maar daaruit volgt niet dat met alle belanghebbenden en/of stakeholders moest worden gesproken. In het participatieplan staat dat de meeste grondeigenaren ook bewoners zijn van het plangebied en dat zij deel kunnen nemen aan de overige participatiekanalen. Deze kanalen bestaan uit onder meer bewonersbijeenkomsten, een lokale werkgroep en het meedenken in een (online) enquête. Niet gebleken is dat deze participatiekanalen niet zijn opengesteld voor grondeigenaren of dat niet met belanghebbenden en stakeholders is gesproken. De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 2] hebben aangevoerd dan ook geen grond voor het oordeel dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan het participatieplan.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

13.2.  De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat belanghebbenden ten onrechte pas zijn betrokken op het moment dat het voorkeursalternatief al vaststond. Voor de terinzagelegging van het ontwerp-inpassingsplan hebben provinciale staten een plan-milieueffectrapportage (plan-MER) en een project-milieueffectrapportage (project-MER) laten opstellen. De plan-MER betreft het rapport dat Arcadis op 25 april 2023 heeft uitgebracht, getiteld "WarmtelinQ Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie Leiden West, Milieueffectrapport Fase 1". De project-MER is het rapport dat Arcadis op 25 oktober 2023 heeft uitgebracht, getiteld "WarmtelinQ Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie Leiden West, Milieueffectrapport Fase 2".

Het voorkeursalternatief is bepaald naar aanleiding van de plan-MER. De project-MER omvat de onderbouwing van de milieueffecten van de inpassing van het voorkeursalternatief. Voordat het ontwerp-inpassingsplan en de MER-rapporten zijn opgesteld, heeft Arcadis op 18 oktober 2022 het rapport "Notitie reikwijdte en detailniveau, WarmtelinQ Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie Leiden-West" uitgebracht (de NRD). In de NRD is al ingegaan op de verschillende tracés die in beeld waren, het voorkeursalternatief en verschillende varianten op het voorkeursalternatief. Op 3 juni 2022 is een conceptnotitie-NRD voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de terinzagelegging kon iedereen een zienswijze indienen op het concept-NRD. Daarmee was het voor iedereen mogelijk om al te reageren op de alternatieven voordat een voorkeursalternatief is vastgesteld.

Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

De vaststelling van het voorkeursalternatief

- Het onderzoek naar de verschillende alternatieven.

14.     [appellanten sub 2] betogen dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de alternatieven voor het vastgestelde voorkeursalternatief. Eén genoemd alternatief aan de noordzijde van de A4 is nooit ingetekend. Daarnaast zijn de alternatieven aan de noordzijde van de A4 niet op dezelfde wijze onderzocht als het gekozen voorkeursalternatief. Ook is van dat alternatief niet op dezelfde wijze verslag gedaan als van het voorkeursalternatief.

[appellanten sub 2] betogen verder dat de bestaande infrastructuur aan de noordzijde van de A4 ten onrechte gepresenteerd wordt als reden om een ander tracé te kiezen. Zij stellen dat door de aanleg bij andere voorzieningen te koppelen met onderhoud aan deze bestaande structuren juist kosten bespaard hadden kunnen worden.

De Groene Klaver betoogt dat gekozen had moeten worden voor een voorkeursalternatief aan de noordkant van de A4. Daardoor hoeft het belangrijke weidevogelgebied aan de zuidoostkant van de A4 namelijk niet doorkruist te worden. Een tracé op deze locatie had in ieder geval uitgebreider moeten worden onderzocht, zo betogen zij verder. De Groene Klaver wijst daarbij op het volgende.

Provinciale staten hebben in de zienswijzenota toegelicht dat het NNN-gebied Leidschendammerhout een reden is om van een alternatief aan de noordzijde van de A4 af te zien. Maar volgens De Groene Klaver kan worden gekozen voor een doorsteek onder de A4 door, ter hoogte van de Kniplaan in Voorschoten. Daardoor kan het NNN-gebied vermeden worden.

Provinciale staten hebben bij het afzien van dit alternatieve tracé betrokken dat er potentiële afnemers van de warmtetransportleiding aan de zuidwestzijde van de A4 liggen. De Groene Klaver stelt dat dit juist een argument is om de warmtetransportleiding aan de westkant van de A4 te leggen.

Ook hebben provinciale staten bij de afwijzing van dit alternatieve tracé betrokken dat er bij een dergelijk tracé veel bomen gekapt moeten worden. De Groene Klaver stelt dat deze bomen praktisch allemaal geïnfecteerd zijn met de essentaksterfte. Zij stelt verder dat Staatsbosbeheer heeft aangegeven dat een tracé aan de westzijde de voorkeur heeft boven een tracé aan de oostkant van de A4.

De Groene Klaver wijst er ook op dat er aan de westkant van de A4 slechts zeven watergangen doorkruist hoeven te worden, ten opzichte van de 86 watergangen aan de oostzijde.

14.1.  Zoals onder 13.2 is overwogen is zowel een plan-MER als een project-MER opgesteld. De plan-MER is gebruikt bij de onderbouwing van de keuze van een voorkeursalternatief. De project-MER omvat de onderbouwing van de milieueffecten van de inpassing van het voorkeursalternatief. Zoals [appellanten sub 2] terecht stellen, is er in de plan-MER en de project-MER niet op dezelfde wijze onderzoek gedaan naar de alternatieven aan de noordzijde van de A4 als naar het voorkeursalternatief. Ook is niet op dezelfde wijze verslag gedaan van deze alternatieven. Deze alternatieven zijn namelijk al afgevallen vóór het opstellen van de plan-MER en de project-MER.

Volgens vaste rechtspraak moeten redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven worden beschreven en beoordeeld rekening houdend met het doel en de geografische werking van het plan. De gekozen alternatieven moeten realistisch zijn. Welke alternatieven in een MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen is, zo heeft de Afdeling vaker geoordeeld, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1829, onder 30.1.

De Afdeling ziet zich daarom voor de vraag gesteld of provinciale staten de alternatieven aan de noordzijde van de A4 al voor de MER-rapporten konden laten afvallen, of dat zij deze hadden moeten aanmerken als redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven. De Afdeling overweegt daarover als volgt.

14.2.  Voordat de plan-MER en de project-MER zijn opgesteld is eerst de NRD uitgebracht. In de NRD is ingegaan op twee verschillende alternatieven voor een tracé aan de noordzijde van de A4.

Allereerst zijn er twee alternatieven geschetst voor het tracé van de warmtetransportleiding. Het eerste alternatief is het alternatief dat als basis heeft gediend (het basisalternatief) voor het uiteindelijk in de plan-MER gekozen voorkeursalternatief. Dat voorkeursalternatief heeft de basis gevormd voor het tracé dat in het inpassingsplan is vastgelegd. In het tweede alternatief uit de NRD kruist het tracé onder de A4 door ter hoogte van Leidschendam om vervolgens een schuine doorsteek naar Leiden te maken. In dit alternatief zou de warmtetransportleiding niet door het gebied heenlopen waar [appellanten sub 2] en De Groene Klaver voor opkomen. Deze alternatieven zijn beoordeeld aan de hand van verschillende uitgangspunten. Eerste uitgangspunt was een zo kort mogelijk tracé. Tweede uitgangspunt was een tracé waarbij zo veel als mogelijk aangesloten wordt bij bestaande bovengrondse en ondergrondse infrastructuur. Derde uitgangspunt was een tracé waarbij in de toekomst de meeste aansluitingen kunnen worden gemaakt met (lokale) warmtedistributienetten.

In de NRD staat dat het basisalternatief beter aan de traceringsprincipes voldoet dan het tweede alternatief. Vanwege de langere bundeling met infrastructuur en het grotere afzetpotentieel is daarom alleen het eerste alternatief verder meegenomen. Met name vanwege de potentie in het basisalternatief om in de toekomst Zoeterwoude en Leiderdorp aan te kunnen sluiten is al in de NRD geadviseerd om het alternatief aan de noordzijde van de A4 af te laten vallen. Door in de toekomst Zoeterwoude en Leiderdorp aan te kunnen sluiten heeft het basisalternatief de potentie om 17.500 woningequivalenten meer aan te sluiten dan in het tweede alternatief. Provinciale staten hebben dit standpunt overgenomen en het alternatief aan de noordzijde van de A4 daarom al in een vroeg stadium af laten vallen.

14.3.  Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten dit standpunt in kunnen nemen, gelet op de afstand van Zoeterwoude en Leiderdorp tot de warmtetransportleiding in het tweede alternatief. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd ook geen reden om te twijfelen aan de conclusie dat in het basisalternatief beter aangesloten kan worden bij bestaande infrastructuur. Daarnaast hebben provinciale staten toegelicht dat de A4 in het tweede alternatief een tweede keer moet worden doorkruist, met hogere aanleg- en uitvoeringskosten tot gevolg. Provinciale staten hebben daarom kunnen concluderen dat het eerste alternatief beter voldoet aan de gekozen uitgangspunten, die hier verder niet ter discussie staan. Daarom hoefden provinciale staten het tweede alternatief uit de NRD ook niet aan te merken als redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatief.

14.4.  In de NRD is het eerste alternatief verder opgeknipt in drie deelgebieden. Deelgebied 2 is het deelgebied waar [appellanten sub 2] en De Groene Klaver voor opkomen. Voor deelgebied 2 is gekozen om alleen een tracé aan de zuidwestzijde van de A4 nader te onderzoeken. Van nader onderzoek naar een tracé aan de noordzijde van de A4 is afgezien wegens verschillende nadelen van een dergelijk tracé. Na de NRD heeft WarmtelinQ nog aanvullend onderzoek laten doen naar een alternatief tracé aan de noordzijde van de A4. Daarvoor heeft Rotterdam Engineering (RE) op 25 januari 2023 een notitie uitgebracht getiteld "Warmtetransportleiding Rijswijk - Leiden Beschouwing extra alternatief - A4 Noordzijde" (de notitie van RE). In dit alternatief kruist het tracé ter hoogte van Leidschendam de A4 en loopt het aan de noordzijde langs de A4 totdat het na het kruisen van de N434 naar Leiden afbuigt.

In de NRD en de notitie van RE is onderzoek gedaan naar een tracé dat de A4 aan de noordzijde volgt. In beide rapporten wordt geadviseerd om het tracé aan de zuidzijde van de A4 te laten lopen. Daarvoor is eerst de hoeveelheid infrastructuur aan de noordzijde van de A4 van belang. In de notitie van RE is dit toegelicht door te stellen dat ter hoogte van de vogelplas Starrevaart en het recreatiegebied Vlietland het tracé zeer dicht langs een gastransportleiding van Gasunie en een kwetsbare watertransportleiding van Dunea komt te liggen. Het alternatief dat aan de noordzijde de A4 volgt is daarom afgevallen. De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen reden waarom provinciale staten de aanwezige infrastructuur hadden moeten aanmerken als kans in plaats van als argument om dit alternatief al in een vroeg stadium af te laten vallen.

Ook is in de NRD gewezen op andere toekomstige opgaven aan de noordzijde van de A4, zoals de verbreding van de A4. Verder is gewezen op de bereikbaarheid van dit gebied en daarmee de methoden voor de aanleg. In de notitie van RE wordt er ook op gewezen dat de warmtetransportleiding in dit tracé door het NNN-gebied Leidschendammerhout heen komt te lopen.

De Groene Klaver heeft aangevoerd dat het Leidschendammerhout kan worden ontweken door pas na dit gebied de A4 te kruisen. Provinciale staten hebben in hun verweerschrift erop gewezen dat ook dan het tracé door het recreatiegebied Vlietland zal lopen. In de notitie van RE is al toegelicht waarom dat op bezwaren stuit. Een tracé daar is volgens provinciale staten niet realistisch omdat dit zou betekenen dat in het recreatiegebied een strook met een lengte van drie kilometer bosgebied permanent bomenvrij moet worden gemaakt. Alternatieven daarvoor zijn er niet. Ook is het recreatiegebied Vlietland minder goed bereikbaar, is er beperkter ruimte voor leidingen en zijn er toekomstige opgaven die de aanleg ingewikkeld maken. Ongeacht of aan de bomenkap vanwege de essentaksterfte minder waarde moet worden gehecht hebben provinciale staten hiermee naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat dit tracé op andere uitvoeringsproblemen stuit.

De Afdeling stelt vast dat de afstand van dit tracé tot Zoeterwoude en Leiderdorp niet veel groter is dan in het basisalternatief. Provinciale staten hebben in hun verweerschrift toegelicht dat voor de aansluiting van Zoeterwoude en Leiderdorp de A4 opnieuw moet worden doorkruist. Het is daarom aannemelijk dat deze aansluitingen in dit alternatief tot meer kosten in de uitvoering zullen leiden.

Gelet op het voorgaande is al voor de plan-MER en de project-MER onderzocht en inzichtelijk gemaakt dat een tracé dat de A4 aan de noordzijde volgt leidt tot uitvoeringsproblemen en hogere kosten. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten geen aanleiding hoeven zien om dit tracé aan te merken als redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief.

14.5.  Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt dat er onderzoek is gedaan naar verschillende alternatieven aan de noordwestzijde van de A4. Daarbij is ook onderzoek gedaan naar een tracé dat de A4 aan de noordzijde volgt. Voor zover dit alternatief niet is ingetekend, is dit alternatief dus wel onderzocht. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek naar dit tracé is gedaan.

14.6.  De betogen slagen niet.

- Nieuwe informatie na de vaststelling van het voorkeursalternatief

15.     [appellanten sub 2] en De Groene Klaver betogen dat er na de vaststelling van het voorkeursalternatief nieuwe informatie bekend is geworden die ten onrechte niet is betrokken bij de keuze voor het voorkeursalternatief.

De Groene Klaver voert aan dat bij de vaststelling van het voorkeursalternatief onvoldoende rekening is gehouden met het belangrijke weidevogelgebied. Toen het voorkeursalternatief werd vastgesteld werd ervan uitgegaan dat er twee weidevogels voorkwamen in plaats van de 250-350 broedparen die er in werkelijkheid zijn. De Groene Klaver stelt dat de trechtering van de alternatieven daardoor heeft plaatsgevonden zonder dat rekening is gehouden met het belangrijke gebied voor weidevogels in het NNN en het aansluitende kerngebied weidevogels.

[appellanten sub 2] stellen dat er na de terinzagelegging wijzigingen zijn doorgevoerd in het tracé. Deze aanpassingen zijn onder meer gedaan naar aanleiding van nader onderzoek over de weidevogels. [appellanten sub 2] stellen dat deze aanpassingen tot meer nadelige gevolgen van het voorkeursalternatief leiden. Dit leidt tot bijkomende kosten en vertraging. Zij wijzen er hierbij op dat niet gewerkt kan worden in het broedseizoen, wat een periode van zeven maanden per jaar is. Dit leidt tot een verdubbeling of verdrievoudiging van de werktijd. [appellanten sub 2] stellen daarbij dat er tijdelijke voorzieningen nodig zijn, die niet jaarrond kunnen blijven liggen. Deze zullen ook in de gebruiksfase niet meer aanwezig zijn. Deze nadelige gevolgen waren nog niet in beeld bij de vaststelling van het voorkeursalternatief. [appellanten sub 2] betogen dat een objectieve vergelijking tussen het voorkeursalternatief en andere alternatieven daardoor niet heeft plaatsgevonden. Zij betogen verder dat het aangepaste tracé opnieuw ter inzage gelegd had moeten worden omdat er sprake is van een nieuw alternatief.

15.1.  De commissie voor de milieueffectrapportage (commissie MER) heeft op 15 februari 2024 een voorlopig toetsingsadvies uitgebracht over de plan-MER en de project-MER. Daarin concludeert de commissie MER het volgende:

"Effecten op beschermde weidevogelgebieden onderschat: De aantallen broedparen en soorten in deelgebied 2 zijn groter dan het MER veronderstelt. Daarmee zijn de effecten op de beschermde weidevogelgebieden negatiever dan het MER in beeld brengt. Verder zijn de voorgestelde maatregelen om schade te voorkomen niet eenduidig en niet volledig. Wanneer extra maatregelen de negatieve effecten niet wegnemen, dan is het belangrijk om dit mee te wegen in de besluitvorming over het voorkeurstracé."

15.2.  In opdracht van WarmtelinQ heeft Arcadis vervolgens op 24 april 2024 een rapport uitgebracht getiteld "WarmtelinQ Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie Leiden West, Aanvulling MER" (de aanvulling MER). Daarin heeft Arcadis aanvullend onderzoek verricht naar de gevolgen van de warmtetransportleiding voor onder meer de weidevogels. Ook heeft Arcadis ontwerpwijzigingen betrokken die ten opzichte van het ontwerp-inpassingsplan zijn doorgevoerd. Naar aanleiding van een consultatie van diverse weidevogelspecialisten is een uitvoeringsstrategie geformuleerd om de effecten op de weidevogels te minimaliseren. Een wezenlijk element daarin betreft de inrichting van twee prefab locaties in de Westeindse polder. Op deze prefab locaties worden leidingdelen aan elkaar gelast voordat deze naar de werkstrook gebracht worden. Eén van de prefablocaties ligt binnen het belangrijk weidevogelgebied. Volgens de aanvulling MER is het onvermijdelijk dat daar ook tijdens één broedseizoen wordt gewerkt. Tijdens het broedseizoen wordt alleen op de prefablocaties gewerkt en niet langs de gehele werkstrook. Aan de hand van dit nadere onderzoek en deze nieuwe uitvoeringsstrategie heeft Arcadis een nieuwe effectbeoordeling gemaakt.

15.3.  Uit het voorgaande blijkt dat er op het moment dat het inpassingsplan werd vastgesteld nieuwe informatie beschikbaar was over de weidevogels. Deze informatie was nog niet beschikbaar op het moment dat werd gekozen voor het voorkeursalternatief, waarbij nog sprake was van één variant voor deelgebied 2. Naar aanleiding van deze nieuwe informatie zijn de gevolgen op het gebied van de weidevogels alsnog onderzocht. Provinciale staten hebben aan de hand daarvan beoordeeld dat de effecten niet nadeliger zijn en dat nog altijd voor het voorkeursalternatief gekozen kon worden. Daarmee hebben provinciale staten deze nieuwe informatie betrokken en de gevolgen daarvan onderzocht voordat het inpassingsplan is vastgesteld.

Daarnaast is niet gebleken dat de nieuwe informatie tot andere conclusies leidt dan die op basis waarvan de alternatieven in een eerdere fase zijn afgevallen. Namelijk dat de alternatieven minder voldeden aan de uitgangspunten die voor het tracé zijn vastgesteld, of omdat zij op belangrijke bezwaren voor de uitvoering stuitten.

De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat provinciale staten naar aanleiding van die nieuwe informatie de alternatieven alsnog als redelijkerwijs te beschouwen alternatieven hadden moeten aanmerken. Voor het oordeel dat niet langer voor het voorkeursalternatief gekozen kon worden wegens het feit dat er nieuwe informatie beschikbaar was, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten.

De betogen slagen in zoverre niet.

15.4.  De Afdeling ziet in het betoog van [appellanten sub 2] ook geen grond voor het oordeel dat er vanwege de wijzigingen een nieuw ontwerpplan ter inzage had moeten worden gelegd. Provinciale staten kunnen bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Alleen als de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, moet de wettelijke procedure opnieuw worden doorlopen.

Provinciale staten hebben in dit geval het plan vastgesteld met een aantal wijzigingen. Het tracé is daarbij maar zeer beperkt gewijzigd. De wijzigingen in het ontwerp hebben voornamelijk betrekking op activiteiten waardoor de ligging van het tracé niet wezenlijk wijzigt, zoals het verkleinen van werkstroken, het verkorten van expansielussen of het verplaatsen van T-stukken. Deze aanpassingen zijn naar hun aard en omvang niet zo groot dat er sprake is van een wezenlijk ander plan.

Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

- Efficiëntie van de warmtetransportleiding

16.     [appellanten sub 2] betogen dat er geen inzicht is in het vermogensverlies dat op zal treden doordat de warmtetransportleiding een omweg van tien kilometer zal maken. Dit verlies had voorkomen kunnen worden door te kiezen voor een ander tracé. [appellanten sub 2] stellen dat het verlies aan warmte dat ontstaat in deelgebied 2 moet worden gecompenseerd door het gebruik van aardgas. Zij betogen dat de keuze voor een piek-dal systeem dat gebaseerd is op aardgas inefficiënt is en in strijd is met de doelstellingen van het project.

16.1.  De Afdeling ziet in een mogelijk vermogensverlies geen grond voor het oordeel dat provinciale staten niet tot vaststelling van dit tracé hebben kunnen kiezen. In de NRD is al uiteengezet waarom een tracé met een kortere route, aan de noordzijde van de A4, een minder gunstig alternatief was. Daarbij komt dat het met een tracé aan de zuidzijde van de A4 in de toekomst eenvoudiger is om 17.500 woningequivalenten aan te sluiten op de warmtetransportleiding. Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk gemaakt dat een mogelijk verlies aan vermogen door de omleiding zo groot is dat niet voor dit alternatief gekozen had kunnen worden.

De Afdeling overweegt verder dat de piek- en backupinstallatie op de aanlandlocatie in Leiden onderdeel is van het tracé. Deze is eerst bedoeld als voorziening om de temperatuur van het water te verhogen tijdens een piek, zoals de koude wintermaanden. Ook dient deze installatie als back-up tijdens storingen of onderhoud. Dat voor het gebruik van de piek- en backupinstallatie aardgas wordt gebruikt, neemt niet weg dat door het gebruik van de warmtetransportleiding het gebruik van aardgas verminderd kan worden. Op dit moment wordt de warmte voor het stadsnet namelijk geleverd door de STEG-centrale, waarbij de warmte volledig wordt opgewekt door aardgas. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten in de noodzaak voor en de werking van de piek- en backupinstallatie dan ook geen reden hoeven zien om van de warmtetransportleiding af te zien.

Het betoog slaagt niet.

De weidevogels

- Onderzoek naar de gevolgen op de voedselvoorziening voor weidevogels

17.     [appellanten sub 2] betogen dat onvoldoende onderzocht is wat de gevolgen op het belangrijke weidevogelgebied zijn als gevolg van de temperatuurstijging die ontstaat door de warmtetransportleiding. Zij wijzen er daarbij op dat het perceel I-165 regelmatig onder water wordt gezet zodat de bodemgesteldheid geschikt is voor de voedselvoorziening van weidevogels, als onderdeel van agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb). [appellanten sub 2] stellen dat de aanwezigheid van de warmtetransportleiding zal zorgen voor temperatuurstijging van de omliggende grond. Deze grond bestaat veelal uit natte veengrond die gevoelig is voor uitdroging en inklinking. De temperatuurstijging zal daarom zorgen voor uitdroging en inklinking van de omliggende grond. [appellanten sub 2] stellen daarbij dat de temperatuurstijging op het perceel I-165 hoger zal zijn, omdat daar een expansielus wordt aangelegd. Op deze plaats wordt een groter oppervlakte aan leidingen bij elkaar gelegd. Zij betogen dat er ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van expansielussen op de temperatuur van de omliggende gronden.

17.1.  Bij de plantoelichting zijn verschillende rapporten opgenomen waarin onderzoek is gedaan naar de temperatuurstijging rondom de warmtetransportleiding en de gevolgen hiervan op de ecologie.

Als bijlage 25 bij de plantoelichting is opgenomen het rapport van Deltares van 6 juli 2023, getiteld "Modelberekeningen bodemtemperatuur en vochtgehalte" (het rapport Deltares). Provinciale staten hebben toegelicht dat profiel 7 uit dit rapport vergelijkbaar is met het profiel bij de expansielus op perceel I-165. Volgens de modelberekeningen in het rapport Deltares is de temperatuurstijging op 0,1 meter onder maaiveld maximaal 1 °C, op 0,3 meter onder maaiveld maximaal 2 °C en op 0,5 meter onder maaiveld maximaal 4 °C. Vijf meter naast de leiding blijft de temperatuurtoename op dezelfde dieptes beperkt tot maximaal 1 °C. In het rapport Deltares wordt verder geconcludeerd dat de invloed van de warmteleiding op het vochtgehalte in de grond te verwaarlozen is.

Als bijlage 51 bij de plantoelichting is een memo van Royal Haskoning DHV van 21 januari 2022 opgenomen getiteld "De effecten van de warmteleiding op natuur" (de memo Royal Haskoning). Daarin staat dat vogels vooral gebruik maken van de ruimte of op boven de grond. Zij maken weliswaar gebruik van de vegetatie om onder meer te eten, maar omdat de vegetatie rondom en zelfs boven de leidingen gewoon kan blijven groeien en er nauwelijks effecten zijn, zullen deze dieren hier ook geen gevolgen van ondervinden, zo staat in de memo. Ook staat er in de memo Royal Haskoning dat dieren in de grond wel enig effect van het opwarmen van de grond kunnen ondervinden. Deze dieren zullen echter veelal in de bovenste 20-30 cm van de grond voorkomen. Het effect van de leiding is daar beperkt tot maximaal enkele graden, terwijl de natuurlijke variatie van de temperatuur hoger is. In de memo Royal Haskoning wordt dan ook geconcludeerd dat deze dieren geen noemenswaardig effect zullen ondervinden.

Ook heeft Antea Group (Antea) op 30 oktober 2023 een ecologische bureaustudie uitgebracht getiteld "Effecten warmtetransportleidingen op ecologie, WarmtelinQ Rijswijk-Leiden loten A, B, C en F" (de ecologische bureaustudie). Deze is als bijlage 52 bij de plantoelichting opgenomen. Daarin trekt Antea verschillende conclusies over de fysische effecten van de warmtetransportleiding in de bodem in combinatie met de uitwerking daarvan op de flora en fauna. Zo concludeert zij dat de effecten van de warmtetransportleiding relatief gering zijn, vergelijkbaar of kleiner dan de natuurlijke temperatuurfluctuaties. Er kunnen lokaal wel grotere temperatuurstijgingen optreden, maar die zijn zeer lokaal. Temperatuurstijging in de bovenste bodemlaag zal tot lokale verschuivingen leiden, maar die verschuivingen zijn volgens Antea ecologisch niet relevant.

17.2.  Volgens het rapport Deltares stijgt de temperatuur rondom de warmtetransportleidingen, maar vlakt deze stijging relatief snel af. Volgens de memo Royal Haskoning en de ecologische bureaustudie zijn de effecten van de optredende temperatuurstijgingen op de voedselvoorziening voor de weidevogels beperkt. De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat provinciale staten niet van deze conclusies uit hadden mogen gaan. Voor zover [appellanten sub 2] hebben gewezen op de expansielussen, hebben provinciale staten op de zitting toegelicht dat uit onderzoek is gebleken dat aan de binnenkant van de expansielussen een hogere temperatuurstijging mogelijk is. Maar dit gaat om maximaal 1 tot 2 graden en bovendien is enig effect op 2,5 m van de leiding niet meer merkbaar. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Er is geen grond voor het oordeel dat het inpassingsplan niet vastgesteld kon worden zonder nader onderzoek te doen naar de gevolgen van de temperatuurveranderingen op de voedselvoorziening voor de weidevogels.

Het betoog slaagt niet.

- De gevolgen van de werkzaamheden en activiteiten tijdens het broedseizoen

18.     [appellanten sub 2] en De Groene Klaver betogen dat de aanleg van de warmtetransportleiding zal leiden tot een significante aantasting van het weidevogelgebied. Zij voeren daarvoor aan dat in de aanlegfase werkzaamheden tijdens het broedseizoen zullen plaatsvinden. Daarbij wijzen zij naast de werkzaamheden voor de leidingen zelf op het laten liggen van platenbanen en materieel én het opnieuw inzaaien en egaliseren van gebruikte stroken. Daardoor zullen grote hoeveelheden grond ongeschikt zijn tijdens het broedseizoen, ook als daar niet wordt gewerkt.

De Groene Klaver wijst erop dat er bij onvoorziene omstandigheden doorgewerkt zal worden tijdens het broedseizoen. De Groene Klaver stelt dat daar vermoedelijk sprake van gaat zijn, aangezien weersomstandigheden hieronder gerekend worden. De weersomstandigheden de afgelopen jaren hadden namelijk voor vertraging gezorgd. Dit zal ervoor zorgen dat er twee of drie broedseizoenen verloren zullen gaan. Als de weidevogels hierna nog terugkomen, zal dat herstel vijf tot tien jaar duren, stelt De Groene Klaver.

De Groene Klaver stelt verder dat het inploegen meer gevolgen zal hebben dan verondersteld. Aan de zuidoostzijde van de A4 moeten 86 sloten doorkruist worden met dieptes en breedtes die sterk variëren. Omdat de leiding verdiept aangelegd zal moeten worden en damwandconstructies geplaatst moeten worden bij de bredere en diepe sloten, kan van inploegen geen sprake meer zijn. Dit zal de uitvoering ook vertragen.

18.1.  Artikel 6.9c, eerste lid, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (de Omgevingsverordening) luidt als volgt:

"1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen belangrijk weidevogelgebied (…) kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling (…), geen significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied."

Artikel 6.9e, eerste lid, van de Omgevingsverordening luidt als volgt:

"1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen het Natuurnetwerk Nederland, (…) wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden."

18.2.  Artikel 6.9c en artikel 6.9e van de Omgevingsverordening stellen eisen aan een bestemmingsplan. Een inpassingsplan is geen bestemmingsplan in de zin van deze artikelen. Dat bepaalt artikel 1.1 in combinatie met de bijlage van de Omgevingsverordening. Dit betekent dat provinciale staten bij het voorbereiden en vaststellen van een inpassingsplan niet rechtstreeks gebonden zijn aan deze regels. Maar uit de plantoelichting en de verdere toelichting van provinciale staten blijkt dat zij bij het voorbereiden en vaststellen van het inpassingsplan zoveel mogelijk hebben willen aansluiten bij deze regels uit de Omgevingsverordening. Voor provinciale staten geldt de Omgevingsverordening als beleid. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 24 november 2021,  ECLI:NL:RVS:2021:2627, onder 38.

18.3.  De Afdeling stelt voorop dat de warmtetransportleiding NNN-gebied en belangrijk weidevogelgebied doorkruist. Het NNN-gebied dat doorkruist wordt kent een beheertype "N13.01 Vochtig weidevogelgrasland". De Afdeling ziet in wat De Groene Klaver en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat provinciale staten hadden moeten concluderen dat door de aanleg van de warmtetransportleiding de wezenlijke kenmerken en waarden van het belangrijk weidevogelgebied significant worden aangetast. Ook ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de bestemming voor de warmtetransportleiding leidt tot een beperking van de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van het NNN. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

18.4.  Uit onder meer de aanvulling MER blijkt dat tijdens het broedseizoen materialen en rijbanen aanwezig zullen zijn in het belangrijk weidevogelgebied en het NNN-gebied. Daarnaast ligt één van de prefab-locaties binnen het belangrijk weidevogelgebied. Daardoor zal een deel van het gebied tijdens het broedseizoen niet gebruikt kunnen worden door broedende weidevogels. Maar provinciale staten hebben toegelicht dat de omvang van deze prefab-locatie en de werkstroken waar tijdens het broedseizoen materialen en rijbanen aanwezig zijn, beperkt is ten opzichte van de totale oppervlakte van het belangrijk weidevogelgebied en het NNN. Daardoor is het aan te nemen dat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn voor de weidevogels binnen de omgeving van het belangrijk weidevogelgebied en het NNN-gebied.

Verder zullen de werkzaamheden tijdens het broedseizoen beperkt blijven tot de prefab-locaties. Door Antea is op 26 maart 2024 een aanvullende ecologische beschouwing uitgebracht getiteld "Project WarmtelinQ Rijswijk-Leiden - aanvullende ecologische beschouwing" (de aanvullende ecologische beschouwing). Daarin worden mitigerende maatregelen aanbevolen waarmee de negatieve effecten op de weidevogels worden beperkt. Er moeten bijvoorbeeld maatregelen worden getroffen om de prefab-locatie al vóór het broedseizoen ongeschikt te maken voor het broeden. Daarmee moet voorkomen worden dat er broedende paren voor zullen komen op de prefab-locatie waardoor deze door de werkzaamheden verstoord zullen worden. In de aanvullende ecologische beschouwing concludeert Antea dat het ongeschikt maken van de prefab-locaties voor broeden tijdens het broedseizoen een geringe invloed heeft op de waarde van de omgeving voor broedende weidevogels. Daarbij betrekt Antea dat uit tellingen blijkt dat rondom de prefab-locatie in het belangrijk weidevogelgebied minder weidevogels voorkomen dan op andere locaties in het belangrijk weidevogelgebied. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen grond om te oordelen dat provinciale staten niet van deze conclusies uit hebben mogen gaan.

De Afdeling ziet in wat De Groene Klaver heeft aangevoerd geen reden om op voorhand aan te nemen dat de uitvoering langer zal duren omdat bij de watergangen niet ingeploegd kan worden. Provinciale staten hebben toegelicht dat het mogelijk is om rondom de meeste watergangen in te ploegen door deze watergangen te overkluizen. Waar niet overkluisd zal worden zal voor een andere aanlegmethode gekozen worden. Provinciale staten hebben verder toegelicht dat als door onvoorziene omstandigheden doorgewerkt moet worden in het broedseizoen, opnieuw beoordeeld moet worden of de werkzaamheden kunnen doorgaan of dat dan een overtreding plaatsvindt van de verbodsbepalingen die gelden in het kader van de soortenbescherming.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat De Groene Klaver en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat provinciale staten de gevolgen hebben onderschat van de werkzaamheden en andere activiteiten op het NNN en het belangrijk weidevogelgebied tijdens het broedseizoen. Daarnaast hebben provinciale staten kunnen concluderen dat de aanleg van de warmtetransportleiding weliswaar een mogelijk tijdelijk negatief effect op het NNN en belangrijk weidevogelgebied heeft, maar dat dit niet leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.

De betogen slagen niet.

- het ecologisch werkprotocol

19.     [appellanten sub 2] stellen dat voor het voorkomen van negatieve effecten wordt gewezen op de aanwezigheid van een ecologisch werkprotocol, wat echter ontbreekt. Zij betogen dat dit ecologisch werkprotocol op het moment van terinzagelegging van het ontwerp-inpassingsplan beschikbaar had moeten zijn, zodat daarop gereageerd had kunnen worden.

19.1.  In de aanvulling MER wordt op verschillende plaatsen verwezen naar een nog op te stellen ecologisch werkprotocol. Daarin zal volgens de aanvulling MER bijvoorbeeld worden beschreven op welke manier de prefab-locaties en de verstoringszone daaromheen ongeschikt gemaakt zullen worden voor het broedseizoen. Ook de wijze van controle op de effectiviteit van de maatregelen zal in dit protocol worden beschreven. Met de maatregelen in het ecologisch werkprotocol moet worden voorkomen dat vogels gaan broeden in het gebied van de prefab-locaties of het gebied waarop werkzaamheden op deze locaties een verstorend effect kunnen hebben. Daarmee wordt voorkomen dat het werken op de prefab-locatie tijdens het broedseizoen tot een verstoring van broedende vogels zal leiden, waardoor de werkzaamheden mogelijk stilgelegd moeten worden. Het is aan te nemen dat het mogelijk is om maatregelen te nemen waardoor de prefab-locatie voor het broedseizoen ongeschikt zal worden gemaakt. Daarom hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling bij de vaststelling van het inpassingsplan uit kunnen gaan van de conclusies in de aanvulling MER, ondanks dat nog niet vaststaat wat er precies komt te staan in het ecologisch werkprotocol. De Afdeling ziet daarom ook geen grond voor het oordeel dat dit ecologisch werkprotocol al opgesteld had moeten zijn ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp-inpassingsplan.

Het betoog slaagt niet.

- De werkzaamheden in 2017

20.     [appellanten sub 2] betogen dat de gevolgen van werkzaamheden aan een gasleiding in 2017 ten onrechte niet bij de besluitvorming zijn betrokken. In de zienswijzenota wordt namelijk niet gesproken over deze gevolgen. [appellanten sub 2] stellen dat de effecten van deze werkzaamheden op populaties en de bodemgesteldheid nog altijd zichtbaar zijn.

20.1.  Provinciale staten hebben in hun verweerschrift toegelicht dat de werkzaamheden aan de gasleidingen in 2017 hebben plaatsgevonden door open ontgravingen en boringen onder de A4. In deelgebied 2 wordt de warmtetransportleiding echter voornamelijk ingeploegd. Daarmee wordt in een groot deel van het gebied gekozen voor een andere methode dan bij de aanleg in 2017. Daardoor zijn de effecten van de werkzaamheden in 2017 niet goed te vergelijken met de effecten die zullen optreden in een groot deel van deelgebied 2. Bij de expansielussen is wel een open ontgraving nodig. In het project-MER is echter omschreven wat de manier is waarop de open ontgraving plaatsvindt en wat de effecten hiervan zijn. [appellanten sub 2] hebben verder niet onderbouwd wat de gevolgen van de werkzaamheden in 2017 zijn geweest op de weidevogels, of waarom daaruit volgt dat de effecten bij de vaststelling van het inpassingsplan zijn onderschat. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten in wat is aangevoerd dan ook geen aanleiding hoeven zien om de effecten van de werkzaamheden in 2017 nader te onderzoeken.

Het betoog slaagt niet.

- De inbreukprocedure en de ambitie van provinciale staten

21.     De Groene Klaver betoogt dat het belang van het behoud van de weidevogels zwaarder gewogen moet worden, juist omdat er een inbreukprocedure is gestart tegen Nederland omdat de inspanningen voor de instandhouding van de weidevogels onvoldoende zijn. De provincie Zuid-Holland heeft daarnaast in zijn Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG) de ambitie opgenomen om nog 17.000 ha weidevogelgebied aan te wijzen en in te richten om de weidevogels in stand te willen houden.

21.1.  Provinciale staten hebben bij de vaststelling van het inpassingsplan toegelicht wat de effecten van de warmtetransportleiding op de weidevogels zijn. Daarvoor hebben provinciale staten verschillende onderzoeken laten uitvoeren naar de gevolgen op de weidevogels. Daarbij komen zij tot de conclusie dat de gevolgen een beperkt en tijdelijk karakter hebben. Uit wat hiervoor is overwogen, is niet gebleken dat provinciale staten niet tot deze conclusie hadden mogen komen. Onder deze omstandigheden hebben provinciale staten dan ook meer waarde mogen hechten aan het belang van de warmtetransportleiding dan aan de effecten die deze heeft op de weidevogels. De enkele omstandigheid dat er een inbreukprocedure gestart is of dat er een ambitie is voor meer weidevogelgebied leidt niet tot een ander oordeel.

Het betoog slaagt niet.

Onderzoek andere soorten vogels en zoogdieren

22.     [appellanten sub 2] betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de warmtetransportleiding voor andere soorten vogels dan weidevogels en zoogdieren die in het weidevogelgebied voorkomen. Daarbij stellen zij dat in het gebied zoogdieren en vogels voorkomen die opgenomen zijn op de rode lijst en daar zijn aangemerkt als gevoelig.

22.1.  Antea heeft op 16 oktober 2023 een notitie uitgebracht getiteld "Oplegnotitie natuurtoets Lot C WarmtelinQ Rijswijk Leiden-rev00", (de oplegnotitie). Deze is opgenomen als bijlage 40 bij de plantoelichting. In de oplegnotitie is deelgebied 2 aangeduid als lot C. Het deel van de warmtetransportleiding in de omgeving van de woning van [appellanten sub 2] maakt onderdeel uit van dit gebied. Het gebied is beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten. Daarvoor is eerst een bureaustudie opgesteld door Arcadis. Antea heeft vervolgens twee veldbezoeken gedaan voor het opstellen van de oplegnotitie. Volgens de oplegnotitie zijn de werkzaamheden voor de warmtetransportleiding mogelijk van invloed op het leefgebied van soorten die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Dit betreft de leefgebieden van de waterspitsmuis, ringslang, rugstreeppad en platte schijfhoren. De gevolgen hiervan zijn door Antea nader onderzocht. Daarvoor is op 8 november 2023 door Antea het rapport uitgebracht getiteld "Nadere ecologische onderzoeken WarmtelinQ Rijswijk-Leiden Lot C" (het nadere ecologische onderzoek lot C). Daarin is geconcludeerd dat er als gevolg van de werkzaamheden geen negatieve effecten optreden op deze soorten.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten ook onderzoek laten verrichten naar andere soorten dan de weidevogels. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek onvolledig is geweest of waarom de conclusies uit deze onderzoeken niet kloppen. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd daarom geen grond voor het oordeel dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar andere soorten dieren dan weidevogels.

Het betoog slaagt niet.

De gevolgen voor de nabijgelegen dijk

23.     [appellanten sub 2] betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen die op zullen treden door de aanleg van de warmtetransportleiding op de nabijgelegen dijk.

Zij voeren daarvoor aan dat de warmtetransportleiding leidt tot een verhoging van de temperatuur, wat zal leiden tot uitdroging en inklinking van de grond. [appellanten sub 2] wijzen erop dat er een dijk ligt nabij de plaats waar de expansielus is voorzien op het perceel I-165. Daarom zullen de veranderingen in de bodem mogelijk de stabiliteit van de dijk aantasten. Zij betogen dat er ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van expansielussen op de temperatuur en daarmee de uitdroging en inklinking van de omliggende gronden.

Zij voeren verder aan dat ook de bemalingen, graafwerkzaamheden en de aan te leggen tijdelijke wegen voor inklinking en uitdroging van de natte veengrond zullen zorgen. [appellanten sub 2] wijzen er hierbij op dat voor de aanleg van de expansielus ongeveer een hectare grond moet worden afgegraven. Daarbij staat niet vast dat deze grond na uitplaatsing weer goed in dezelfde samenstelling teruggeplaatst kan worden. Mede daarom staat onvoldoende vast dat de grond in de aanlegfase niet zal uitdrogen of inklinken. Ook staat niet vast hoe lang de werkzaamheden plaats zullen vinden waardoor onzeker is hoe lang de verstoringen plaats gaan vinden.

[appellanten sub 2] stellen hierbij nog dat de warmtetransportleiding op een afgelegen plaats komt te liggen. Daarom zal het tijdig constateren en herstellen van optredende gebreken praktisch niet haalbaar zijn. [appellanten sub 2] wijzen er daarbij op dat de expansielus wordt aangelegd op een perceel wat geen eigen toegang heeft tot de openbare weg.

23.1.  Zoals de Afdeling onder 17.1 heeft overwogen, konden provinciale staten wat dit aspect betreft het rapport Deltares volgen. Daaruit volgt dat de invloed van de warmteleiding op het vochtgehalte in de grond te verwaarlozen is. Verder volgt daaruit dat de temperatuurveranderingen rondom warmtetransportleidingen relatief snel afvlakt. Uit de conclusies van het rapport Deltares volgt dat de toename in temperatuur op een afstand van 5 m van de warmtetransportleiding beperkt is. Uit de nadere toelichting van provinciale staten op zitting blijkt dat de extra gevolgen bij de expansielussen ook beperkt zijn. Het plangebied van het inpassingsplan ligt op ongeveer 55 m van de beschermingszone van de waterkering bij de Meerburger Watering. Deze afstand is aanzienlijk groter dan de afstand waarop de warmtetransportleiding nog voor temperatuurverhogingen zal zorgen. Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft op de zitting toegelicht dat gelet op deze afstand en de te verwachte effecten van het gebruik van de warmtetransportleiding niet verwacht wordt dat er op deze locatie ontoelaatbare effecten op de stabiliteit van de dijk zullen optreden. Gelet op deze toelichting, de conclusies uit het rapport Deltares en de afstand van de warmtetransportleiding tot de dijk ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat nader onderzocht had moeten worden of de warmtetransportleiding in de gebruiksfase zal zorgen voor instabiliteit van de dijk.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

23.2.  De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ook geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzocht is of de aanleg van de warmtetransportleiding zal leiden tot instabiliteit van de waterkering bij de Meerburger Watering. Daarover overweegt de Afdeling eerst dat de warmtetransportleiding in deze omgeving voornamelijk ingeploegd zal worden. In paragraaf 3.3.2 van de project-MER staat dat deze manier van werken nagenoeg geen zakkingen en zettingen tot gevolg heeft. Dit is niet bestreden. Voor zover gronden worden afgegraven is toegelicht dat er maatregelen worden genomen om de gronden in dezelfde samenstelling terug te plaatsen. Daarnaast is toegelicht dat er maatregelen worden getroffen om het maaiveld na afronding van het werk weer aan te vullen met grond om te zorgen dat er geen effect op de hoogte van het maaiveld optreedt. Voor zover er door de verdere werkzaamheden nog gevolgen zullen optreden, overweegt de Afdeling dat ook hier een ruime afstand is tot de beschermingszone van de waterkering. Uit figuur 11-4 van de project-MER volgt verder dat ook de werkwegen voor de aanleg van de warmtetransportleiding in de omgeving van de woning van [appellanten sub 2] niet binnen de beschermingszone van de waterkering zullen liggen. De Afdeling overweegt verder dat het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland op de zitting heeft toegelicht dat hij geen ontoelaatbare effecten op de stabiliteit van de waterkering verwacht als gevolg van de aanleg. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat provinciale staten tot een andere conclusie hadden moeten komen.

Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

23.3.  Voor zover [appellanten sub 2] hebben gewezen op de locatie van de warmtetransportleiding, hebben provinciale staten toegelicht dat de toegang tot de warmtetransportleiding kan worden gerealiseerd via een zakelijk recht of een gedoogbeschikking. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk zal zijn om hiermee toegang tot de warmtetransportleiding te krijgen of dat het om een andere reden niet mogelijk zal zijn om deze te onderhouden. Provinciale staten hebben naar het oordeel van de Afdeling in de ligging van de warmtetransportleiding en de mogelijkheid tot onderhoud dan ook geen reden hoeven zien om van de vaststelling van het inpassingsplan af te zien.

Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

Conclusie over de beroepen van [appellanten sub 2] en de Groene Klaver

24.     De beroepen van [appellanten sub 2] en De Groene Klaver zijn ongegrond.

Het beroep van Prosat tegen het tweede wijzigingsbesluit

25.     Prosat heeft alleen beroep ingesteld tegen het tweede wijzigingsbesluit. Met dit tweede wijzigingsbesluit zijn drie voorschriften uit de omgevingsvergunning verwijderd. Deze voorschriften bepaalden dat de vergunde activiteiten pas uitgevoerd mochten worden als het inpassingsplan onherroepelijk was geworden.

Doordat Prosat alleen tegen het tweede wijzigingsbesluit is opgekomen, kan Prosat met haar beroep alleen bereiken dat de voorschriften herleven die met het tweede wijzigingsbesluit uit de omgevingsvergunning zijn verwijderd. Dit zou ertoe leiden WarmtelinQ pas tot de uitvoering van de vergunde activiteiten over kan gaan als het inpassingsplan onherroepelijk is geworden. Nu de beroepen tegen het inpassingsplan ongegrond zijn, vervalt ieder belang dat Prosat daarbij heeft.

Het beroep van Prosat is niet-ontvankelijk.

Het beroep van WarmtelinQ tegen de omgevingsvergunning

26.     WarmtelinQ heeft geen procesbelang bij haar beroep tegen de omgevingsvergunning. Het beroep van WarmtelinQ was alleen gericht tegen de voorschriften van de omgevingsvergunning die inhielden dat pas tot de activiteiten overgegaan mocht worden als het inpassingsplan onherroepelijk was geworden. Deze voorschriften zijn met het tweede wijzigingsbesluit uit de omgevingsvergunning verwijderd. Daarmee is het doel dat WarmtelinQ voor ogen stond met haar beroep al bereikt. WarmtelinQ heeft desgevraagd op de zitting bij de Afdeling ook aangegeven dat zij alleen een belang bij haar beroep zou hebben als het inpassingsplan niet onherroepelijk zou worden én het beroep van Prosat ertoe zou leiden dat de voorschriften uit de omgevingsvergunning zouden herleven. Beide zijn niet het geval. Omdat er geen procesbelang (meer) bestaat, is het beroep niet-ontvankelijk.

Conclusie over het beroep van WarmtelinQ

27.     Het beroep van WarmtelinQ is niet-ontvankelijk.

Proceskosten

28.     Provinciale staten en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.

29.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en Coöperatie De Groene Klaver ongegrond;

II.       verklaart de beroepen van Prosat Security B.V. en WarmtelinQ Transport Services B.V. niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, mr. N. Verheij en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier.

w.g. De Groot
voorzitter

w.g. Brouwers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

1080

BIJLAGE

RELEVANTE REGELGEVING

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.33

1. Bij besluit van provinciale staten kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het provinciaal ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:

a. (…)

b. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 dan wel een wijziging of uitwerking van een inpassingsplan, wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, en de voorbereiding en bekendmaking daarvan wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.

Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Bijlage I bij deze verordening bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.

BEGRIPPEN

Als bedoeld in artikel 1.1

1. Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

(…)

bestemmingsplan: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, alsmede:

a. wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening;

b. beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening;

c. omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft de in bijlage VIII van deze verordening genoemde situaties;

d. omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken;

e. projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet.;

Planregels bij het provinciale inpassingsplan "WarmtelinQ Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie"

Artikel 8 Leiding - Warmtetransportleiding

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Warmtetransportleiding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a.       ondergrondse warmtetransportleidingen met de daarbij behorende beschermingszone;

Een en ander met de bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en bijbehorende voorzieningen.

8.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd waarbij de volgende regels gelden:

a.       Uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde bestemming;

b.       bouwwerken, geen gebouwen zijn toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;

c.       de warmtetransportleidingen worden binnen de beschermingszone gerealiseerd en de hartlijnen van deze leidingen liggen minimaal 3 meter uit de grens van de dubbelbestemming 'Leiding - Warmtetransportleiding'.

8.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels als bedoeld onder 8.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemmingen, indien het leidingbelang niet onevenredig wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder(s) en voorts onder de voorwaarde(n) dat:

a.       met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende bouwregels wordt gebouwd en het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

b.       overeenkomstig een verleende omgevingsvergunning voor strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ten tijde van de vaststelling van dit inpassingsplan.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.4.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Warmtetransportleiding' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a.       het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen en parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

b.       het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;

c.       het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

d.       het indrijven van voorwerpen in de bodem, daaronder mede begrepen lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;

e.       het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;

f.        het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

g.       het permanent opslaan van goederen.

8.4.2 Uitzondering op het verbod

Het verbod van lid 8.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden, die:

a.       noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend;

b.       het normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;

c.       het normaal onderhoud en beheer ten aanzien van bestaande kabelverbindingen betreffen;

d.       graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken betreffen;

e.       reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning;

f.        reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het inpassingsplan.

8.4.3 Toelaatbaarheid

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 8.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 8.4.1, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de betrokken leidingbeheerder(s). Het vermelde advies betreft de belangen in verband met de veilige ligging van de leiding en het voorkomen van schade aan de leiding.

Planregels bij het bestemmingsplan "Landelijk Gebied II"

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

(…)

4.2.1 Algemeen

Op deze gronden mogen, met in achtneming van het bepaalde in lid 4.2.2 en lid 4.2.3, uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van en noodzakelijk voor de bestemming dan wel (agrarische) bedrijfsvoering worden gebouwd, met dien verstande dat:

a.       het bevoegd gezag over de noodzaak en doelmatigheid van de bebouwing advies kan inwinnen bij een agrarische deskundige;

b.       de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed dient te worden ingepast, met inachtneming van de in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf beschreven ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van agrarische erven en de waarden van het gebied;

c.       het bevoegd gezag over de landschappelijke inpassing van bebouwing advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige.

(…)

4.2.3 Maatvoering bebouwing

Voor bouwwerken als bedoeld in lid 4.2.1 en lid 4.2.2 geldt de volgende maatvoering:

a.       van een schuilgelegenheid voor vee mag de afmetingen niet meer bedragen dan de bestaande afmetingen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - agrarische bebouwing' op de in onderstaande tabel aangegeven adressen, de daarbij aangegeven maximum gezamenlijke oppervlakte en hoogte voor gebouwen gelden:

b.       erf- en perceelafscheidingen mogen niet hoger dan 1 m;

c.       andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen niet hoger zijn dan 2 m, waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m².

Persbericht

Plan voor warmtetransportleiding ‘Warmtelinq’ tussen Rijswijk en Leiden definitief

Met een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van vandaag (5 augustus 2026) is het provinciale inpassingsplan ’Warmtelinq Rijswijk-Leiden’ definitief geworden. Met het plan kan de provincie door met de aanleg van een transportleiding voor restwarmte uit de Rotterdamse haven. Ook een omgevingsvergunning voor de aanleg van het Haagse deel van de warmtetransportleiding staat met deze uitspraak definitief vast.

Bezwaren

Tegen het plan van provinciale staten van Zuid-Holland waren drie inwoners van Leidschendam en Coöperatie De Groene Klaver in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Een van inwoners vreest dat de transportleiding zijn woongenot aantast. De andere inwoners en De Groene Klaver zijn het niet eens met de tracékeuze. Zij vinden dat de provincie voor een tracé ten noorden van de A4 had moeten kiezen, in plaats van het gekozen tracé ten zuidoosten van de A4. Door voor die laatste variant te kiezen doorkruist de warmtetransportleiding een belangrijk weidevogelgebied, aldus de bezwaarmakers.

Ongegrond

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft al deze bezwaren ongegrond verklaard. Provinciale staten hebben voldoende onderzoek gedaan naar de verschillende tracés voor de transportleiding, waaronder ook de varianten ten noorden van de A4. Die noordelijke varianten zijn echter om uitvoeringstechnische en financiële redenen afgevallen. En hoewel de aanleg van de transportleiding door het weidevogelgebied mogelijk negatieve effecten zal hebben op weidevogels, is dat effect tijdelijk en zal dat niet leiden tot een significante aantasting van het weidevogelgebied. Bovendien zijn mitigerende maatregelen mogelijk waarmee negatieve effecten voor de vogels zoveel mogelijk kunnen worden beperkt.

Warmtelinq

Het inpassingsplan maakt een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden mogelijk. Het is de bedoeling dat de 25 kilometer lange leiding restwarmte uit de Rotterdamse haven gaat transporteren. Het startpunt van de warmtetransportleiding ligt in Rijswijk bij de Prinses Beatrixlaan. Daar sluit de warmtetransportleiding aan op de warmtetransportleiding tussen Vlaardingen en Den Haag. De warmtetransportleiding loopt vervolgens door de gemeenten Den Haag, Rijswijk, Leidschendam-Voorburg, Voorschoten, Wassenaar, Katwijk, Zoeterwoude, Leiderdorp, naar Leiden en Oegstgeest. Het eindpunt is een warmteoverdrachtstation ten westen van Leiden en Oegstgeest waar de warmtetransportleiding zal worden aangesloten op het warmtenet van Leiden.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon