Uitspraak 202404260/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4460
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college geweigerd om aan [persoon] een legaliserende omgevingsvergunning te verlenen voor een overkapping op het perceel aan de [locatie A] in Wekerom. [bedrijf] was ten tijde van het besluit van 18 augustus 2022 eigenaar van het perceel dat is gelegen op het recreatiepark Berkenrhode (het recreatiepark). [persoon] is enig aandeelhouder van [bedrijf]. [persoon] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om de overkapping te legaliseren. Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd, kort gezegd omdat de overkapping afbreuk doet aan de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de groene, bosrijke omgeving. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de weigering van de omgevingsvergunning niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat het toestaan van meer vierkante meters aan bebouwing, het perceel aantrekkelijker kan maken voor permanente bewoning.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202404260/1/R4.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Wekerom, gemeente Ede, als rechtsopvolger van [persoon],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 mei 2024 in zaak nr. 23/2259 in het geding tussen:
[persoon]
en
het college van burgemeester en wethouders van Ede.
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college geweigerd om aan [persoon] een legaliserende omgevingsvergunning te verlenen voor een overkapping op het perceel aan de [locatie A] in Wekerom (het perceel).
Bij besluit van 9 maart 2023 heeft het college het door [persoon] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2022 ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering.
Bij uitspraak van 31 mei 2024 heeft de rechtbank het door [persoon] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [persoon] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[persoon] heeft een nader stuk ingediend.
Bij brief van 27 mei 2026 heeft [persoon] medegedeeld dat de eigendom van het perceel is overgegaan naar de nieuwe eigenaar [appellant]. [appellant] heeft als rechtsopvolger onder bijzondere titel van [persoon] de procedure voortgezet.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. drs. C.J. Tijman, advocaat in Ede, en het college, vertegenwoordigd door J. Peters en N.L.H. Teijema, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 27 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [bedrijf] was ten tijde van het besluit van 18 augustus 2022 eigenaar van het perceel dat is gelegen op het recreatiepark Berkenrhode (het recreatiepark). [persoon] is enig aandeelhouder van [bedrijf].
Op het perceel staan een recreatiewoning met overkapping en een vrijstaande schuur. Volgens het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe omgeving Roekelseweg 44-48 Wekerom", zoals gewijzigd bij drie paraplubestemmingsplannen (het bestemmingsplan) hebben de gronden de bestemming "Recreatie". Tussen partijen is niet in geschil en ook de Afdeling stelt vast dat de overkapping en schuur in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat de daarin opgenomen maximale oppervlakte voor een recreatiewoonverblijf inclusief bijgebouwen van 75 m² wordt overschreden en een vrijstaand bijgebouw niet is toegestaan. Het college heeft aan [bedrijf] een last onder dwangsom opgelegd.
[persoon] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om de overkapping te legaliseren. Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd, kort gezegd omdat de overkapping afbreuk doet aan de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de groene, bosrijke omgeving.
Bij besluit van 9 maart 2023 heeft het college de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering.
Weigering omgevingsvergunning
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de weigering van de omgevingsvergunning niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat het toestaan van meer vierkante meters aan bebouwing, het perceel aantrekkelijker kan maken voor permanente bewoning.
Verder is er volgens [appellant] geen ruimtelijke uitstraling van de overkapping en schuur, omdat deze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en daarmee geen afbreuk doen aan de bosachtige uitstraling van het recreatiepark. Bovendien staan de overkapping en schuur al bijna 20 jaar op het perceel.
3.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
3.2. De Afdeling overweegt dat [appellant] geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor de schuur en dat het in deze procedure uitsluitend gaat om de door [appellant] aangevraagde omgevingsvergunning voor de overkapping, die het college heeft geweigerd te verlenen.
De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren. Zoals het college heeft toegelicht, leidt de recreatiewoning met overkapping tot een forse overschrijding van de toegestane oppervlakte aan bebouwing. Het college wil verstening in de groene, bosrijke omgeving waarin het perceel is gelegen, juist tegengaan. Bebouwing is veelal kleinschalig en introvert ten opzichte van de omgeving om geen afbreuk te doen aan de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de omgeving. Dat de overkapping niet zichtbaar is vanaf de openbare weg, doet er naar het oordeel van de Afdeling daarom niet aan af dat het college doorslaggevend belang mocht hechten aan de regels van het bestemmingsplan.
Het college heeft verder in redelijkheid kunnen betrekken dat een recreatiewoning van 75 m² groot genoeg is voor recreatief gebruik en dat van de verlening van een vergunning een ongewenste precedentwerking uit zou gaan.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college hiermee al voldoende heeft gemotiveerd dat de overkapping in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dat de overkapping al 20 jaar op het perceel zou staan, maakt ook niet dat het college de ruimtelijke gevolgen aanvaardbaar had moeten achten. Dit betekent dat de rechtbank in zoverre terecht heeft geoordeeld dat het college de gevraagde vergunning heeft kunnen weigeren.
Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college door het weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt, nu het college binnen het recreatiepark ten aanzien van meerdere adressen omgevingsvergunningen heeft verleend voor bijbehorende bouwwerken bij recreatiewoningen. Daarbij is volgens [appellant] op het recreatiepark ook ten onrechte onderscheid gemaakt tussen recreatiewoningen die beroeps- of bedrijfsmatig worden geëxploiteerd en recreatiewoningen die particulier worden gebruikt. In dit kader wijst [appellant] op de omgevingsvergunning die is verleend voor de bedrijfsmatig geëxploiteerde recreatiewoning aan de [locatie B]. [appellant] wijst erop dat bedrijfsmatige verhuur op elk moment kan worden gestaakt, waarna de eigenaren de woningen voor eigen gebruik kunnen aanwenden. Het risico van permanente bewoning doet zich dus ook daar voor, aldus [appellant].
4.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Het college heeft toegelicht dat het bij de beoordeling van een aantal door [appellant] genoemde vergunningaanvragen fouten heeft gemaakt en dat voor zowel recreatiewoningen die beroeps- of bedrijfsmatig worden gebruikt als recreatiewoningen die particulier worden gebruikt (deels) onterecht omgevingsvergunningen zijn verleend. De Afdeling heeft, gelet op wat [appellant] hierover heeft aangevoerd, geen aanleiding om te twijfelen aan die toelichting van het college. Volgens vaste rechtspraak strekt een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat het desbetreffende bestuursorgaan een gemaakte fout moet herhalen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1290. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door te weigeren om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
490-1096