Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202404252/1/R4

Uitspraak 202404252/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4584
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renkum aan [belanghebbenden] een last onder dwangsom opgelegd. [belanghebbenden] zijn eigenaar van een perceel aan de [locatie A] in Wolfheze. Ten zuiden van het perceel loopt een pad. [belanghebbenden] zijn eigenaar van een gedeelte van dat pad. Dat gedeelte van het pad hebben zij afgesloten voor anderen. [appellante] is het daar niet mee eens. [appellante] is ruiter bij paardenpension De Henriëtte Hoeve in Wolfheze dat zich in de omgeving van het pad bevindt. Volgens haar wordt het pad al gedurende een lange tijd door ruiters gebruikt als ontsluiting naar een netwerk van ruiterpaden op de Veluwe. Zij heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202404252/1/R4.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 juni 2024 in zaak nr. 23/7805 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Renkum.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2022 heeft het college aan [belanghebbenden] een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 31 maart 2023 heeft het college de last onder dwangsom ingetrokken.

Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het college het door [belanghebbenden] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 19 oktober 2022 gegrond verklaard en het besluit van 31 maart 2023 in stand gelaten met verbetering van de motivering.

Bij uitspraak van 3 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 31 oktober 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door H.P.T. Nas, zijn verschenen. Verder is op de zitting [belanghebbende A], bijgestaan door mr. W. Leistra, advocaat in Arnhem, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       [belanghebbenden] zijn eigenaar van een perceel aan de [locatie A] in Wolfheze (het perceel). Ten zuiden van het perceel loopt een pad. [belanghebbenden] zijn eigenaar van een gedeelte van dat pad. Dat gedeelte van het pad hebben zij afgesloten voor anderen. Bij besluit van 19 oktober 2022 heeft het college, voor zover hier van belang, aan [belanghebbenden] een last onder dwangsom opgelegd vanwege de afsluiting van het pad. Bij besluit van 31 maart 2023 heeft het college de bij besluit van 19 oktober 2022 opgelegde last onder dwangsom ingetrokken. Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het college het daartegen door [belanghebbenden] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de intrekking van de last, met verbetering van de motivering, in stand gelaten.

[appellante] is het daar niet mee eens. [appellante] is ruiter bij paardenpension De Henriëtte Hoeve in Wolfheze dat zich in de omgeving van het pad bevindt. Volgens haar wordt het pad al gedurende een lange tijd door ruiters gebruikt als ontsluiting naar een netwerk van ruiterpaden op de Veluwe. Zij heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank.

Ontvankelijkheid van anderen dan [appellante]

2.       Op zitting heeft [appellante] toegelicht dat zij niet langer bestrijdt dat het beroep alleen is ingesteld namens haar. De Afdeling zal de grond die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank daarover, daarom niet inhoudelijk behandelen.

Ontvankelijkheid van [appellante]

3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen belanghebbende is en haar beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voert aan dat zij als belanghebbende bij het besluit van 31 oktober 2023 moet worden aangemerkt.

Daartoe wijst zij erop dat het pad van belang is voor ruiters vanwege de ontsluiting naar een groot netwerk van ruiterpaden. De ontsluiting naar het netwerk van ruiterpaden wordt met de afsluiting van het gedeelte van het pad onderbroken.

Verder wijst zij erop dat ruiters zich alleen mogen bevinden op ruiterpaden, zodat het belang van ruiters ook niet vergelijkbaar is met het belang van fietsers of wandelaars. Bovendien zijn alternatieve routes in de omgeving gevaarlijk.

3.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Een belang dat zich onvoldoende onderscheidt van de belangen van willekeurige anderen, is geen persoonlijk belang.

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] geen belanghebbende is bij het besluit van 31 oktober 2023. In verband daarmee is van belang dat [appellante] op ongeveer 10 km afstand van het afgesloten gedeelte van het pad woont. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een bij het besluit van 31 oktober 2023 betrokken persoonlijk belang van [appellante] te kunnen aannemen.

De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat ook anderszins niet is gebleken dat [appellante] een persoonlijk belang heeft bij dat besluit dat zich in voldoende mate onderscheidt van de belangen van willekeurige anderen. Het recreatieve gebruik dat [appellante] maakt van het afgesloten gedeelte van het pad, onderscheidt haar niet van andere gebruikers. Dat ruiters zich, zoals [appellante] stelt, anders dan fietsers en wandelaars, alleen mogen bevinden op ruiterpaden, leidt evenmin tot het oordeel dat [appellante] een persoonlijk belang heeft bij het besluit. Ruiters mogen weliswaar geen gebruik maken van een fietspad, maar mogen zich, in het geval er geen ruiterpad beschikbaar is, wel begeven op de rijbaan of in de berm. [appellante] onderscheidt zich niet van andere ruiters die daar mogelijk ongemak van ondervinden.

Verder is de stelling van [appellante] dat er geen geschikte alternatieve routes zijn door haar onvoldoende geconcretiseerd om te oordelen dat haar persoonlijke belang is betrokken bij het besluit. Het college en [belanghebbenden] hebben hierover op de zitting toegelicht dat er meerdere alternatieve routes zijn, waarbij de rijbaan of de berm kan worden gebruikt, en dat deze in de praktijk ook door ruiters gebruikt worden.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep van [appellante] terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hielkema
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

490-1096


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon