Uitspraak BRS.26.000333
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4392
- Datum uitspraak
- 31 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000333
ECLI:NL:RVS:2026:4392
Datum uitspraak: 31 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL25.9714 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 22 april 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek van appellant om heroverweging van het terugkeerbesluit en verwijdering van de signalering uit het SIS afgewezen.
Bij uitspraak van 23 mei 2024 heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 19 oktober 2023 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 22 april 2024 dat de rechtbank ook in haar oordeel heeft betrokken, heeft zij gegrond verklaard. Dat besluit heeft zij vernietigd en zij heeft bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt op het verzoek met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Ook heeft appellant incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 10 oktober 2024 heeft de minister opnieuw het door appellant gedane verzoek afgewezen.
Bij besluit van 30 januari 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Ambtshalve beoordeling van de bevoegdheid van de rechtbank
1. De minister heeft op 10 oktober 2024 naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2024 in zaak nr. NL23.35855 een nieuw besluit genomen op het verzoek om heroverweging van het terugkeerbesluit en verwijdering van de SIS-signalering hangende de hoger beroepen tegen die uitspraak. Ook heeft de minister hangende die hoger beroepen met het besluit van 30 januari 2025 het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2024 ongegrond verklaard. Die hoger beroepen, geregistreerd onder zaak nr. 202403774/1/V3, hebben van rechtswege betrekking op de besluiten van 10 oktober 2024 en 30 januari 2025. Die besluiten zijn namelijk besluiten als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24, van de Awb. Deze bepalingen zijn van openbare orde. De Afdeling beoordeelt daarom ambtshalve of de rechtbank bevoegd was uitspraak te doen.
1.1. De Afdeling stelt vast dat zowel de minister de besluiten van 10 oktober 2024 en 30 januari 2025 als de rechtbank het beroep tegen dit laatste besluit niet overeenkomstig artikel 6:19, derde en vierde lid, van de Awb heeft doorgezonden aan de Afdeling. De rechtbank heeft zich als gevolg daarvan ten onrechte bevoegd geacht en het beroep tegen het besluit van 30 januari 2025 in behandeling genomen. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 7 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4100, onder 3, en van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4179. De Afdeling betrekt de besluiten van 10 oktober 2024 en 30 januari 2025 in de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2024 (uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:4454, onder 5.1).
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 in zaak nr. NL25.9714. De Afdeling verklaart de rechtbank alsnog onbevoegd om van het beroep tegen het besluit van 30 januari 2025 kennis te nemen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL25.9714;
III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het door appellant ingestelde beroep kennis te nemen;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr J. van de Kolk, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026
347-1111