Uitspraak 202505420/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4581
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen een verzoek van [appellant] om terug te komen van een besluit van 5 augustus 2019, waarbij hij is toegelaten tot de schuldhulpverlening, afgewezen. Bij besluit van 5 augustus 2019 heeft het college een aanvraag van [appellant] om toelating tot schuldhulpverlening ingewilligd. Op 4 september 2019 heeft [appellant] verzocht om intrekking van de schuldhulpverlening. Bij brief van 12 september 2019 heeft het college de intrekking bevestigd en de schuldhulpverlening beëindigd. Op 24 september 2020 heeft [appellant] opnieuw een aanvraag om toelating tot schuldhulpverlening ingediend. Het college heeft deze aanvraag ingewilligd. Bij brief van 25 januari 2021 heeft [appellant] het college verzocht om herziening van het besluit van 5 augustus 2019. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen.
- Hoger beroep
- Geld
Toon inhoud
202505420/1/A2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in De Knipe, gemeente Heerenveen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 januari 2023 in zaak nr. 21/2760 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen.
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2021 heeft het college een verzoek van [appellant] om terug te komen van een besluit van 5 augustus 2019, waarbij hij is toegelaten tot de schuldhulpverlening, afgewezen.
Bij besluit van 17 augustus 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van beroep.
Bij uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep kennis te nemen. Bij brief van 15 oktober 2025 heeft hij het hogerberoepschrift doorgezonden aan de Afdeling.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juli 2026, waar [appellant] is verschenen.
Overwegingen
1. Bij besluit van 5 augustus 2019 heeft het college een aanvraag van [appellant] om toelating tot schuldhulpverlening ingewilligd. Op 4 september 2019 heeft [appellant] verzocht om intrekking van de schuldhulpverlening. Bij brief van 12 september 2019 heeft het college de intrekking bevestigd en de schuldhulpverlening beëindigd. Op 24 september 2020 heeft [appellant] opnieuw een aanvraag om toelating tot schuldhulpverlening ingediend. Het college heeft deze aanvraag ingewilligd. Bij brief van 25 januari 2021 heeft [appellant] het college verzocht om herziening van het besluit van 5 augustus 2019.
2. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat [appellant] op de zitting te kennen heeft gegeven dat het hem er niet om gaat dat het college het besluit van 5 augustus 2019 herziet en alsnog een saneringskrediet toekent, omdat er nadien, op 17 november 2020, alsnog een akkoord is gesloten met de schuldeisers. De rechtbank heeft de beroepsgronden over het niet terugkomen van het besluit van 5 augustus 2019 daarom niet besproken. Volgens haar is alleen het verzoek om schadevergoeding in geschil.
3. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat niet is gebleken van een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat het college in november 2020 een saneringskrediet aan [appellant] heeft verstrekt. Of dat saneringskrediet, zoals [appellant] heeft gesteld, te laat is verstrekt, maakt geen verschil. Daar komt bij dat, zoals het college op de zitting heeft gezegd, [appellant] al schulden had en in september 2019 heeft verzocht om de schuldhulpverlening te beëindigen. Anders dan hij heeft gesteld, hoefde het college hem niet te informeren over de beschikbaarheid van het saneringskrediet in januari 2020, aldus de rechtbank.
4. [appellant] heeft op de zitting bij de Afdeling de grond dat de rechtbank zijn verzoek om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht ten onrechte heeft afgewezen, ingetrokken.
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen. Volgens [appellant] is het besluit van 5 augustus 2019 onrechtmatig en heeft het college onrechtmatig gehandeld door hem niet te melden dat na dat besluit alsnog een saneringskrediet beschikbaar is gekomen.
5.1. De bestuursrechter is alleen bevoegd om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde oorzaken. Aangezien de onrechtmatigheid van het besluit van 5 augustus 2019 niet is erkend door het college en ook niet is vastgesteld door de rechter, volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn standpunt dat hij schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
De Afdeling ziet verder in het betoog van [appellant] geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, was gehouden om hem ambtshalve te informeren over de beschikbaarheid van het saneringskrediet. Zelfs als het college dat ten onrechte zou hebben nagelaten, had dat niet kunnen leiden tot toewijzing van het verzoek om schadevergoeding, omdat dat verzuim niet valt onder de limitatieve opsomming in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb van oorzaken van schade.
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
7. [appellant] heeft bij de Afdeling een verzoek ingediend om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
7.1. In zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan, is de redelijke termijn in beginsel overschreden als de totale duur van de procedure langer dan vier jaar heeft geduurd. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan (uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:918, onder 13.1).
7.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 21 april 2021. Op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan, is de redelijke termijn overschreden met een jaar en ruim drie maanden. Van bijzondere omstandigheden die een langere behandelingsduur rechtvaardigen is in dit geval niet gebleken.
7.3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt uitgegaan van een tarief van € 500,00 per zes maanden dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond. [appellant] heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,00. De overschrijding is, mede vanwege de onjuiste rechtsmiddelenverwijzing onder de aangevallen uitspraak, gelegen in de hogerberoepsfase. Gelet daarop zal de Afdeling de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van schadevergoeding.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 1.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf vier weken na de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
452-1175