Uitspraak 202503738/7/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4477
- Datum uitspraak
- 31 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen inhoudende dat alle lopende beslagen en executiemaatregelen die tegen hem zijn genomen per direct worden geschorst. [verzoeker] ontvangt een WIA-uitkering. Op deze uitkering heeft een gerechtsdeurwaarder beslag laten leggen. Deze gerechtsdeurwaarder treedt volgens [verzoeker] op als coördinerende gerechtsdeurwaarder namens verschillende schuldeisers. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het ontbreekt aan een grondslag voor een groot deel van de vorderingen en er onvoldoende overzicht van alle schulden bestaat. Hierdoor komt zijn bestaanszekerheid in gevaar.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202503738/7/A2.
Datum uitspraak: 31 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van:
[verzoeker],
verzoeker,
Procesverloop
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen inhoudende dat alle lopende beslagen en executiemaatregelen die tegen hem zijn genomen per direct worden geschorst.
[verzoeker] heeft nadere stukken overgelegd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 9 juli 2026, waar [verzoeker] is verschenen. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter gewraakt. Hierop is het onderzoek op de zitting geschorst.
Bij beslissing van 24 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4319) heeft de wrakingskamer het verzoek van [verzoeker] buiten behandeling gelaten.
Bij brief van 28 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. [verzoeker] ontvangt een WIA-uitkering. Op deze uitkering heeft een gerechtsdeurwaarder beslag laten leggen. Deze gerechtsdeurwaarder treedt volgens [verzoeker] op als coördinerende gerechtsdeurwaarder namens verschillende schuldeisers. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het ontbreekt aan een grondslag voor een groot deel van de vorderingen en er onvoldoende overzicht van alle schulden bestaat. Hierdoor komt zijn bestaanszekerheid in gevaar. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening alle tegen hem lopende beslagen en executiemaatregelen te schorsen.
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek niet is gedaan in het kader van een lopende bezwaar- en/of beroepsprocedure. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijld spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dit betekent dat het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk is.
3. Op de zitting heeft [verzoeker] daarnaast gewezen op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juni 2026. In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland het beroep van [verzoeker] tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilversum ongegrond verklaard en zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. [verzoeker] heeft tijdens de zitting verzocht om deze kwestie in de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening mee te nemen. Zoals ook tijdens de zitting met hem is gesproken, kan dit niet. [verzoeker] moet eerst op de voorgeschreven wijze hoger beroep instellen bij de Afdeling voordat hij om een voorlopige voorziening kan vragen. Dit heeft hij tot op heden nog niet gedaan.
4. De voorzieningenrechter merkt verder nog het volgende op. Dit is niet de eerste keer dat [verzoeker] de voorzieningenrechter heeft verzocht om executiemaatregelen op te schorten. Bij uitspraken van 27 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6457 en ECLI:NL:RVS:2025:6458) heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van [verzoeker] omdat het geschil een privaatrechtelijke kwestie betreft. Alleen de burgerlijke rechter is bevoegd om van dit geschil kennis te nemen. Een nieuw (vrijwel) identiek verzoek heeft de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk verklaard omdat dit verzoek niet is gedaan in het kader van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure bij de bestuursrechter, zie de uitspraak van 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4368). Kort daarna heeft [verzoeker] op 17 maart 2026 wederom een (vrijwel) identiek verzoek gedaan. Bij brief van 24 maart 2026 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraken, [verzoeker] uitgelegd waarom de Afdeling in deze kwestie niets voor hem kan betekenen en dat zijn verzoek niet in behandeling zou worden genomen. In reactie hierop heeft [verzoeker] opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat er inmiddels sprake is van een patroon van veelvuldig procederen bij de bestuursrechter, waarbij voor [verzoeker] op voorhand duidelijk was of zou moeten zijn dat die procedures kansloos zijn. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [verzoeker] ook bij de sector bestuursrechtspraak van de rechtbank Midden-Nederland over ditzelfde feitencomplex meerdere procedures heeft gestart of heeft willen starten. In al die procedures stelt hij steeds opnieuw executiegeschillen aan de orde, terwijl zowel de rechtbank als de (voorzieningenrechter van de) Afdeling daarover al eerder en meerdere keren hebben geoordeeld dat deze procedures bij de burgerlijk rechter moeten worden gevoerd. Desondanks blijft [verzoeker] consequent procedures starten en verzoeken om voorlopige voorzieningen indienen. Daarnaast belt [verzoeker] in de procedures bij de Afdeling vaak meerdere keren per dag met verschillende medewerkers en stuurt hij zeer regelmatig stukken in. Veel van zijn stukken zijn een herhaling van wat hij al eerder heeft aangevoerd of ingestuurd en/of het zijn stukken waarvan de relevantie voor de procedure ontbreekt. Dit zorgt ervoor dat de behandeling van zijn zaak bij de Afdeling onevenredig veel tijd in beslag neemt.
6. Bij uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3628, heeft de Afdeling geoordeeld dat in procedures waarbij de belanghebbende rechtsmiddelen heeft ingesteld waarvan hij geacht moet worden te weten dat die evident geen kans van slagen hebben, sprake kan zijn van misbruik van recht en het (hoger) beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
7. De voorzieningenrechter begrijpt dat de loonbeslagen en executiemaatregelen een grote impact hebben op het dagelijks leven van [verzoeker]. Dit vormt echter geen rechtvaardiging voor zijn procedeergedrag. Zowel de rechtbank als de Afdeling hebben [verzoeker] herhaaldelijk uitgelegd waarom de bestuursrechter in deze kwestie niets voor hem kan betekenen. Van het door [verzoeker] gestelde rechtsvacuüm is geen sprake, omdat de burgerlijke rechter in deze kwestie bevoegd is om van zijn geschil kennis te nemen. Uit de overgelegde stukken volgt dat [verzoeker] hiermee bekend is en ook bij de burgerlijke rechter verschillende procedures over dit feitencomplex heeft gevoerd. Dat deze procedures niet het door [verzoeker] gewenste uitkomst hebben gehad, betekent niet dat hij dit geschil kan voorleggen aan de bestuursrechter.
8. Gelet op voorgaande zal de Afdeling in het vervolg bij procedures die [verzoeker] bij haar aanhangig maakt steeds eerst onderzoeken of hij met die nieuwe procedure misbruik van recht maakt. De Afdeling zal er, gelet op het hiervoor geschetste patroon in het procedeergedrag van [verzoeker], voorshands vanuit gaan dat daarvan sprake is. Omdat de Afdeling voor toekomstige zaken uitgaat van het vermoeden dat [verzoeker] misbruik van recht maakt, zal hem in beginsel geen vrijstelling van griffierecht worden verleend.
Conclusie
9. Het verzoek is niet-ontvankelijk.
10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzieningenrechter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026
1064