Uitspraak 202302725/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4391
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 22/1097. De minister voor Rechtsbescherming heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. Het betreft een advies van het Openbaar Ministerie. [appellant] heeft de minister verzocht om openbaarmaking van een aantal documenten over de landsadvocaat. De minister heeft dat verzoek afgewezen vanwege de veiligheid van de staat en omdat openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank heeft overwogen dat de minister dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank. De minister heeft de documenten waarop het verzoek van [appellant] ziet aan de Afdeling toegestuurd. Voor deze documenten gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
202302725/2/A3.
Datum beslissing: 30 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 22/1097 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister voor Rechtsbescherming.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 22/1097.
De minister heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het betreft een advies van het Openbaar Ministerie (het advies).
Overwegingen
1. [appellant] heeft de minister verzocht om openbaarmaking van een aantal documenten over de landsadvocaat. De minister heeft dat verzoek afgewezen vanwege de veiligheid van de staat en omdat openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank heeft overwogen dat de minister dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank.
2. De minister heeft de documenten waarop het verzoek van [appellant] ziet aan de Afdeling toegestuurd. Voor deze documenten gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.
De minister heeft de Afdeling verder wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het advies kennis zal nemen. De minister verwijst voor de motivering van zijn besluit naar dit advies. Het advies bevat informatie van het Openbaar Ministerie over de veiligheid van de staat en kan om die reden niet worden gedeeld met [appellant].
3. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
4. De Afdeling heeft kennisgenomen van het advies. Zij stelt vast dat het informatie bevat die betrekking heeft op de veiligheid van de staat. Als [appellant] daarvan kennisneemt, zou dat het belang van de veiligheid van de staat in gevaar kunnen brengen. Naar het oordeel van de Afdeling weegt dit belang van de veiligheid van de staat zwaarder dan het belang dat [appellant] kennisneemt van het advies.
5. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026
290