Uitspraak BRS.26.003607
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4370
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister van Asiel wn Migratie een aanvraag van betrokkene om verlenging van haar verblijfsdocument EU/EER, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.003607
ECLI:NL:26:4370
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 juni 2026 in zaak nr. NL26.4799 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om verlenging van haar verblijfsdocument EU/EER, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Bij besluit van 20 januari 2026 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 22 april 2025 herroepen, de minister opgedragen om zo snel als mogelijk, in ieder geval binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak, het gevraagde document aan betrokkene af te geven en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026
977