Uitspraak BRS.26.003856
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4378
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Voorlopige voorziening
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.003856
ECLI:NL:RVS:2026:4378
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 15 juli 2026 in zaak nr. NL26.37170 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2026 heeft de minister verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de minister daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De minister heeft verzoeker op 3 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000, met het oog op zijn overdracht aan Frankrijk. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de minister de vreemdelingenbewaring moet opheffen. Volgens hem mag de vreemdelingenbewaring niet voortduren, omdat in het overdrachtsbesluit van 14 juli 2026 staat dat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft tot aan zijn overdracht.
2. Andere vereisten daargelaten, staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening dat een persoon in bewaring mag worden gehouden om overdrachtsprocedures overeenkomstig die verordening veilig te stellen. In het derde lid staat dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van die verordening is uitgevoerd. De vraag of verzoeker rechtmatig verblijf heeft is niet relevant voor de beoordeling of de bewaring mag voortduren.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1020