Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202400874/1/R2

Uitspraak 202400874/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4449
Datum uitspraak
29 juli 2026
Inhoudsindicatie
Het bestemmingsplan ‘XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)’ van de gemeente Eindhoven is definitief. Dit betekent dat de gemeente door kan met de plannen voor de bouw van ruim 240 woningen op het voormalige terrein van Philips Packaging aan de Cederlaan in Eindhoven. Enkele omwonenden kwamen tegen het bestemmingsplan in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Hun bezwaren gaan vooral over de hoogte en de positionering van de gebouwen. Een woontoren mag 45 meter hoog worden, wat zij veel te hoog vinden. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft de omwonenden op dit punt geen gelijk. Op een ander punt constateert de Afdeling bestuursrechtspraak wel een gebrek in het bestemmingsplan. In het plan staat namelijk niet dat de aanleg van 8 m2 aan groenvoorzieningen per toegevoegde woning op de gronden binnen het plangebied gebeurt. De advocaat van de gemeenteraad heeft tijdens de rechtszitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak op 8 mei verklaard dat de gemeenteraad dit wel heeft bedoeld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de regel in het bestemmingsplan daarom aangepast en hiermee met de uitspraak van vandaag 'zelf in de zaak voorzien', zoals dat heet. Het geconstateerde gebrek is hiermee hersteld en de procedure is hiermee afgerond. Het bestemmingsplan voor de bouw van ruim 240 woningen in Eindhoven is daarmee definitief geworden.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202400874/1/R2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend in Eindhoven,

2.       [appellant sub 2], wonend in Eindhoven,

3.       [appellant sub 3], wonend in Eindhoven,

4.       [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend in Eindhoven,

5.       [appellante sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend in Eindhoven,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Eindhoven,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 16 december 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).

[appellant sub 3], BPD Ontwikkeling B.V. en [appellant sub 1] hebben daarover een zienswijze naar voren gebracht.

De raad en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 mei 2026, waar [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5], en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.M.E.F.L. van Hoof-Pijnenburg en drs. ing. R.A.P. van Dongen, bijgestaan door mr. R. Benhadi, advocaat in Nijmegen, zijn verschenen. [appellant sub 4A] heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verder is op de zitting BPD Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 22 juni 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Relevante wet- en regelgeving

2.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in deze uitspraak, dan wel in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3.       Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van het voormalige terrein van Philips Packaging aan de Cederlaan 2 in Eindhoven naar woningen. Het plan maakt de bouw van maximaal 242 woningen mogelijk ("het Drukkerijkwartier"), in verschillende woningtypen. Het plangebied ligt ten westen en binnen de schil van het centrum van Eindhoven in de wijk "Schoot" en grenst in het zuiden aan de Cederlaan.

4.       [appellanten] wonen naast het plangebied. Zij kunnen zich niet met het bestemmingsplan verenigen, omdat zij vrezen voor een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Hun bezwaren gaan vooral over de hoogte en positionering van de bebouwing.

5.       De raad heeft, hangende het beroep, het herstelbesluit genomen. Daarbij heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld en het oorspronkelijke besluit van 19 december 2023 geheel vervangen.

Met het herstelbesluit heeft de raad, onder meer, een planregel toegevoegd waarin is gewaarborgd dat de ontsluiting op de Kreugelstraat alleen mag worden gebruikt voor langzaam verkeer. Daarnaast is een aantal onderzoeken geactualiseerd.

Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

Het herstelbesluit komt niet geheel tegemoet aan de bezwaren van [appellanten]. Daarom is dit besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ook onderwerp van dit geding. De beroepen van [appellanten] zijn van rechtswege ook gericht tegen dit besluit.

6.       De Afdeling zal hierna eerst de beroepen tegen het herstelbesluit bespreken. Daarna zal de Afdeling bezien of er nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen het oorspronkelijke besluit van 19 december 2023.

Toetsingskader

7.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Ingetrokken beroepsgronden

8.       [appellant sub 1] heeft op de zitting zijn beroepsgronden over bodem, fauna, stikstof, verbod op verhuur woningen, zelfbewoningsplicht en zero-emissie ingetrokken.

Bouwhoogte woontoren

9.       [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5] richten zich in beroep tegen de beoogde woontoren. Zij voeren verschillende beroepsgronden aan, die de Afdeling hierna zal bespreken.

- Bouwhoogte past niet in omgeving

10.     [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5] betogen dat de toegestane maximale bouwhoogte van de voorziene woontoren van 45 m te hoog is. Deze hoogte is in strijd met een goede ruimtelijke ordening en sluit niet aan bij de bebouwing in de omgeving, waar de bouwhoogtes een stuk minder hoog zijn. Zij voeren aan dat omwonenden alternatieven hebben aangedragen, waaronder het beperken van de hoogbouw tot vijf á zes woonlagen, waarbij het verlies aan bouwhoogte wordt opgevangen door de bebouwing aan de Cederlaan te verhogen. Ook hebben zij voorgesteld om de woontorens te splitsen in twee kleinere torens van eveneens vijf á zes woonlagen. Met deze aangedragen alternatieve uitvoeringen heeft de raad ten onrechte niets gedaan.

10.1.  Op grond van het bestemmingsplan "Strijp- Gestel- en Stratum binnen de Ring en Bloemenbuurt-Zuid 2020" geldt voor de noordelijk van het plangebied gelegen woningen, waaronder de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5], een maximale bouwhoogte van 10 m. Direct ten westen van het plangebied staat een woongebouw waarvoor een maximumbouwhoogte van 22 m geldt. Ten oosten van de Schootsestraat geldt op grond van het bestemmingsplan "Strijp-S 2017" een maximale bouwhoogte van 20 m.

10.2.  De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Bij de keuze van een bestemming moet de raad een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

10.3.  De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 18 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2943) geoordeeld dat de raad voldoende heeft gemotiveerd waarom de bouwhoogte van 45 m en de positie van de woontoren in stedenbouwkundig opzicht passend zijn, en in overeenstemming zijn met het hoogbouwbeleid uit 2008 van de gemeente Eindhoven. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. In het geactualiseerde memo "Hoogbouw Effect Rapportage", dat als bijlage 16 bij de plantoelichting van het herstelbesluit is gevoegd (memo Hoogbouw), heeft de raad de beoogde woontoren getoetst aan het hoogbouwbeleid uit 2008. In het memo Hoogbouw staat dat de hoogte van de woontoren aansluit bij de hoogtes in de omgeving. Het hoogteaccent wordt gezien als een verbindend element tussen gebouwen en gebiedsdelen, zo staat onder 1. van paragraaf B. van het memo. De toren versterkt de herkenbaarheid van de stedelijke hoofdstructuur en de skyline van de stad Eindhoven. De toren wordt getypeerd als een structuurdrager die de Cederlaan begeleidt vanaf de ringweg naar het centrum, en daarmee is de toren kenmerkend voor de entree vanaf de snelweg tot het centrum van Eindhoven of tussen Eindhoven Airport en het centraal station. De toren is op ruime afstand gesitueerd van de bestaande grondgebonden woningen aan de noord- en oostzijde, waarmee een logische overgang ontstaat van laag naar hoog. Het betoog dat de maximale bouwhoogte van de woontoren niet passend is, volgt de Afdeling daarom niet.

10.4.  De raad heeft de door omwonenden voorgestelde alternatieve uitvoeringen afgewogen bij de vaststelling van het plan. In de zienswijzennota en het memo Hoogbouw staat dat de raad de alternatieven heeft voorgelegd aan de architect, de stedenbouwkundige en aan een geluidsdeskundige.

Op pagina 7 van het memo Hoogbouw heeft de raad nader toegelicht waarom het verlagen van de beoogde woontoren en het ophogen van de geprojecteerde bebouwing aan de Cederlaan geen geschikt alternatief is. In de eerste plaats geldt bij de geprojecteerde bouwblokken aan de Cederlaan een hogere geluidbelasting dan bij de hoger gelegen verdiepingen van de beoogde woontoren. Dit betekent dat de te verplaatsen woningen over een geluidluwe gevel zouden moeten beschikken, terwijl dat niet nodig is als de woontoren wordt uitgevoerd volgens het bestreden plan. Daarnaast betekent dit voorgestelde alternatief een verslechtering van de beoogde ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De ophoging van de bebouwing aan de Cederlaan zal meer schaduwwerking veroorzaken, wat nadelige gevolgen heeft voor het binnenterrein en de belevingswaarde daarvan.

Het tweede aangedragen alternatief, namelijk het splitsen van de woontoren in twee torens van ieder maximaal zes verdiepingen, vindt de raad niet geschikt omdat dit gepaard zal gaan met een groter grondbeslag en daarmee ten koste zal gaan van de openbare ruimte in het gebied. Op pagina 8 van het memo Hoogbouw staat dat bij dit alternatief een grotere footprint moet worden toegepast om een gelijk aantal woningen te kunnen realiseren, terwijl bereikbaarheid en een gezonde leefomgeving met groen, speelplekken en waterberging belangrijk zijn bij de verdichtingsopgave. Op pagina 8 van het memo Hoogbouw staat dat bij een gelijkblijvende oppervlakte aan openbare ruimte en groen, het aantal te realiseren woningen bijna gehalveerd zou worden ten opzichte van het huidige plan met daarin een woontoren van 45 m recht achter de bestaande laagbouw. De raad heeft verder nog toegelicht dat geen van de aangedragen alternatieven voorziet in het door de raad gewenste hoogteaccent.

Gelet op het voorgaande, heeft de raad toereikend gemotiveerd waarom hij niet voor een van de aangedragen alternatieven heeft gekozen.

Het betoog slaagt niet.

- Bezonning

11.     [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5] betogen dat de beoogde woontoren zorgt voor een onaanvaardbare afname van de bezonning op hun percelen. [appellant sub 1] wijst erop dat het aantal zonuren op zijn perceel met 75% zal afnemen in de periode oktober tot en met februari, wat zal leiden tot een verminderde opbrengst van zijn zonnepanelen. Op de zitting heeft ook [appellant sub 3] gewezen op het verlies van rendement van zonnepanelen, omdat hij in de toekomst van zonnepanelen gebruik zou willen maken.

11.1.  Voor de bezonning van woningen bestaan geen wettelijke normen. Dat neemt niet weg dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging moet maken van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De raad heeft het memo "Bezonning Cederlaan" van BRO van 16 januari 2025 aan het herstelbesluit ten grondslag gelegd. In deze schaduwstudie is de invloed van de in het plan voorziene bebouwing op de omgeving in beeld gebracht. De schaduwstudie is een actualisatie van de eerdere studie "Drukkerijkwartier - Eindhoven" van awg architecten, van februari 2023, waarin is getoetst aan de op 10 januari 2017 door het college van Eindhoven vastgestelde Beleidsregels voor bezonning woningen 2017 (bezonningsbeleid van 2017). Beide schaduwstudies zijn in bijlage 12 bij de plantoelichting gevoegd.

11.2.  Uit het bezonningsbeleid van 2017 volgt, onder meer, dat in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober minimaal twee uur zonneschijn per dag aanwezig moet kunnen zijn op de gevel van een woning, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. Verder geldt dat in de periode van 21 maart tot en met 21 september minimaal twee uur zonlicht per dag op enig punt in de achtertuin of op het balkon aanwezig moet kunnen zijn. Zonlicht in de tuin of het balkon mag in de nieuwe situatie in tijdsduur niet meer dan 50% verminderen ten opzichte van de bestaande situatie. Deze periode vloeit voort uit het gegeven dat buiten verblijven in de tuin of op het balkon pas waarde krijgt wanneer de temperatuur het buiten verblijven aangenaam maakt.

11.3.  De Afdeling overweegt dat het plan weliswaar zorgt voor extra schaduw op de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5], maar dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat die extra schaduw niet onaanvaardbaar is.

Van belang is dat uit de uitgevoerde schaduwstudies volgt dat ter plaatse van de gevels van de woningen aan de Kreugelstraat aan de norm uit het bezonningsbeleid van 2017 wordt voldaan. De Afdeling stelt vast dat, zoals de voorzieningenrechter in zijn uitspraak heeft overwogen, in de schaduwstudie ook rekening is gehouden met de lagere bebouwing waarin het plan voorziet. Hoewel er in de wintermaanden momenten van langerdurende schaduw zijn op de achtergevels van de woningen aan de Kreugelstraat ten opzichte van de situatie nu, is ook dan nog steeds minimaal twee uur zonlicht per dag mogelijk op de gevels van de woningen. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5] hebben dit niet bestreden.

Verder is van belang dat uit de uitgevoerde schaduwstudies volgt dat eveneens wordt voldaan aan het in het bezonningsbeleid van 2017 opgenomen uitgangspunt dat minimaal twee uur zonlicht op enig punt in de achtertuin aanwezig moet zijn in de periode van 21 maart tot en met 21 september, waarbij zonlicht in de nieuwe situatie in tijdsduur niet meer dan 50% vermindert ten opzichte van de bestaande situatie. De stelling van [appellant sub 1] dat de bezonning op zijn perceel met 75% afneemt, heeft hij niet onderbouwd. De Afdeling volgt dan ook het standpunt van de raad dat, gelet hierop, en in aanmerking genomen dat het gebied een stedelijke omgeving betreft, het bestreden plan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder in de tuinen van de woningen aan de Kreugelstraat.

Overigens is in de geactualiseerde schaduwstudie van 2025 ook getoetst aan het meest recente bezonningsbeleid in de door het college op 28 juni 2024 vastgestelde Beleidsregels voor bezonning woningen 2024, en geconcludeerd dat ook aan de daarin opgenomen normen wordt voldaan.

11.4.  Hoewel uit vaste rechtspraak volgt dat de raad niet verplicht is een stedelijke omgeving zo in te richten dat bestaande zonnepanelen optimaal gebruikt kunnen worden (uitspraak van de Afdeling van 5 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3982), moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan wel het belang van eigenaren van gebouwen bij het kunnen opwekken van duurzame energie betrekken.

De stellingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] over het verlies van rendement van zonnepanelen kunnen echter niet leiden tot een geslaagd betoog. Van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] mocht namelijk worden verwacht dat zij hun belang en de mate waarin zij daarin door het plan geraakt worden, meer concreet aan de raad zouden hebben voorgelegd. Dat hebben zij niet gedaan. Zoals hiervoor is overwogen heeft [appellant sub 1] zijn stelling dat de bezonning op zijn perceel met 75% afneemt, niet onderbouwd. [appellant sub 3] heeft voor het eerst op de zitting naar voren gebracht dat hij in de toekomst zonnepanelen zou willen plaatsen, terwijl niet is gebleken dat hij dit voornemen eerder, voldoende concreet kenbaar heeft gemaakt aan de raad.

De betogen slagen niet.

- Privacy

12.     [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5] betogen dat de positionering en de bouwhoogte van de beoogde woontoren leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy aan de achterzijde van hun percelen, waaronder in hun tuinen. [appellanten sub 5] wijzen erop dat onduidelijk is of de beoogde woningen een raampartij aan de achterzijde krijgen.

12.1.  Hoewel aannemelijk is dat de privacy van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5] in enige mate wordt aangetast door de bebouwing die het bestreden plan toestaat, heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat die aantasting niet zodanig is dat er in zoverre geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft toegelicht dat hij het verlies van privacy, afgezet tegen het woningbouwbelang, in de gegeven omstandigheden aanvaardbaar vindt. Bij die afweging heeft de raad van belang mogen achten dat de kortste afstanden tussen het bouwvlak waar de beoogde woontoren kan worden gebouwd en een perceelsgrens, respectievelijk een woning aan de Kreugelstraat, meer dan 50 m, respectievelijk 70 m bedragen. De kortste afstanden tussen een bouwvlak waar een grondgebonden woning is voorzien en een perceelsgrens en woning aan de Kreugelstraat zijn respectievelijk 7,5 m en 17 m. Dit zijn geen ongebruikelijke afstanden in een stedelijk gebied. Wat [appellanten sub 5] aanvoeren over de positie van ramen in het beoogde gebouw, gaat niet over het bestreden plan maar over de uitvoering ervan. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de bouw van de woningen die het plan mogelijk maakt, wordt geregeld in het besluit tot het verlenen van de daarvoor benodigde omgevingsvergunning.

Het betoog slaagt niet.

- Hinder door stemgeluid

13.     [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5] betogen dat het plan leidt tot geluidhinder door stemgeluid van de nieuwe bewoners van de in het plan voorziene woontoren. [appellant sub 1] wijst op de positionering van de balkons en het gebrek aan geluiddempende objecten, zoals struiken en bomen.

13.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat stemgeluid als gevolg van het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5]. Daarbij heeft de raad belang mogen toekennen aan de hiervoor onder 12.1 genoemde afstanden tussen de voorziene woontoren en de percelen en woningen aan de Kreugelstraat. Verder wijst de raad er terecht op dat stemgeluid inherent is aan het wonen in een stedelijke omgeving. Overigens heeft de raad nog verwezen naar het rapport "Quickscan milieuaspecten ten behoeve van ruimtelijke onderbouwing Cederlaan 2 Eindhoven" van 29 september 2025 van De Roever Omgevingsdienst, dat als bijlage 13 bij de plantoelichting is gevoegd. Daarin is geconcludeerd dat de geluidbelasting van stemgeluid in zoverre niet relevant is, mede gelet op het huidige geluidniveau in het gebied dat inherent is aan het stedelijke karakter van het gebied.

Het betoog slaagt niet.

Bouwhoogte grondgebonden woningen

14.     [appellanten sub 4] betogen dat de toegestane maximale bouwhoogte van de twee voorziene grondgebonden woningen direct achter hun perceel te hoog is. De bouwhoogte van 7,5 m zorgt voor een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht. Ook zal de bezonning in de achtertuin meer dan 50% verminderen ten opzichte van de bestaande situatie, wat in strijd is met het bezonningsbeleid van 2017. De uitgevoerde schaduwstudie is volgens hen onjuist, want de daarin gebruikte plattegrond komt niet overeen met de verbeelding van het bestemmingsplan. [appellanten sub 4] betogen dat er geschikte alternatieven zijn, zoals een vervangend plantsoen of twee gelijkvloerse woningen met een bouwhoogte van maximaal 3,5 m.

14.1.  [appellanten sub 4] wonen op het perceel [locatie 1]. Aan de gronden direct achter hun perceel is de bestemming "Wonen" met een bouwvlak toegekend. Daar geldt een maximum bouwhoogte van 7,5 m.

14.2.  Zoals onder 10.2 van deze uitspraak is overwogen, kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellanten sub 4] geen aanspraak kunnen maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit de woning, ook niet als het vorige bestemmingsplan daar geen bebouwing toestond. De raad moet het belang van aantasting van het uitzicht wel betrekken in zijn belangenafweging.

14.3.  De Afdeling stelt vast dat [appellanten sub 4] de in hun beroepschrift voorgestelde alternatieven niet hebben aangedragen in een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan. In het verweerschrift heeft de raad in reactie op de alternatieven gemotiveerd dat hij een afweging heeft gemaakt waarbij hij verschillende aspecten heeft betrokken. De woningbouwopgave, gecombineerd met het zorgvuldig gebruik van schaarse ruimte, maken verdichting in stedelijk gebied onvermijdelijk. Die belangen wegen volgens de raad zwaarder dan de belangen van [appellanten sub 4] bij het behoud van een vrijer uitzicht. De toegestane bouwhoogte van 7,5 m is volgens de raad ook niet uitzonderlijk in een stedelijke omgeving. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee deugdelijk gemotiveerd waarom hij heeft gekozen voor twee woningen van maximaal 7,5 m hoog op de gronden achter de woning van [appellanten sub 4], en niet voor één van de door hen aangedragen alternatieven.

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd met het bezonningsbeleid van 2017 zorgt voor een vermindering van 50% zonlicht in de tuin van [appellanten sub 4] ten opzichte van de bestaande situatie. Volgens bijlage 2 bij het beroepschrift hebben [appellanten sub 4] de nieuwe situatie beschouwd op 21 december, terwijl de norm uit het bezonningsbeleid van 2017 voor zonlicht in de tuin alleen geldt in de periode van 21 maart tot en met 21 september, als de temperatuur het buiten verblijven aangenaam maakt. Zoals onder 11.3 van deze uitspraak is overwogen, volgt uit de uitgevoerde schaduwstudies dat aan deze norm ter plaatse van de tuinen van de woningen aan de Kreugelstraat wordt voldaan. Weliswaar hebben [appellanten sub 4] er terecht op gewezen dat de in de schaduwstudie van 2023 gebruikte schematische weergave van de bouwvlakken niet volledig overeenkomt met de verbeelding van het bestreden plan, maar die afwijking is niet zodanig dat deze leidt tot een andere conclusie.

De betogen slagen niet.

Natuur en groen

15.     [appellant sub 1] betoogt dat het plan leidt tot een onaanvaardbare afname van groen, die niet wordt gecompenseerd. Hij voert aan dat het plan te weinig groenvoorzieningen mogelijk maakt, waardoor hittestress toeneemt. Weliswaar is in artikel 5.2.7 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen op grond waarvan per toegevoegde woning 8 m² aan groenvoorzieningen moet worden gerealiseerd, maar niet is geborgd dat daaronder niet ook al bestaand groen, zoals de speeltuin naast zijn woning, zal worden gerekend. Ook vreest [appellant sub 1] dat de voorwaardelijke verplichting niet zal worden nageleefd, of dat de groenvoorzieningen (vooral) op gronden buiten het plangebied worden gerealiseerd.

15.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een afname van groenvoorzieningen maar juist een aanzienlijke verbetering betekent. Het plangebied was voorheen namelijk vrijwel volledig verhard door de vestiging van het bedrijf "Eindhoven Packaging", met slechts enkele groenvoorzieningen. In de nieuwe situatie wordt ingezet op het behoud van negen van de twaalf in het plangebied aanwezige bomen. Verder heeft de raad artikel 5.2.7 in de planregels opgenomen, waarin is gewaarborgd dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen, per toegevoegde woning, binnen een periode van anderhalf jaar, minimaal 8 m² aan groenvoorzieningen wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Dit komt neer op 1.936 m² aan groenvoorzieningen, aldus de raad.

15.2.  De Afdeling stelt vast dat aan de gronden van het plangebied in het voorheen geldende plan "Strijp binnen de Ring 2007" de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" was toegekend. Deze bestemming maakte bedrijven mogelijk met, onder meer, daarbij behorende groenvoorzieningen.

In het bestreden plan is aan de gronden van het plangebied grotendeels de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 5.1.1 van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen" bestemd voor grondgebonden woningen en gestapelde woningen met, onder meer, de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen en groenvoorzieningen.

15.3.  Artikel 5.2.7 (voorwaardelijke verplichting groenopgave) van de planregels luidt:

"1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen staat vast dat wordt voorzien in minimaal 8 m² aan groenvoorzieningen per toegevoegde woning.

2. Het gebruiken of (doen) laten gebruiken van de gronden en gebouwen als bedoeld in artikel 5.1, is slechts toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de groenvoorzieningen van 8 m² groen per toegevoegde woning, zoals bedoeld in lid 1, binnen 1,5 jaar na realisatie van de woningen zijn gerealiseerd, en

b. de groenvoorzieningen als bedoeld in sub a in stand worden gehouden.

3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 mogen de gronden en gebouwen als bedoeld in artikel 5.1 gebruikt worden tot 1,5 jaar na realisatie van de woningen."

15.4.  De Afdeling stelt vast dat uit artikel 5.2.7, eerste lid, van de planregels niet volgt dat de aanleg van 8 m² aan groenvoorzieningen per toegevoegde woning binnen het plangebied gebeurt, terwijl de raad op de zitting heeft verklaard dat hij dit wel heeft bedoeld. Dit betekent dat de raad niet heeft geregeld wat hij heeft beoogd. Om die reden is de Afdeling van oordeel dat de raad het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid, wat in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt in zoverre.

15.5.  De Afdeling zal hierna, onder 24, overwegen of zij aanleiding ziet om artikel 5.2.7, eerste lid, van de planregels zelf voorziend aan te passen. Bij de verdere beoordeling van de beroepsgrond van [appellant sub 1] zal de Afdeling ervan uitgaan dat alsnog in het plan wordt geregeld dat per toegevoegde woning, 8 m² aan groenvoorzieningen wordt gerealiseerd op de gronden van het plangebied, zoals de raad bij de vaststelling van het plan heeft beoogd.

15.6.  De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat het plan voldoende groenvoorzieningen mogelijk maakt. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, leidt het plan niet tot een afname van groenvoorzieningen ten opzichte van de voorheen geldende planologische situatie, en ook niet ten opzichte van de feitelijke situatie waarin het terrein braak ligt. Dit betekent dat compensatie niet aan de orde is.

Verder is de Afdeling, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat uit artikel 5.2.7 van de planregels voldoende duidelijk volgt dat de daar bedoelde groenvoorzieningen nieuw aan te leggen groenvoorzieningen zijn. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, volgt uit dit artikel niet dat bestaand groen, zoals de speeltuin naast zijn woning, kan worden aangemerkt als te realiseren groenvoorzieningen als bedoeld in de voorwaardelijke verplichting. De raad heeft dit eerder op de zitting bij de voorzieningenrechter ook bevestigd.

Over de vrees van [appellant sub 1] dat de voorwaardelijke verplichting in artikel 5.2.7 van de planregels niet wordt uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat de voorwaarde in het eerste lid van dat artikel wordt getoetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de beoogde woningen. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat de raad er op voorhand van had moeten uitgaan dat hieraan niet kan of zal worden voldaan. Daarbij is van belang dat de raad heeft toegelicht dat in het plangebied voldoende ruimte is om de totale hoeveelheid groenvoorzieningen te realiseren, en [appellant sub 1] heeft dat niet bestreden. Het behoud van de groenvoorzieningen is een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

De Afdeling is verder van oordeel dat de raad zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van hittestress. Daarbij heeft de raad van belang mogen achten dat het gaat om een binnenstedelijke omgeving, waarbij geldt dat de verharding met het bestreden plan niet toeneemt in vergelijking met het vorige plan.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

Kappen van bomen

16.     [appellant sub 1] en [appellanten sub 5] betogen dat het plan ten onrechte niet voorziet in compensatie van de al gekapte en te kappen bomen. [appellant sub 1] wijst op de voorgenomen kap van drie beeldbepalende en in goede conditie verkerende Pinussen. [appellant sub 1] en [appellanten sub 5] voeren aan dat er verschillende bomen zijn gekapt, terwijl onduidelijk is of hiervoor een herplantplicht geldt. [appellant sub 1] voert daarnaast aan dat in het plan ten onrechte niets is geregeld over het behoud en de bescherming van een oude beuk aan de kant van de Kreugelstraat.

16.1.  Bij de voorbereiding van het plan heeft de raad een boomeffectanalyse laten uitvoeren door Pius Floris Boomverzorging. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Boom Effect Analyse Cederlaan, Eindhoven" van 28 april 2021, van Pius Floris Boomverzorging (BEA), dat als bijlage 4 bij de plantoelichting is gevoegd. In de BEA is in beeld gebracht wat de invloed van de geplande werkzaamheden is op de bomen binnen en in de directe omgeving van het plangebied.

16.2.  De raad stelt zich onder verwijzing naar paragraaf 3.8.3 van de plantoelichting op het standpunt dat weliswaar een aantal bomen is gekapt, maar deze verwijdering verband houdt met saneringswerkzaamheden vanwege de beëindigde bedrijfsactiviteiten van Signify. Het gaat om de bomen die op de overzichtsfoto op pagina 4 van de BEA zijn aangeduid met nummers 1 t/m 4. De verwijdering van boom nummer 5 is evenmin het gevolg van het bestreden plan, want dit was een dode boom. De Afdeling ziet geen grond om aan de juistheid van dit standpunt van de raad te twijfelen, want [appellant sub 1] en [appellanten sub 5] hebben dit niet bestreden. Overigens heeft de raad in het verweerschrift en de plantoelichting nog toegelicht dat een bedrag in het Bomen Compensatie Fonds wordt gestort, en dit bedrag wordt besteed aan het vergroenen van de directe omgeving van het plangebied.

16.3.  De op de overzichtsfoto op pagina 4 van de BEA aangeduide bomen met nummers 7, 8 en 9 zullen worden gekapt als gevolg van het plan. Die kap is volgens de raad noodzakelijk omdat de bomen zich grotendeels of volledig bevinden op de gronden in het bouwvlak van de beoogde hoogbouw. De raad verwijst naar de BEA, waarin is gemotiveerd waarom het behoud van deze drie bomen niet mogelijk is. De Afdeling volgt het standpunt van de raad dat op grond van de Verordening bomen 2021 en de "Nadere regels voor compensatie Verordening bomen 2021" (Nadere regels) een compensatieplicht geldt voor deze bomen, zodat is verzekerd dat de gekapte bomen worden gecompenseerd. Deze compensatieplicht volgt uit artikel 1, in samenhang gelezen met artikel 2 van de Nadere regels. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gehouden was om een aanvullende compensatieplicht op te nemen in het plan, of dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is omdat er niet voldoende ruimte voor compensatie is.

Het betoog van [appellant sub 1] dat in het plan ten onrechte niets is geregeld over het behoud en de bescherming van een oude beuk aan de kant van de Kreugelstraat, volgt de Afdeling niet. De raad heeft op de zitting toegelicht dat het gaat om boom nummer 6 op de overzichtsfoto op pagina 4 van de BEA, en die boom zal behouden blijven. Het treffen van eventuele maatregelen ter bescherming van de boom en de wijze waarop deze worden uitgevoerd, is een uitvoeringskwestie die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

De betogen slagen niet.

Verkeer

17.     [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 5] betogen dat het extra verkeer als gevolg van het plan zal leiden tot verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties in onder meer hun straat.

[appellant sub 1] voert aan dat in de plantoelichting staat dat de verkeersgeneratie met 473 motorvoertuigen per etmaal zal toenemen als gevolg van het plan, maar de raad heeft daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat het terrein sinds 2017 niet meer wordt gebruikt. De totale toename is in werkelijkheid dus hoger, namelijk 1.032 motorvoertuigen per etmaal. Deze toename zal volgens [appellant sub 1] zorgen voor verkeersoverlast, omdat het verkeer bij de Cederlaan in de huidige situatie aan beide kanten regelmatig vast staat, vooral tijdens de spits.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 5] voeren aan dat verkeer dat via het westen het plangebied wil inrijden bij de ontsluiting aan de Cederlaan niet direct links kan afslaan, maar bij het kruispunt Cederlaan-Schootsestraat een U-bocht moet maken om op de juiste rijbaan van de Cederlaan te komen om vervolgens rechtsaf het plangebied in te rijden. Dit zal zorgen voor onveilige verkeerssituaties, en daarom zal het verkeer gaan uitwijken naar andere routes waaronder de route via de Kreugelstraat, waar ook een ontsluiting naar het plangebied is gesitueerd. Deze straat is momenteel autoluw en niet geschikt voor veel verkeersbewegingen. Daarvan is geen sprake meer als het verkeer hiernaar uitwijkt. [appellant sub 1] wijst erop dat dit voor verkeersonveilige situaties zal zorgen, omdat in de Kreugelstraat kinderen wonen en spelen, waaronder zijn eigen kinderen. [appellant sub 1] heeft alternatieven aangedragen bij de raad voor de verkeersafwikkeling, namelijk het omdraaien van de rijrichting van de Kreugelstraat en het verplaatsen van de stoplichten op de Cederlaan-Heesakkerstraat, maar daarmee is volgens hem niets gedaan.

[appellant sub 1] voert daarnaast aan dat in het verkeersonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met andere goedgekeurde of in behandeling genomen bouwplannen die ook kunnen zorgen voor extra verkeer op de Cederlaan.

17.1.  De raad heeft aan het herstelbesluit twee nieuwe verkeersrapporten ten grondslag gelegd, namelijk het rapport "Beoordeling ontsluiting woningbouwontwikkeling Cederlaan Eindhoven" van 4 september 2025 van Goudappel, en het rapport "Verkeersgeneratie en -afwikkeling herontwikkeling Cederlaan Eindhoven", van 8 september 2025 van Movares en BRO Adviseurs B.V. De rapporten zijn als bijlage 1 bij de plantoelichting gevoegd.

In het rapport van Goudappel staat dat de verkeersgeneratie als gevolg van het plan is berekend aan de hand van de kencijfers van de CROW-publicatie 744, waarbij is uitgegaan van de verstedelijkingscategorie "zeer sterk stedelijk" en de gebiedsindeling "schil centrum". Volgens het rapport bedraagt de verwachte verkeersgeneratie als gevolg van het plan maximaal 916 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De conclusie is dat de verkeersbewegingen goed kunnen worden opgevangen binnen de bestaande wegcapaciteit zonder dat dit gevolgen heeft voor de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid.

17.2.  De Afdeling ziet, evenals de voorzieningenrechter, in het betoog van [appellant sub 1] geen grond voor het oordeel dat de raad van een onjuist aantal verkeersbewegingen is uitgegaan. De Afdeling stelt vast dat in de verkeersrapporten van zowel Goudappel als van Movares en BRO Adviseurs staat dat de verkeersgeneratie van de op grond van het vorige bestemmingsplan toegestane functies, 559 motorvoertuigbewegingen per etmaal is. Dit betekent dat het bestreden plan per saldo zorgt voor een toename van 357 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Bij de beoordeling of de bestaande wegcapaciteit toereikend is om de verkeersgeneratie op te vangen, is in de rapporten echter uitgegaan van de totale verkeersgeneratie van 916 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

De stelling van [appellant sub 1] dat in het verkeersonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met andere goedgekeurde of in behandeling genomen bouwplannen die ook kunnen zorgen voor extra verkeer op de Cederlaan, deelt de Afdeling niet. De raad heeft op de zitting toegelicht dat in het door Goudappel gebruikte verkeersmodel voor het berekenen van de referentiesituatie, alle relevante concrete ontwikkelingen zijn betrokken waarover ten tijde van de vaststelling van het plan planologische besluitvorming heeft plaatsgevonden. De raad wijst op voetnoot 2 van pagina 5 van het rapport, waaruit volgt dat het aantal verkeersbewegingen worst case is berekend. Hier staat dat in het verkeersmodel al grotendeels rekening is gehouden met de extra verkeersbewegingen als gevolg van het bestreden plan, zodat de verkeerstoename in feite deels dubbel is meegenomen. [appellant sub 1] heeft hier niets tegenover gesteld, zodat de Afdeling geen aanknopingspunten ziet om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de raad.

17.3.  De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de berekende extra verkeersbewegingen zullen leiden tot verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties in de omgeving van het plangebied, waaronder in de Kreugelstraat. Daarvoor is het volgende van belang.

In paragraaf 3.7.1 van de plantoelichting is de raad nader ingegaan op de ontsluiting van het plangebied, onder verwijzing naar de verkeersrapporten. In de verkeersrapporten zijn verschillende alternatieve ontsluitingsroutes onderzocht. De raad heeft uiteindelijk gekozen voor een ontsluiting voor regulier verkeer aan de Cederlaan. De Afdeling is van oordeel dat de raad deze ontsluiting voldoende heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd dat de ontsluiting niet zal leiden tot verkeersonveilige situaties. In paragraaf 6 van het rapport van Goudappel staat dat een volwaardige aansluiting op de Cederlaan ruimtelijk gezien niet mogelijk is, vanwege de daar gelegen busbaan in het midden van de weg. De verliestijd voor het Hoogwaardige Openbaar Vervoer (HOV) zal dan toenemen en er zal een onveilige situatie ontstaan voor het fietsverkeer. Daarom is gekozen voor een ontsluiting volgens het "rechts in, rechts uit-principe". Dit houdt in dat vertrekkend verkeer verplicht rechtsaf slaat naar de verderop gelegen rotonde Cederlaan-Beukenlaan. Aankomend verkeer vanuit het oosten en noorden kan via een reguliere rechtsaf-beweging het plangebied bereiken. Het aankomende verkeer vanuit westelijke richting zal een U-bocht maken op het kruispunt Cederlaan - Schootsestraat, om zo op de noordelijke weghelft van de Cederlaan te geraken en alsnog rechtsaf te kunnen slaan. Dit is verkeerstechnisch en vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid de beste oplossing, zo wordt in het rapport van Goudappel geconcludeerd. Bovendien zal er naar verwachting sprake zijn van een combinatie van aanrijdroutes waardoor niet al het verkeer een U-bocht zal maken. Verkeer kan namelijk ook kiezen om de aanrijdroute via de Ekkerstraat - Batenhof - Heesakkerstraat te rijden, of vanuit een andere rijrichting naar het plangebied te rijden. De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie, want [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 5] hebben deze niet gemotiveerd bestreden.

Het betoog van [appellant sub 1] dat de raad de door hem aangedragen alternatieven voor de verkeersafwikkeling niet gemotiveerd heeft afgewogen bij de vaststelling van het plan, leidt niet tot de conclusie dat het herstelbesluit om die reden een gebrek bevat. De door [appellant sub 1] aangedragen alternatieven waren gericht op het ontlasten van de Kreugelstraat, terwijl de raad met het herstelbesluit in artikel 4.1, aanhef en onder h, van de planregels heeft gewaarborgd dat de ontsluiting aan de Kreugelstraat uitsluitend mag worden gebruikt door langzaam verkeer, hulpdiensten en utiliteitsverkeer. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 5] hebben geen redenen aangevoerd waarom deze in het herstelbesluit opgenomen gebruiksbeperking in zoverre niet zou voldoen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor de vrees dat het plan zal leiden tot verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties in de Kreugelstraat.

De betogen slagen niet.

Parkeren

18.     [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 5] betogen dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast in hun straat. Zij vrezen dat bewoners en hun bezoekers zullen uitwijken naar de parkeerplaatsen in de Kreugelstraat, want die straat ligt dicht bij het plangebied en daar geldt een laag parkeertarief in vergelijking met parkeerplaatsen in de buurt.

[appellant sub 1] voert aan dat het aantal voorziene parkeerplaatsen niet realistisch is, omdat in het uitgevoerde parkeeronderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met bouwplannen in de directe omgeving, waarbij duizenden extra woningen en appartementen worden gerealiseerd.

18.1.  Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de in het plan voorziene woningbouw aan de orde zal zijn, dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien, en dat de raad zich om die reden redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2762).

18.2.  In paragraaf 3.7.2 van de plantoelichting is de raad ingegaan op het onderwerp parkeren, onder verwijzing naar het rapport "Drukkerijkwartier" van 26 september 2025 van Kwirkey, dat als bijlage 3 bij de plantoelichting is gevoegd. In het rapport staat dat de totale parkeerbehoefte van het plan, inclusief de verplichte HOV-reductie, 131 parkeerplaatsen bedraagt, terwijl 149 parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de parkeergarage in het plangebied. Dit betekent dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, ook voor bezoekers. De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de uitgangspunten, berekeningen en conclusie in het rapport van Kwirkey, want [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 5] hebben die niet bestreden. Omdat de berekende parkeerbehoefte kan worden voorzien op eigen terrein, ziet de Afdeling geen reden waarom de raad rekening moest houden met de parkeerbehoefte van andere bouwplannen in de omgeving van het plangebied.

Gelet op het voorgaande, is de conclusie dat niet op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. Het betoog slaagt niet.

Overigens heeft de raad nog toegelicht dat voor de Kreugelstraat betaald parkeren geldt, en nieuwe bewoners niet in aanmerking komen voor een vergunning om daar te parkeren. Als de parkeerdruk om welke reden dan ook oploopt, kan de gemeente de parkeertarieven in de Kreugelstraat verhogen of elders verlagen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad dit bij voorbaat al had moeten doen.

Recht van erfdienstbaarheid

19.     [appellanten sub 4] voeren aan dat onduidelijk is of in het plan rekening is gehouden met het pad van 1,5 m breed naast hun perceel, waarop een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd. Behoud van dit pad is noodzakelijk omdat het toegang geeft tot de tuin en het terrein achter de schuur, en om onderhoud te kunnen uitvoeren aan de zijgevel.

19.1.  In de door [appellanten sub 4] overgelegde kopie van een notariële akte staat dat een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd op het pad van 1,5 m breed dat vanaf de Kreugelstraat langs de zijgevel van hun woning loopt, en toegang geeft tot de achtertuin. De erfdienstbaarheid is gevestigd voor de panden [locatie 1], 17, 19, 21 en 23, en omvat het recht om met kruiwagen of rijwiel over het pad te rijden.

Op de verbeelding van het bestreden plan is aan de gronden van het pad de bestemming "Wonen" toegekend, zonder de aanduiding "bouwvlak".

19.2.  De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het gebruik van het pad waarop het recht van erfdienstbaarheid is gevestigd, zoals beschreven in de notariële akte, in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Zoals toegezegd door de ontwikkelaar in de door [appellanten sub 4] overgelegde e-mail van 9 december 2022, en uitdrukkelijk bevestigd door de raad in het verweerschrift en op de zitting, zal de ontwikkelaar de erfdienstbaarheid bij de uitvoering van het plan respecteren.

Het betoog slaagt niet. Overigens heeft [appellant sub 4A] op de zitting te kennen gegeven dat met deze uitdrukkelijke toezegging een voor hen aanvaardbare oplossing is bereikt.

Waardevermindering woningen

20.     Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellanten] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

De betogen slagen niet.

Herhaling en inlassing zienswijze

21.     [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

De betogen slagen niet.

Conclusie beroepen en opdracht aan de raad

22.     Gelet op het voorgaande zijn de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] tegen het herstelbesluit van 16 december 2025 ongegrond.

23.     Zoals in overweging 15.4 van deze uitspraak is overwogen, heeft de Afdeling een gebrek vastgesteld in het herstelbesluit van 16 december 2025. De raad heeft in artikel 5.2.7, eerste lid, van de planregels niet geregeld wat hij beoogde te regelen, namelijk dat de aanleg van 8 m² aan groenvoorzieningen per toegevoegde woning binnen het plangebied gebeurt. Het herstelbesluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het herstelbesluit is gegrond. Het herstelbesluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover artikel 5.2.7, eerste lid, van de planregels niet bepaalt dat de daar bedoelde groenvoorzieningen worden gerealiseerd op de gronden van het plangebied.

24.     Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, namelijk door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het herstelbesluit van 16 december 2025. De Afdeling heeft dit op de zitting met partijen besproken.

25.     Artikel 5.2.7, eerste lid, van de planregels komt te luiden als volgt:

"Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen staat vast dat binnen het plangebied wordt voorzien in minimaal 8 m² aan groenvoorzieningen per toegevoegde woning."

26.     De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

27.     Het voorgaande betekent dat het herstelbesluit van 16 december 2025 grotendeels in stand blijft, en dat de Afdeling voor het vernietigde gedeelte zelf zal voorzien en bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 16 december 2025. Niet is gebleken dat [appellanten] onder deze omstandigheden nog een belang hebben bij een beoordeling van hun beroepen, voor zover gericht tegen het oorspronkelijke besluit van 19 december 2023. De Afdeling zal de beroepen tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Proceskosten

28.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen van [appellanten] tegen het besluit van de raad van de gemeente Eindhoven van 19 december 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)", niet-ontvankelijk;

II.       verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] tegen het besluit van de raad van de gemeente Eindhoven van 16 december 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)", ongegrond;

III.      verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van de raad van de gemeente Eindhoven van 16 december 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)", gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eindhoven van 16 december 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)", voor zover daarbij niet is bepaald dat de in artikel 5.2.7 van de planregels bedoelde groenvoorzieningen worden gerealiseerd op de gronden van het plangebied;

V.       bepaalt dat artikel 5.2.7, eerste lid, van de planregels komt te luiden als volgt: "Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen staat vast dat binnen het plangebied wordt voorzien in minimaal 8 m² aan groenvoorzieningen per toegevoegde woning.";

VI.      bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 december 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)", voor zover dat is vernietigd;

VII.     draagt de raad van de gemeente Eindhoven op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen V. en VI. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Eindhoven aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman, griffier.

w.g. Knol
voorzitter

w.g. Kemerink op Schiphorst-Hofman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026

933

BIJLAGE

Artikel 3:2 van de Awb luidt:

"Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen."

Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt:

"De bestuursrechter kan bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan."

Artikel 1 van de Nadere regels Compensatieplicht Verordening Bomen 2021 luidt:

"(…)

Compensatieplicht: Een voorschrift voor compensatie van de gekapte houtopstand behorende bij een vergunning."

Artikel 2 van de Nadere regels Compensatieplicht Verordening Bomen 2021 luidt:

"Een compensatieplicht wordt in beginsel opgelegd wanneer een houtopstand gekapt wordt om een ‘rode reden’.

1. Rode reden

Rode redenen zijn alle redenen voor kappen, die niets te maken hebben met het beheer van bomen. Bijvoorbeeld: Bouwplannen, aanleg van parkeerplaatsen, vervangen van riolering, civieltechnische werkzaamheden, (uit)bouwen van woningen en opstallen. In deze situaties moeten de te kappen bomen worden gecompenseerd. (…)."

Persaankondiging

Woningbouw in Eindhoven

Uitspraak over het bestemmingsplan ‘XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)’ dat de gemeenteraad van Eindhoven heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om op het voormalige terrein van Philips Packaging aan de Cederlaan ruim 240 woningen te bouwen. Dit gebied dat ook wel het Drukkerijkwartier wordt genoemd, ligt ten westen en binnen de schil van het centrum van Eindhoven. Enkele omwonenden zijn het niet eens met het bestemmingsplan en zijn hiertegen in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Hun bezwaren gaan vooral over de hoogte en de positionering van de gebouwen. Een woontoren mag 45 meter hoog worden, wat zij veel te hoog vinden. Deze hoogte sluit volgens hen niet aan bij de gebouwen in de omgeving, die een stuk minder hoog zijn. Zij voeren aan dat ze alternatieven hebben aangedragen, waaronder het beperken van de hoogbouw tot vijf tot zes woonlagen, waarbij het verlies aan bouwhoogte opgevangen wordt door de gebouwen aan de Cederlaan te verhogen, of het splitsen van de woontoren in twee kleinere torens van eveneens vijf tot zes woonlagen. Maar met deze alternatieve uitvoeringen die zij hebben aangedragen, heeft de gemeenteraad niets gedaan, aldus de bezwaarmakers. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 8 mei 2026 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon