Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202403626/1/R3

Uitspraak 202403626/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4439
Datum uitspraak
29 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag geweigerd om aan [appellanten] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van kunstriet op het dak van hun woning aan het [locatie A] in Den Haag. [appellanten] zijn eigenaar van de woning aan [locatie A] in Den Haag. Zij hebben op 6 juli 2021 vanwege aanhoudende lekkages een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van kunstriet op het dak van hun woning. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de plaatsing van kunstriet niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellanten] kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en hebben hoger beroep ingesteld.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202403626/1/R3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 april 2024 in zaak nr. 22/1625 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2021 heeft het college geweigerd om aan [appellanten] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van kunstriet op het dak van hun woning aan het [locatie A] in Den Haag.

Bij besluit van 7 februari 2022 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Zowel [appellanten] als het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2026, waar [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door mr. dr. A. Herczog, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 juli 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [appellanten] zijn eigenaar van de woning aan [locatie A] in Den Haag. Zij hebben op 6 juli 2021 vanwege aanhoudende lekkages een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van kunstriet op het dak van hun woning. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de plaatsing van kunstriet niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.       [appellanten] kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en hebben hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep

4.       [appellanten] betogen dat het college, in navolging van de welstandscommissie, een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door het bouwplan te toetsen aan artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Volgens [appellanten] had getoetst moeten worden aan artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, omdat deze bepaling ziet op het uiterlijk van een bestaand bouwwerk. Voor zover wel terecht aan artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet zou zijn getoetst, hebben [appellanten] een beroep gedaan op artikel 12, derde lid, van de Woningwet.

4.1.    Artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet luidde ten tijde van belang als volgt:

"De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling:

a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;

b. of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand."

Artikel 12, derde lid, van de Woningwet luidde als volgt:

"Voor zover de toepassing van de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, leidt tot strijd met het bestemmingsplan, blijven die criteria buiten toepassing."

4.2.    Uit artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo volgt, voor zover hier van belang, dat de vraag of de activiteit waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld wordt aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Gelet hierop, is de aanvraag van [appellanten] terecht getoetst aan de criteria, bedoeld in die bepaling.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

4.3.    Voor zover [appellanten] een beroep hebben gedaan op artikel 12, derde lid, van de Woningwet, overweegt de Afdeling dat niet is gesteld dat toepassing van de criteria, bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet leidt tot strijd met het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

5.       [appellanten] betogen verder dat het zomaar vervangen van het geheel uit Braziliaans hardhout opgetrokken dak door zink, zonder enig vooroverleg, onrechtmatig en onzorgvuldig is, en hen groot financieel nadeel toebrengt. Gelet op de benaming van de wijk (Rietveld/Waterwijk) zijn water en riet juist belangrijk voor het uiterlijk van de woning. Zink als dakbedekking past hier niet. Verder wijzen [appellanten] erop dat de welstandscommissie ten onrechte eerdere wijzigingen van vergelijkbare woningen bij de beoordeling heeft betrokken. Daardoor geldt feitelijk het adagium ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Dit is onevenredig. Dit geldt temeer nu tussen de indiening van de eerdere aanvraag en hun aanvraag slechts twee maanden zat, aldus [appellanten].

5.1.    Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.

5.2.    Het oordeel van de welstandscommissie luidt als volgt:

"Niet Akkoord. Het vervangen van de houten shingles op het dak vanwege aanhoudende lekkage is voorstelbaar. De uitstraling die het dak krijgt met het toepassen van (kunst)riet past beter bij een woning in een landelijke omgeving. Op deze woning in deze wijk kunnen we ons een modernere vormgeving voorstellen. Zo is eerder op dezelfde woning een zinken bekleding goedgekeurd. Het dak dient op gelijke wijze te worden uitgevoerd. Zo behouden we een uniforme uitstraling van deze woningen in de omgeving."

Het college heeft in het verweerschrift van 13 februari 2024 nader toegelicht dat de woningen van gelijke architectuur op gelijke wijze moeten worden aangepast. De woning aan [locatie B] is één van acht woningen met dezelfde architectuur. Op 7 september 2021, en dus voordat op de aanvraag van [appellanten] is beslist, is een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van zinken dakbedekking op één van die acht woningen, namelijk de woning aan [locatie C]. Inmiddels hebben meerdere van de acht woningen een zinken dakbedekking.

5.3.    De welstandscommissie heeft beoordeeld of het bouwplan in onder meer materiaal en kleur voldoende samenhang met de omgeving vertoont. Dit is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in overeenstemming met de welstandsnota. [appellanten] hebben geen contra-expertise overgelegd waarmee twijfel is gezaaid aan de juistheid van het advies van de welstandscommissie. De stukken die zij bij de rechtbank hebben overgelegd en waar zij in dit kader naar verwijzen, hebben betrekking op de bouw van de (acht) woning(en). Deze stukken kunnen daarmee niet worden aangemerkt als een contra-expertise. Ook de stukken die zij in hoger beroep hebben overgelegd en waarin een door henzelf opgestelde weergave van een verklaring van de architect is opgenomen, kunnen niet als contra-expertise worden aangemerkt. Ook overigens hebben [appellanten] geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het welstandsadvies naar voren gebracht. Dat [appellanten] en, naar zij stellen, de architect van hun woning, vinden dat een kunstrieten dak wel past bij hun woning, omdat zij vinden dat hun woning en hun woonwijk (wel) een landelijke uitstraling hebben, is in dit kader onvoldoende. Dat zij een andere waardering van de uitstraling van hun woning en woonwijk hebben, maakt de beoordeling die de welstandscommissie heeft gemaakt op zichzelf nog niet onjuist of gebrekkig. Anders dan [appellanten] stellen bestaat verder geen grond voor het oordeel dat toepassing van het criterium dat een bouwplan in de omgeving moet passen en daarmee samenhang moet vertonen onevenredig is. Dat in het kader van de toepassing van dit criterium eerder vergunde wijzigingen aan een vergelijkbare woning in dezelfde wijk bij de beoordeling van de later door [appellanten] ingediende vergunningaanvraag zijn betrokken, maakt dit niet anders. De welstandscommissie heeft ook over die wijzigingen geadviseerd en die in overeenstemming met redelijke eisen van welstand geacht. Overigens heeft het college er op de zitting bij de Afdeling op gewezen dat ook als [appellanten] eerder waren geweest met hun vergunningaanvraag dan hun buren, helemaal nog niet zeker was geweest dat hun aanvraag dan was toegekend. Ook dan zou de welstandscommissie immers hebben beoordeeld of een kunstrieten dak in de (strakke) omgeving past, aldus het college.

Dat [appellanten] het er niet mee eens zijn dat een deel van de andere, vergelijkbare woningen, inmiddels een zinken dakbedekking hebben, en zij een dergelijke dakbedekking niet passend in de omgeving, lelijk en (te) duur vinden, betekent niet dat het college het welstandsadvies niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Anders dan [appellanten] stellen volgt uit het welstandsadvies overigens niet dat zij verplicht zijn om een zinken dakbedekking te plaatsen. Het college heeft in dit kader terecht gesteld dat uit het welstandsadvies alleen volgt dat een eventuele nieuwe dakbedekking strak moet zijn om in de omgeving te passen en dat kunstriet niet in de omgeving past. Verder heeft het college te kennen gegeven dat de vervanging van het houten dak door het plaatsen van een nieuw houten dak is toegestaan.

Het betoog slaagt niet.

6.       [appellanten] betogen ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat zink uit ecologisch oogpunt gevaarlijk is en dat er strenge voorschriften gelden voor de afvoer van regenwater in vis- en zwemwater via een zinken oppervlak.

6.1.    Ook dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de welstandscommissie zich in haar beoordeling diende te beperken tot redelijke eisen van welstand en dat de door [appellanten] gestelde schadelijke gevolgen van een zinken dakbedekking voor de natuur, wat daar verder ook van zij, daarvan geen deel uitmaken.

Conclusie hoger beroep

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Verzoek om schadevergoeding

9.       [appellanten] hebben de Afdeling verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de weigering hen een omgevingsvergunning voor de plaatsing van een kunstrieten dak te verlenen.

9.1.    In artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, is, voor zover hier van belang, bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.

9.2.    Uit deze uitspraak volgt dat het besluit van het college om de omgevingsvergunning te weigeren in stand blijft. Aangezien dit betekent dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en er evenmin sprake is van een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit, moet het verzoek van [appellanten] worden afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ouwehand
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026

752


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon