Uitspraak 202403017/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4435
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat bepaald dat de woning in aanmerking komt voor een beoordeling. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over: 1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (zaak 202403009/1/A2); 2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2); 3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (onderhavige zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende 4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2). Deze uitspraak gaat over de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken. [appellant] is sinds 1991 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Groningen. De woning is in zijn opdracht gebouwd. Hij verricht vanuit de woning ook beroepsmatig werkzaamheden.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202403017/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B] (tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend in Groningen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 april 2024 in zaak nr. 23/1908 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat).
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2022 heeft de staatssecretaris bepaald dat de woning in aanmerking komt voor een beoordeling.
Bij besluit van 24 april 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 juni 2026, waar [appellant A], ook als vertegenwoordiger van [appellante B], vergezeld door ing. A. Nanninga, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.M. Don en A. Snippe, zijn verschenen.
Inleiding
1. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over:
1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (zaak 202403009/1/A2);
2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2);
3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (onderhavige zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende
4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2).
2. Daarnaast is een zaak bij de Afdeling aanhangig die gaat over de inhoudelijke beoordeling van de woning aan de veiligheidsnorm (zaak 202307269/1/A2), waarin de Afdeling op 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3976, tussenuitspraak heeft gedaan. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties waarin hij heeft vastgesteld dat de woning van [appellant] voldoet aan de veiligheidsnorm en niet versterkt hoeft te worden (het normbesluit), onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd vanwege onvolkomenheden in het daaraan ten grondslag gelegde deskundigenadvies.
3. Deze uitspraak gaat over de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken.
Procedure in de besluitvormingsfase
4. [appellant] is sinds 1991 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Groningen. De woning is in zijn opdracht gebouwd. Hij verricht vanuit de woning ook beroepsmatig werkzaamheden.
5. Op 13 december 2019 heeft [appellant] bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (de voorganger van het Instituut Mijnbouwschade Groningen, verder: het Instituut), melding gemaakt van een acuut onveilige situatie (AOS). Deskundigenbureau W2N Groningen B.V. heeft op 14 december 2019 in opdracht van het Instituut een inspectie verricht. De deskundige heeft vastgesteld dat de muren geen scheefstand vertonen en de betonnen vloerplaten voldoende oplegging op de muren en stalen draagprofielen hebben. Verder is vastgesteld dat er scheurvorming is in het metsel- en stucwerk en tussen de betonnen vloerplaten, maar dat er geen acuut gevaar aanwezig is. De bouwkundig inspecteur heeft daarom geconcludeerd dat de AOS-melding ongegrond is en dit ook bij de inspectie aan [appellant] medegedeeld.
6. Vanaf 2 maart 2020 is het Loket Opname op Verzoek (LOOV) van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) geopend. Eigenaren die zich zorgen maken over de veiligheid van hun woning kunnen een opname aanvragen. Deze mogelijkheid is specifiek bedoeld voor woningen die niet zijn opgenomen in het versterkingsprogramma van de NCG, maar wel in een van de aardbevingsgemeenten staan. Als een aanvraag voldoet aan de voorwaarden, laat de NCG een opname uitvoeren om te bepalen of er aanleiding is om te beoordelen of de woning aan de veiligheidsnorm voldoet. Als dat het geval is, voegt de betreffende gemeente het adres van de woning toe aan het (jaarlijks op te stellen) Lokaal Plan van Aanpak (LPA), waarin staat welke woningen dat jaar moeten worden onderzocht.
7. Op 27 mei 2020 heeft [appellant] bij het LOOV verzocht om opname van zijn woning.
8. Zonneveld ingenieurs bv heeft vervolgens in opdracht van de NCG de woning opgenomen en beoordeeld. In het advies van 22 april 2021 heeft deze deskundige op grond van de analyse van de waargenomen afwijkingen ten opzichte van de oorspronkelijke gebouwde situatie geadviseerd om nader onderzoek te laten uitvoeren naar de situatie van de woning.
9. Naar aanleiding van het advies van 22 april 2021 heeft de NCG namens de minister op 14 februari 2022, gehandhaafd bij besluit van 24 april 2023, bepaald dat de woning van [appellant] in aanmerking komt voor een beoordeling of de woning aan de veiligheidsnorm voldoet dan wel voor versterking in aanmerking komt. In het opnamebesluit van 14 februari 2022 staat dat de NCG de gegevens over de woning doorgeeft aan de gemeente en dat de gemeente het gebouw dan opneemt in het LPA. In het LPA staat welke gebouwen in dat jaar worden onderzocht en beoordeeld. De gemeenteraad maakt elk jaar een LPA. Het lukt niet altijd om een gebouw meteen op te nemen in het LPA. Als de woning van [appellant] aan de beurt is voor een beoordeling, ontvangt hij hierover bericht van de gemeente en de NCG. De gemeente kan bij dringende gevallen gebouwen met voorrang laten beoordelen door de NCG.
Uitspraak van de rechtbank
10. De rechtbank heeft geoordeeld dat de NCG ervoor mocht kiezen volgens een prioritering te werken, waarbij voorrang is gegeven aan de bewoners van woningen in het kerngebied, aan de bewoners die het zich niet konden veroorloven een deskundige in te schakelen en aan de bewoners van woningen die acuut onveilig waren. Omdat de woning van [appellant] niet in het kerngebied maar aan de rand van het effectgebied staat en omdat geen sprake is van een acuut onveilige situatie, heeft de NCG overeenkomstig de genoemde prioritering geen voorrang hoeven geven aan de woning van [appellant]. Dat [appellant] als gevolg van de lange procedure in een nadeliger positie is beland, is niet gebleken. Hierbij betrekt de rechtbank dat de woning uiteindelijk wel is beoordeeld.
11. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] geen belang heeft bij het beroep en het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard. [appellant] kan met het beroep namelijk niet meer bereiken dan hij al heeft bereikt, namelijk dat de woning op zijn verzoek wordt beoordeeld. Uit de gronden en toelichting hierop leidt de rechtbank af dat het werkelijke belang van [appellant], zoals door hem op de zitting naar voren is gebracht, is gelegen in versterking van de woning in overeenstemming met de Nederlandse Praktijkrichtlijn 9998 (NPR). Dit doel kan niet met deze procedure worden bereikt. In deze procedure is alleen de beoordeling van het besluit om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de orde. Of de woning van [appellant] voor versterkingsmaatregelen in aanmerking komt, hangt af van de vraag of de woning aan de veiligheidsnorm voldoet en (de beantwoording van) die vraag komt aan de orde in de procedure over het besluit dat wordt genomen na de beoordeling of de woning voldoet aan de veiligheidsnorm.
Hoger beroep
12. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen belang heeft bij de procedure. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat hij met het beroep meer kon bereiken dan enkel toevoeging van zijn woning aan het versterkingsprogramma. Daarbij stelt [appellant] voorop dat het verzoek bij het LOOV slechts voor zover nodig was ingediend. De NCG had daarvoor al in 2019, mede vanwege een lopende procedure bij het Instituut over de vergoeding van fysieke schade aan zijn woning, bekend kunnen zijn met stukken waaruit volgt dat versterking van de woning wenselijk is. Daarbij wijst hij onder meer op een in 2019 door hem ingediend deskundigenadvies van Vergnes Expertise BV (Vergnes) en een in 2020 door hem ingediende constructieve beoordeling van ing. A. Nanninga. De woning had daarom eerder en daarmee aan de hand van een oudere NPR dan die uit 2020 moeten worden beoordeeld. Dat had er volgens hem toe geleid dat zijn woning voor versterkingsmaatregelen in aanmerking was gekomen. Ook wordt volgens [appellant] een onjuiste prioritering gehanteerd. De daarbij gehanteerde criteria zijn niet kenbaar, oncontroleerbaar en onvoorzienbaar. Volgens [appellant] werpt deze zaak ook een nieuw licht op de tussenuitspraak van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3976, in de zaak 202307269/1/A2, waarin de Afdeling is uitgegaan van de juistheid van de door de NCG gevolgde risicoaanpak. Bovendien leidt het voorgaande volgens [appellant] ook tot strijd met artikel 1 van het Eerste protocol van het EVRM, artikel 2 en artikel 8 van het EVRM, alsmede verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep had dus niet alleen betrekking op het besluit om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling, maar ook op de gevolgen van het nalaten van de NCG om al beschikbare veiligheidsinformatie eerder en voortvarender te benutten.
Beoordeling van het hoger beroep
13. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [appellant] geen belang had bij een beoordeling van het beroep.
14. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
15. [appellant] heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat hij niet een besluit met een andere uitkomst wil, maar dat hij een oordeel wil over de vraag of de minister het hier ter discussie gestelde besluit eerder had moeten nemen omdat hij de daartoe benodigde informatie in 2019/2020 al had of had kunnen hebben als het Instituut die zou hebben doorgestuurd. In dat geval zou zijn woning eerder in een LPA zijn opgenomen en beoordeeld. Dat had ertoe geleid dat de woning aan de hand van een oudere NPR dan die uit 2020 zou zijn beoordeeld en volgens hem dan in aanmerking was gekomen voor versterkingsmaatregelen.
16. Het enkele feit dat het beoordelingsbesluit mogelijk eerder had kunnen worden genomen, daargelaten of dat in dit geval en om de door [appellant] genoemde redenen zo is, maakt niet dat er procesbelang is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het werkelijke belang van [appellant], namelijk versterking van de woning, daarmee niet kan worden bereikt. De Afdeling merkt daarover nog op dat een eerdere opname van de woning binnen het LPA ook niet zonder meer zou hebben betekend dat de woning eerder en daarmee op grond van een oudere NPR dan die uit 2020 zou zijn beoordeeld, daargelaten of dat tot een versterkingsbesluit zou hebben geleid. Binnen het LPA bepaalt de prioritering op basis van urgentie de volgorde waarin een gebouw wordt beoordeeld. De Afdeling ziet net als de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de wijze van prioritering niet op de geschetste wijze mag worden ingericht. De door [appellant] overgelegde stukken van Vergnes en deskundige Nanninga bieden geen aanknopingspunten dat de woning van [appellant] ten opzichte van de gehanteerde prioritering noodzakelijk met voorrang beoordeeld of versterkt moet worden. Het stuk van Vergnes adviseert slechts om de woning op te nemen in de versterkingsoperatie. De constructieve beoordeling van deskundige Nanninga is een doorrekening van de woning op basis van een oudere NPR dan die uit 2020.
17. De inhoudelijke beoordeling van de woning aan de veiligheidsnorm en de vraag welke versie van de NPR daarvoor moet worden gebruikt, is geen onderwerp van deze procedure. De uitkomst van de beoordeling of de woning voldoet aan de veiligheidsnorm dan wel voor versterking in aanmerking komt kan afzonderlijk ter beoordeling aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Daarbij kan ter discussie worden gesteld of de juiste beoordelingssystematiek is gevolgd, waaronder de vraag of de beoordeling heeft plaatsgevonden aan de juiste versie van de NPR. Dat heeft [appellant] in dit geval ook gedaan en de Afdeling heeft dat getoetst in de zaak die heeft geleid tot de tussenuitspraak van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3976.
18. De slotsom is dat het doel dat [appellant] voor ogen heeft niet kan worden bereikt met deze procedure. De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
19. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
20. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
21. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1120