Uitspraak 202505671/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4426
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 mei 2025 heeft de burgemeester van Rotterdam een huisverbod opgelegd aan [appellant]. [appellant] heeft een relatie met [persoon]. Volgens een proces-verbaal van bevindingen van 22 mei 2025 kregen verbalisanten die nacht een melding van huiselijk geweld. Ter plaatse zagen verbalisanten dat [persoon] onder het bloed zat. Zij verklaarde dat zij in elkaar geslagen was. Zij verklaarde dat dit letsel was aangebracht door [appellant]. Na dit incident tussen [appellant] en [persoon] heeft de burgemeester op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod opgelegd aan [appellant] voor de duur van tien dagen, te weten van 24 mei 2025 tot 3 juni 2025. Het huisverbod is gebaseerd op een door de hulpofficier van justitie opgesteld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld.
- Hoger beroep
- Huisverbod
Toon inhoud
202505671/1/A3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2025 in zaken nrs. 10/702791 / 25-5161 en 10/702793 / 25-5163 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2025 heeft de burgemeester een huisverbod opgelegd aan [appellant].
Bij besluit van 2 juni 2025 heeft de burgemeester dit huisverbod verlengd tot 21 juni 2025.
Bij brief van 3 juli 2025 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen deze twee besluiten.
Bij uitspraak van 2 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. Ercan, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft een relatie met [persoon]. Volgens een proces-verbaal van bevindingen van 22 mei 2025 kregen verbalisanten die nacht een melding van huiselijk geweld. Ter plaatse zagen verbalisanten dat [persoon] onder het bloed zat. Zij verklaarde dat zij in elkaar geslagen was. Zij verklaarde dat dit letsel was aangebracht door [appellant].
2. Na dit incident tussen [appellant] en [persoon] heeft de burgemeester op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) een huisverbod opgelegd aan [appellant] voor de duur van tien dagen, te weten van 24 mei 2025 tot 3 juni 2025. Het huisverbod is gebaseerd op een door de hulpofficier van justitie opgesteld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG).
3. Bij besluit van 2 juni 2025 heeft de burgemeester het huisverbod op grond van artikel 9 van de Wth verlengd met een periode van 18 dagen, tot 21 juni 2025, omdat de rust en veiligheid van [persoon] zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij het verblijven in de woning.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester redelijkerwijs gebruik heeft mogen maken van haar bevoegdheid het huisverbod op te leggen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het opleggen van het huisverbod ten doel heeft dat [appellant] en [persoon] tien dagen rust hebben zodat noodzakelijke hulpverlening kan worden opgestart en dat de burgemeester tegen deze achtergrond haar afweging redelijkerwijs heeft mogen maken. Anders dan [appellant] betoogt, verschilt deze zaak van een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 december 2024 tussen deze partijen, waarin de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het opleggen van een huisverbod niet doelmatig was. Een eerste verschil is dat verweerder toen geen verweer heeft gevoerd bij de voorzieningenrechter. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat, anders dan toen, niet gebleken is dat (alleen) [persoon] een weigerachtige houding aanneemt ten aanzien van hulpverlening. Niet gebleken is dat [appellant] openstond voor hulp. Ook is onvoldoende gebleken dat [persoon] hulpverlening weigerde. De rechtbank heeft verder overwogen dat volgens de burgemeester de aard en ernst van het geweld en gevaar toeneemt en dat [appellant] dit niet heeft betwist. De overgelegde foto’s van het letsel van [persoon] laten dit gevaar zien. Gelet op de verplichtingen op grond van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) weegt dit voor de rechtbank zwaar.
5. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de burgemeester redelijkerwijs gebruik heeft mogen maken van haar bevoegdheid om het huisverbod te verlengen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat door de hiervoor genoemde omstandigheden aan [persoon] de mogelijkheid tot het accepteren van hulpverlening moest blijven worden geboden en dat voorbij mocht worden gegaan aan het zorgadvies van Veilig Thuis waarin de casemanager concludeert dat een tijdelijk huisverbod geen meerwaarde heeft. Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat [persoon] wisselend was in haar hulpvraag.
Wettelijk kader
6. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Hoger beroep
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester redelijkerwijs haar bevoegdheid tot het opleggen van een huisverbod heeft mogen aanwenden. [appellant] voert hiertoe aan dat het opleggen van een huisverbod niet doelmatig is, omdat zowel [appellant] als [persoon] hulpverlening weigeren. [appellant] voert daarnaast aan dat de rechtbank er niet in is geslaagd om te motiveren waarom, anders dan in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 december 2024, het opleggen van een huisverbod desondanks doelmatig kan worden geacht. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet betwist dat de aard en de ernst van het geweld en gevaar in de zin van artikel 2 van de Wth toeneemt. [appellant] wijst hierbij op een uittreksel van zijn Justitiële Documentatie van 9 juli 2025. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een toename van de aard en de ernst van het geweld en of gevaar, omdat [appellant] in 2019 en 2022 verdacht werd van pogingen tot doodslag en (poging tot) zware mishandeling, terwijl hij daarna verdacht werd van eenvoudige mishandeling.
8. [appellant] betoogt daarnaast dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester redelijkerwijs haar bevoegdheid tot het verlengen van het huisverbod heeft mogen aanwenden. [appellant] wijst op een zorgadvies dat is opgesteld door Veilig Thuis. Uit dit advies blijkt dat Veilig Thuis heeft geadviseerd om het huisverbod niet te verlengen. Veilig Thuis heeft hierbij onder andere meegewogen dat [persoon] aangeboden hulpverlening afwijst, dat [persoon] ook zonder huisverbod een beroep kan doen op Veilig Thuis en dat de doelen van een huisverbod, namelijk het bieden van bescherming en het inzetten van hulpverlening, vanwege de houding van [persoon] niet bereikt kunnen worden. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte aan dit advies voorbij is gegaan. [appellant] voert verder aan dat zijn visie op het geweld van meet af aan duidelijk was, waardoor dit geen reden kan zijn om voorbij te gaan aan het advies van Veilig Thuis. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat [persoon] wisselend was in haar hulpvraag, omdat uit het dossier blijkt dat [persoon] geen hulpvraag had.
Beoordeling hoger beroep
9. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daar nog het volgende aan toe.
10. Van belang is dat het gevaar en de ernst daarvan vast stond en dat de burgemeester daarom gebruikmaking van haar bevoegdheid nodig heeft kunnen vinden. Daarbij mocht de burgemeester van het zorgadvies van Veilig Thuis afwijken alleen al omdat de burgemeester haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van [persoon] doorslaggevend heeft mogen achten. Bovendien heeft Veilig Thuis na het incident en oplegging van het huisverbod geen contact gehad met [appellant] of [persoon] zodat in zoverre het advies betrekkelijk geringe waarde heeft.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
12. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
317-1202
BIJLAGE
WET TIJDELIJK HUISVERBOD
Artikel 2
1 De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.
2 Een huisverbod kan slechts worden opgelegd aan een meerderjarig persoon.
3 Indien de burgemeester voornemens is het huisverbod op te leggen wegens kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan, neemt hij contact op met de Veilig Thuis-organisatie, bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 teneinde te overleggen over het voornemen om een huisverbod op te leggen.
4 Het huisverbod bevat in ieder geval:
a. een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt;
b. de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod, en
c. de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.
5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot het huisverbod.
6 De uithuisgeplaatste geeft aan waar of op welke wijze hij bereikbaar is. Indien de uithuisgeplaatste dit niet terstond kan doorgeven, geeft hij dit binnen 24 uur nadat het huisverbod is opgelegd door aan de burgemeester.
7 Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het huisverbod niet tevoren op schrift kan worden gesteld, kan het huisverbod mondeling worden aangezegd. De burgemeester draagt alsnog zorg voor spoedige opschriftstelling en bekendmaking. Indien de verblijfplaats van de uithuisgeplaatste niet bekend is, kan bekendmaking plaatsvinden door nederlegging van het huisverbod bij de gemeentesecretarie.
8 De burgemeester deelt onverwijld de inhoud van het huisverbod en de gevolgen van niet-naleving daarvan voor de uithuisgeplaatste mede aan degene met wie de uithuisgeplaatste een huishouden deelt. De burgemeester deelt de inhoud van het huisverbod ook mede aan de Veilig Thuis-organisatie, bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
9 De burgemeester kan het huisverbod in ieder geval intrekken indien de uithuisgeplaatste een aanbod tot hulpverlening heeft aanvaard en dit door de instantie voor advies of hulpverlening, aangewezen ingevolge het achtste lid, is bevestigd, en deze aanvaarding tevens inhoudt dat de uithuisgeplaatste hulpverlening aan één of meer personen die met de uithuisgeplaatste in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven niet zal belemmeren en zal meewerken indien dit van hem wordt gevraagd door de instantie voor advies of hulpverlening.
Artikel 9
1 De burgemeester kan een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.
2 Het beroep of hoger beroep tegen het huisverbod heeft mede betrekking op een beschikking tot verlenging van het huisverbod als bedoeld in het eerste lid, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
3 In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist.
4 Het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.