Uitspraak 202401635/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4423
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte het verzoek van [appellant] van 7 oktober 2021 om handhavend op te treden tegen het gebruik van de weegbrug bij de inrichting aan de [locatie A] in Raalte voor vrachtwagens die elders laden of lossen, afgewezen. [appellant] en zijn familie wonen aan de [locatie B] in Raalte. Op ongeveer 60 m ten zuiden daarvan ligt de varkenshouderij aan de [locatie C] en op ongeveer 180 m ten noordoosten ligt de varkenshouderij aan de [locatie A]. Op dit adres woont ook [persoon B] en is [varkenshandel] gevestigd. De varkenshouderij aan de [locatie A] beschikt over een weegbrug, waarvoor op 28 maart 2017 een omgevingsvergunning is verleend. De weegbrug ligt verzonken in het wegdek aan het begin van de toegangsweg van het perceel, zodat alle verkeer dat het terrein op of af rijdt over de weegbrug moet rijden. Naast de weegbrug staat een wachtershuisje waarin het logboek van de weegbrug ligt en van waaruit de weegbrug kan worden ingeschakeld om een vrachtwagen te wegen. Volgens [appellant] wordt de weegbrug ook gebruikt voor vrachtwagens die producten laden en lossen aan de [locatie C].
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202401635/1/R4.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (in enkelvoud: [appellant]), wonend in Raalte,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 januari 2024 in zaak nr. 22/2148 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Raalte.
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] van 7 oktober 2021 om handhavend op te treden tegen het gebruik van de weegbrug bij de inrichting aan de [locatie A] in Raalte voor vrachtwagens die elders laden of lossen, afgewezen.
Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft het college besloten op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar en het besluit van 29 november 2021 onder aanvulling van de motivering daarvan in stand gelaten.
Bij uitspraak van 29 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken nrs. 202401262/1/R4 en 202401496/1/R4 op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door R. Scholten, rechtsbijstandsverlener in Apeldoorn, en [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Bastet en mr. M.W. Nijendaal, advocaat in Arnhem, zijn verschenen. Verder is op de zitting [varkenshandel], vertegenwoordigd door [persoon B] en [persoon C] gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 7 oktober 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] en zijn familie wonen aan de [locatie B] in Raalte. Op ongeveer 60 m ten zuiden daarvan ligt de varkenshouderij aan de [locatie C] en op ongeveer 180 m ten noordoosten ligt de varkenshouderij aan de [locatie A]. Op dit adres woont ook [persoon B] en is [varkenshandel] gevestigd.
De varkenshouderij aan de [locatie A] beschikt over een weegbrug, waarvoor op 28 maart 2017 een omgevingsvergunning is verleend. De weegbrug ligt verzonken in het wegdek aan het begin van de toegangsweg van het perceel, zodat alle verkeer dat het terrein op of af rijdt over de weegbrug moet rijden. Naast de weegbrug staat een wachtershuisje waarin het logboek van de weegbrug ligt en van waaruit de weegbrug kan worden ingeschakeld om een vrachtwagen te wegen.
Aan de vergunning voor de weegbrug is onder meer voorschrift 3 verbonden waarin is bepaald dat het gebruik van de weegbrug uitsluitend is toegestaan voor vrachtwagens die producten laden of lossen van de inrichting [locatie A].
2.1. Volgens [appellant] wordt de weegbrug ook gebruikt voor vrachtwagens die producten laden en lossen aan de [locatie C]. Hij heeft hier last van omdat de vrachtwagens tussen de twee varkenshouderijen pendelen en daarbij steeds langs zijn woningen rijden. Om die reden heeft [appellant] het college verzocht om handhavend op te treden tegen de overtreding van vergunningvoorschrift 3.
2.2. Bij het besluit van 29 november 2021 heeft het college dit handhavingsverzoek afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat uit onderzoek van de Omgevingsdienst IJselland blijkt dat vrachtwagens die laden en lossen aan de [locatie C] zich weliswaar eerst melden bij de [locatie A], maar dat niet is gebleken dat die vrachtwagens dan ook gewogen worden. Volgens het college wordt vergunningvoorschrift 3 niet overtreden als die vrachtwagens op de weegbrug staan zonder te worden gewogen.
Bij het besluit op bezwaar heeft het college de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gelaten en de motivering daarvan aangevuld met de bevindingen van vijf nadien uitgevoerde langsrijcontroles waarbij transporten zijn waargenomen, van een controle op 14 juli 2022 van de boekhouding en van een hercontrole op 14 oktober 2022.
2.3. Op de zitting heeft [persoon B] toegelicht dat de vrachtwagens voor drie andere inrichtingen dan die aan de [locatie A] zich eerst moeten melden bij hem aan de [locatie A], waar hij woont. Omdat de weegbrug in de toegangsweg is gelegen, moeten deze vrachtwagens daarvoor hoe dan ook over de weegbrug rijden. Tijdens het melden staan de vrachtwagens vaak stil op de plek van de weegbrug aan het begin van de toegangsweg, omdat ze vanaf daar na het melden meteen weer terug de openbare weg op kunnen rijden. Volgens [persoon B] is aan de buitenkant van de weegbrug niet zichtbaar of deze is ingeschakeld of niet, zodat aan de buitenkant dus ook niet zichtbaar is of een vrachtwagen daar enkel stilstaat of dat hij wordt gewogen.
Is het stilstaan op de weegbrug in strijd met voorschrift 3?
3. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het college er terecht van uitgaat dat voorschrift 3 pas wordt overtreden als een vrachtwagen daadwerkelijk gewogen wordt op de weegbrug. Volgens hem is het ook in strijd met de vergunning als vrachtwagens die elders gaan laden of lossen, stilstaan op de weegbrug tijdens het melden bij [locatie A]. De achterliggende gedachte van voorschrift 3 is volgens hem immers het voorkomen van verkeersbewegingen naar de [locatie A] door vrachtverkeer dat niet bestemd is voor de inrichting daar.
3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de formulering van voorschrift 3 volgt dat uitsluitend vrachtwagens die producten laden of lossen van de inrichting aan de [locatie A] op de weegbrug mogen worden gewogen en dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat onder ‘gebruik van de weegbrug’ in dat voorschrift het daadwerkelijk wegen van vrachtwagens moet worden verstaan. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat de omstandigheid dat dit wellicht afdoet aan het doel waarvoor voorschrift 3 aan de vergunning is verbonden, niet leidt tot een ander oordeel over wat in het voorschrift is bepaald.
Het betoog slaagt niet.
Is vastgesteld dat voorschrift 3 wordt overtreden?
4. [appellant] kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat het college op goede gronden heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat vrachtwagens bestemd voor de [locatie C] zijn gewogen op de weegbrug. Hij stelt dat hij met de verklaringen van drie transporteurs, die hij bij zijn handhavingsverzoek heeft overgelegd, genoegzaam heeft aangetoond dat er geregeld vrachtwagens komen wegen bij de [locatie A] en vervolgens elders worden gelost, bijvoorbeeld bij de [locatie C]. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat die verklaringen nader zijn toegelicht en genuanceerd, terwijl de transporteurs hun verklaringen later hebben gewijzigd toen bleek in welk kader de vraagstelling had plaatsgevonden.
4.1. Het is vaste rechtspraak dat aan een sanctiebesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een overtreding dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag of ander deskundig persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. Het college heeft daarom terecht het handhavingsverzoek niet reeds op basis van de door [appellant] overgelegde verklaringen toegewezen, maar heeft terecht eerst zelf onderzoek gedaan.
Bij dit uitvoerige onderzoek, dat door de Omgevingsdienst is uitgevoerd, zijn de transporteurs van wie [appellant] verklaringen heeft overgelegd, benaderd en bevraagd, hebben controlebezoeken plaatsgevonden waarbij overzichten van het gebruik van de weegbrug zijn gecontroleerd, zijn langsrijcontroles gehouden en zijn het logboek van de weegbrug en de weegbonnen gecontroleerd. Tijdens de controlebezoeken en bij de controle van de boekhouding is niet geconstateerd dat op de weegbrug wordt gewogen ten behoeve van andere bedrijven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat niet kon worden vastgesteld dat voorschrift 3 werd overtreden.
Omdat het college niet heeft vastgesteld dat voorschrift 3 is overtreden, ondanks het uitvoerige onderzoek daarnaar, kon het college niet handhavend optreden, wat er ook zij van de door [appellant] overgelegde verklaringen van de transporteurs. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank overigens terecht overwogen dat de transporteurs hun verklaringen aan [appellant] later nader hebben toegelicht en genuanceerd. In het besluit van 29 november 2021 staat uiteengezet wat de transporteurs aan [appellant] hebben gemaild en wat later door die drie transporteurs en nog een vierde te kennen is gegeven aan de Omgevingsdienst. Het rapport van de Omgevingsdienst van 7 juli 2021 bevat een letterlijke weergave van alle e-mails en een weergave van enkele telefoongesprekken. Het meest relevant zijn de verklaringen van alle vier transporteurs dat zij geen weegbonnen ontvangen bij de [locatie A] en hun toelichtingen waarom zij zich daar weliswaar melden maar niet hoeven te worden gewogen. In deze e-mails en telefoongesprekken is verder geen ondersteuning te vinden voor de suggestie van [appellant] dat de transporteurs hun verklaringen hebben gewijzigd toen hen duidelijk werd dat ze niet mochten wegen aan de [locatie A].
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
7. [appellant] heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
7.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 10 januari 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus met meer dan zes maanden overschreden. Deze overschrijding moet voor de helft aan het college en voor de helft aan de Afdeling worden toegerekend.
De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de vergoeding vastgesteld op € 1.000,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant A] samen met [appellant B] procedeert, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Dat betekent dat aan hen samen in totaal een bedrag van € 1.000,00 wordt toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lange procedure.
7.2. Het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten aan [appellant] een schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7.3. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan het college en de Afdeling is toe te rekenen, moeten het college en de Staat ieder de helft van de proceskosten vergoeden die [appellant] heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Raalte om aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Raalte tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kors
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
687-1187