Uitspraak 202401496/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4422
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij twee afzonderlijke brieven van 20 september 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte het verzoek van [appellant] van 25 mei 2022 om handhavend op te treden tegen de aanvoer, opslag en afvoer van CCM bij de varkenshouderijen aan de [locatie A] en de [locatie B] in Raalte gedeeltelijk toegewezen en aan [vleesvarkensbedrijf] een last onder dwangsom opgelegd wegens het vaker dan één keer per dag vullen van de sleufsilo’s aan de [locatie A]. Voor het overige is het handhavingsverzoek afgewezen. Deze twee brieven vormen samen het besluit van 20 september 2022. [appellant] en zijn familie wonen aan de [locatie C] in Raalte. Op ongeveer 60 m ten zuiden daarvan ligt de varkenshouderij aan de [locatie A] en op ongeveer 180 m ten noordoosten ligt de varkenshouderij aan de [locatie B]. Op dit adres woont ook [persoon B] en is [varkenshandel] gevestigd. Beide varkenshouderijen beschikken over sleufsilo’s voor de opslag van CCM, zetmeelrijk veevoer gemaakt van mais. [appellant] ervaart geluidsoverlast door de aanvoer van CCM naar de varkenshouderijen, het volrijden van de sleufsilo’s en het uitrijden van CCM vanuit de sleufsilo’s naar de voerkeuken. Volgens hem is de opslag van CCM aan de [locatie A] niet toegestaan en vinden er aan de [locatie B] vaker en langer activiteiten met CCM plaats dan is toegestaan. Om die reden heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen beide varkenshouderijen.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202401496/1/R4.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (in enkelvoud: [appellant]), wonend in Raalte,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 januari 2024 in zaak nr. 23/805 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Raalte.
Procesverloop
Bij twee afzonderlijke brieven van 20 september 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] van 25 mei 2022 om handhavend op te treden tegen de aanvoer, opslag en afvoer van CCM bij de varkenshouderijen aan de [locatie A] en de [locatie B] in Raalte gedeeltelijk toegewezen en aan [vleesvarkensbedrijf] een last onder dwangsom opgelegd wegens het vaker dan één keer per dag vullen van de sleufsilo’s aan de [locatie A]. Voor het overige is het handhavingsverzoek afgewezen. Deze twee brieven vormen samen het besluit van 20 september 2022.
Bij besluit van 3 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken nrs. 202401262/1/R4 en 202401635/1/R4 op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door R. Scholten, rechtsbijstandsverlener in Apeldoorn, en [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Bastet en mr. M.W. Nijendaal, advocaat in Arnhem, zijn verschenen. Verder is op de zitting [varkenshandel], vertegenwoordigd door [persoon B] en [persoon C], gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 25 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
2. [appellant] en zijn familie wonen aan de [locatie C] in Raalte. Op ongeveer 60 m ten zuiden daarvan ligt de varkenshouderij aan de [locatie A] en op ongeveer 180 m ten noordoosten ligt de varkenshouderij aan de [locatie B]. Op dit adres woont ook [persoon B] en is [varkenshandel] gevestigd. Beide varkenshouderijen beschikken over sleufsilo’s voor de opslag van CCM, zetmeelrijk veevoer gemaakt van mais.
[appellant] ervaart geluidsoverlast door de aanvoer van CCM naar de varkenshouderijen, het volrijden van de sleufsilo’s en het uitrijden van CCM vanuit de sleufsilo’s naar de voerkeuken. Volgens hem is de opslag van CCM aan de [locatie A] niet toegestaan en vinden er aan de [locatie B] vaker en langer activiteiten met CCM plaats dan is toegestaan. Om die reden heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen beide varkenshouderijen.
2.1. Bij het besluit van 20 september 2022 heeft het college het handhavingsverzoek van [appellant] gedeeltelijk toegewezen door handhavend op te treden tegen het vaker dan vergund vullen van de sleufsilo’s aan de [locatie A]. Volgens het college is vergund dat maximaal één keer per dag een vracht CCM wordt aangevoerd en in de sleufsilo wordt opgeslagen. Voor het overige is het handhavingsverzoek ten aanzien van de [locatie A] afgewezen, omdat volgens het college het uitrijden van CCM vanuit de sleufsilo’s naar de voerkeuken en het met de shovel of verreiker verwijderen van zand van de ingekuilde CCM is vergund en niet is gebleken dat die activiteiten langer plaatsvinden dan is vergund. In zoverre heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Ten aanzien van de [locatie B] heeft het college het handhavingsverzoek geheel afgewezen, omdat de aanvoer, opslag en het uitrijden van CCM daar in overeenstemming met de geldende omgevingsvergunning plaatsvindt.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 20 september 2022, voor zover zijn handhavingsverzoek daarbij is afgewezen, onrechtmatig is, omdat het is gebaseerd op slechts één controle op 18 mei 2022, terwijl hij talloze meldingen heeft gedaan. Volgens [appellant] stelt het college zelf in het besluit van 20 september 2022 dat nader onderzoek nodig is, maar heeft dat nooit plaatsgevonden en heeft het college stelselmatig geweigerd om controles uit te voeren. Volgens hem heeft het college ook ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de opslag van CCM voor andere bedrijven, wat volgens hem niet is toegestaan.
3.1. Uit het controlerapport dat ten grondslag ligt aan het besluit van 20 september 2022 blijkt dat de Omgevingsdienst IJsselland onderzoek heeft gedaan naar alle door [appellant] in zijn handhavingsverzoek gestelde overtredingen. Anders dan [appellant] betoogt, is de gedeeltelijke afwijzing van zijn handhavingsverzoek niet uitsluitend gebaseerd op de ene controle op 18 mei 2022. Die controle is uitgevoerd bij de [locatie A] naar aanleiding van een melding van [appellant] dat om 12:00 uur was begonnen met het uitrijden van CCM vanuit de sleufsilo’s naar de voerkeuken. Er is geconstateerd dat dat toen 2 uur en 10 minuten heeft geduurd. Omdat die activiteit op grond van de omgevingsvergunning 2,5 uur mag duren, is er toen geen overtreding geconstateerd en is vastgesteld dat de activiteit in overeenstemming met de vergunning kan plaatsvinden. Op basis van die constatering heeft het college terecht het verzoek afgewezen om handhavend op te treden tegen de duur van het uitrijden van CCM vanuit de sleufsilo’s. Uit de mededeling in het besluit van 20 september 2022 dat nader onderzoek zal worden gedaan naar de duur van het uitrijden van CCM, volgt niet dat volgens het college nader onderzoek nodig is om te kunnen besluiten op het handhavingsverzoek. Daaruit volgt slechts het voornemen van het college om te blijven controleren of er ook in de toekomst geen overtreding plaatsvindt. Het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting overigens toegelicht dat nader onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden omdat de sleufsilo’s nadien niet meer zijn gevuld en het leegrijden daarvan dus ook niet meer kon plaatsvinden.
Naast de controle op 18 mei 2022 heeft de Omgevingsdienst de weegbonnen van beide bedrijven gecontroleerd en de activiteiten die volgens [appellant] overtredingen zijn, getoetst aan de omgevingsvergunningen voor beide inrichtingen. De overige afwijzing van het handhavingsverzoek is gebaseerd op de constatering dat de gestelde handelingen en activiteiten niet in strijd zijn met de omgevingsvergunningen. Dit geldt ook voor de opslag van CCM voor andere bedrijven. Volgens de Omgevingsdienst vindt de opslag van CCM aan de [locatie B] mede plaats voor de veehouderij aan de [locatie D] in Lemelerveld, die behoort tot hetzelfde bedrijf. In het controlerapport is beoordeeld dat dit in overeenstemming is met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning en dat de afvoer van CCM naar het andere bedrijf ook kan plaatsvinden in overeenstemming met de geldende geluidgrenswaarden.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het door het college en de Omgevingsdienst verrichte onderzoek onvoldoende is geweest.
Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
6. [appellant] heeft op de zitting verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
6.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk.
Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 28 oktober 2022. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kors
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
687-1187