Uitspraak 202403015/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4417
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij mutatie van 10 maart 2022 heeft de Lokale Stuurgroep (LSG) het adres van de woning van [appellant A] toegevoegd aan de werkvoorraad van het Lokaal Plan van Aanpak (LPA) van de gemeente Groningen. Bij besluit van 17 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant A] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over: 1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (zaak 202403009/1/A2); 2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2); 3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende 4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het LPA ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (onderhavige zaak 202403015/1/A2). Deze uitspraak gaat over de feitelijke toevoeging van de woning aan de werkvoorraad van het LPA ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202403015/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B] (tezamen en in enkelvoud: [appellant A]), wonend in Groningen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 april 2024 in zaak nr. 22/4442 in het geding tussen:
[appellant A]
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen.
Procesverloop
Bij mutatie van 10 maart 2022 heeft de Lokale Stuurgroep (LSG) het adres van de woning van [appellant A] toegevoegd aan de werkvoorraad van het Lokaal Plan van Aanpak (LPA) van de gemeente Groningen.
Bij besluit van 17 november 2022 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 juni 2026, waar [appellant A], ook als vertegenwoordiger van [appellante B], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.O. Bakker, zijn verschenen.
Inleiding
1. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant A] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over:
1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (zaak 202403009/1/A2);
2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2);
3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende
4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het LPA ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (onderhavige zaak 202403015/1/A2).
2. Daarnaast is een zaak bij de Afdeling aanhangig die gaat over de inhoudelijke beoordeling van de woning aan de veiligheidsnorm (zaak 202307269/1/A2), waarin de Afdeling op 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3976, tussenuitspraak heeft gedaan. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties waarin hij heeft vastgesteld dat de woning van [appellant A] voldoet aan de veiligheidsnorm en niet versterkt hoeft te worden (het normbesluit), onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd vanwege onvolkomenheden in het daaraan ten grondslag gelegde deskundigenadvies.
3. Deze uitspraak gaat over de feitelijke toevoeging van de woning aan de werkvoorraad van het LPA ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken.
Procedure in de besluitvormingsfase
4. [appellant A] is sinds 1991 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Groningen. De woning is in zijn opdracht gebouwd. Hij verricht vanuit de woning ook beroepsmatig werkzaamheden.
5. Op 13 december 2019 heeft [appellant A] bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (de voorganger van het Instituut Mijnbouwschade Groningen, verder: het Instituut) melding gemaakt van een acuut onveilige situatie (AOS). Deskundigenbureau W2N Groningen B.V. heeft op 14 december 2019 in opdracht van het Instituut een inspectie verricht. De deskundige heeft vastgesteld dat de muren geen scheefstand vertonen en de betonnen vloerplaten voldoende oplegging op de muren en stalen draagprofielen hebben. Verder is vastgesteld dat er scheurvorming is in het metsel- en stucwerk en tussen de betonnen vloerplaten, maar dat er geen acuut gevaar aanwezig is. De bouwkundig inspecteur heeft daarom geconcludeerd dat de AOS-melding ongegrond is en dit ook bij de inspectie aan [appellant A] medegedeeld.
6. Vanaf 2 maart 2020 is het Loket Opname op Verzoek (LOOV) van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) geopend. Eigenaren die zich zorgen maken over de veiligheid van hun woning kunnen een opname aanvragen. Deze mogelijkheid is specifiek bedoeld voor woningen die niet zijn opgenomen in het versterkingsprogramma van de NCG, maar wel in een van de aardbevingsgemeenten staan. Als een aanvraag voldoet aan de voorwaarden, laat de NCG een opname uitvoeren om te bepalen of er aanleiding is om te beoordelen of de woning aan de veiligheidsnorm voldoet. Als dat het geval is, voegt de betreffende gemeente het adres van de woning toe aan het (jaarlijks op te stellen) LPA, waarin staat welke woningen dat jaar moeten worden onderzocht.
7. Op 27 mei 2020 heeft [appellant A] bij het LOOV verzocht om opname van zijn woning.
8. Zonneveld ingenieurs bv heeft vervolgens in opdracht van de NCG de woning opgenomen en beoordeeld. In het advies van 22 april 2021 heeft deze deskundige op grond van de analyse van de waargenomen afwijkingen ten opzichte van de oorspronkelijke gebouwde situatie geadviseerd om nader onderzoek te laten uitvoeren naar de statische situatie van de woning.
9. Naar aanleiding van het advies van 22 april 2021 heeft de NCG namens de minister op 14 februari 2022, gehandhaafd bij besluit van 24 april 2023, bepaald dat de woning van [appellant A] in aanmerking komt voor een beoordeling of de woning aan de veiligheidsnorm voldoet dan wel voor versterking in aanmerking komt. In het opnamebesluit van 14 februari 2022 staat dat de NCG de gegevens over de woning doorgeeft aan de gemeente en dat de gemeente het gebouw dan opneemt in het LPA. In het LPA staat welke gebouwen in dat jaar worden onderzocht en beoordeeld. De gemeenteraad maakt elk jaar een LPA. Het lukt niet altijd om een gebouw meteen op te nemen in het LPA. Als de woning van [appellant A] aan de beurt is voor een beoordeling, ontvangt hij hierover bericht van de gemeente en de NCG. De gemeente kan bij dringende gevallen gebouwen met voorrang laten beoordelen door de NCG.
10. De LSG heeft in haar vergadering van 10 maart 2022 de woning van [appellant A] toegevoegd aan het LPA. Dit heeft de gemeente per e-mail van 12 september 2022 aan [appellant A] gecommuniceerd.
11. Het bezwaar van [appellant A] tegen de toevoeging van de woning aan het LPA door de LSG heeft het college niet-ontvankelijk verklaard, omdat de LSG een overlegstructuur is en geen bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beslissingen van de Lokale Stuurgroep zijn dus geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Uitspraak van de rechtbank
12. De rechtbank heeft geoordeeld dat de LSG geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 van de Awb, omdat het geen orgaan is van een publiekrechtelijke rechtspersoon en ook niet anderszins met openbaar gezag is bekleed. De LSG is een middel tot overleg tussen instanties die betrokken zijn bij de versterkingsopgave. De toevoeging aan het LPA is ook geen besluit, maar een beslissing die aangemerkt kan worden als onderdeel van de voorbereiding van een (norm)besluit, waartegen op grond van artikel 6:3 van de Awb geen bezwaar of beroep openstaat. Daarom heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Hoger beroep
13. [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de toevoeging van zijn adres aan het LPA geen besluit is. Subsidiair betoogt hij dat het gaat om een beslissing die hem los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Hij wijst erop dat de toevoeging aan het LPA rechtstreeks bepaalt of een gebouw wordt onderzocht, wanneer een gebouw wordt onderzocht, wanneer een normbesluit volgt en daarmee wanneer eventuele versterkingsmaatregelen kunnen worden uitgevoerd. Verder wijst hij erop dat in de regelgeving over de versterkingsoperatie een zelfstandige verantwoordelijkheid wordt toegekend aan gemeenten voor het LPA, de planning, de prioritering en de uitvoering van het versterkingsprogramma. Daarmee bepaalt de gemeente wanneer de NCG verder kan met de beoordeling van een gebouw. De gemeentelijke prioritering en toevoeging van het adres aan de LPA kunnen in de latere procedure over het zogenoemde normbesluit niet effectief meer worden bestreden, terwijl volgens [appellant A] al langer bekend was dat zijn woning versterkt moest worden. Daarbij wijst hij in het bijzonder op een door hem op 17 juli 2020 bij de NCG, het Instituut en de gemeente Groningen ingediende constructieve beoordeling van zijn woning door ing. A. Nanninga. Hierdoor moest zijn woning een hoger risicoprofiel en andere prioritering krijgen in het versterkingsprogramma. Daardoor had zijn woning al eerder inhoudelijk aan de veiligheidsnorm moeten worden beoordeeld. Indien tegen de prioritering en toevoeging van het adres aan de LPA geen rechtsbescherming openstaat, leidt dit ook tot strijd met artikel 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Tot slot wijst [appellant A] erop dat in strijd met het Besluit versterking gebouwen Groningen er geen Tijdelijke Commissie Versterking is gekomen, waardoor de NCG die taken uitvoert.
Beoordeling van het hoger beroep
14. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of [appellant A] belang heeft bij deze procedure.
15. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
16. De feitelijke toevoeging van het adres van de woning van [appellant A] aan het LPA brengt mee dat wordt beoordeeld of de woning aan de veiligheidsnorm voldoet dan wel moet worden versterkt. Dat is inmiddels ook gebeurd. Het besluit van de NCG dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm ligt ter beoordeling voor in de onder 2 genoemde zaak met nummer 202306306/1/A2. Daarmee is bereikt wat met de toevoeging van het adres aan het LPA bereikt kan worden.
17. [appellant A] heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat hij niet een andere uitkomst wil, maar dat hij een oordeel wil over de vraag of de LSG de hier ter discussie gestelde mutatie eerder had moeten verrichten omdat zij de daartoe benodigde informatie in 2019/2020 al had of had kunnen hebben als het Instituut die zou hebben doorgestuurd. In dat geval zou zijn woning eerder zijn beoordeeld. Dat had ertoe geleid dat de woning aan de hand van een oudere NPR dan die uit 2020 zou zijn beoordeeld en volgens hem dan in aanmerking was gekomen voor versterkingsmaatregelen.
18. Het enkele feit dat de mutatie mogelijk eerder had kunnen worden verricht, daargelaten of dat in dit geval en om de door [appellant A] genoemde redenen zo is, maakt niet dat er procesbelang is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het werkelijke belang van [appellant A], namelijk versterking van de woning, daarmee niet kan worden bereikt. De Afdeling merkt daarover nog op dat een eerdere opname van de woning binnen het LPA ook niet zonder meer zou hebben betekend dat de woning eerder en daarmee op grond van een oudere NPR dan die uit 2020 zou zijn beoordeeld, daargelaten of dat tot een versterkingsbesluit zou hebben geleid. Binnen het LPA bepaalt de prioritering op basis van urgentie de volgorde waarin een gebouw wordt beoordeeld. Er is geen grond voor het oordeel dat de prioritering, waarbij voorrang is gegeven aan de bewoners van woningen in het kerngebied, aan de bewoners die het zich niet konden veroorloven een deskundige in te schakelen en aan de bewoners van woningen die acuut onveilig waren, niet op deze wijze mag worden ingericht. De door [appellant A] overgelegde stukken van Vergnes en deskundige Nanninga bieden geen aanknopingspunten dat de woning van [appellant A] ten opzichte van de gehanteerde prioritering noodzakelijk met voorrang beoordeeld of versterkt moet worden. Het stuk van Vergnes adviseert slechts om de woning op te nemen in de versterkingsoperatie. De constructieve beoordeling van deskundige Nanninga is een doorrekening van de woning op basis van een oudere NPR dan die uit 2020.
19. De inhoudelijke beoordeling van de woning aan de veiligheidsnorm en de vraag welke versie van de NPR daarvoor moet worden gebruikt, is echter geen onderwerp van deze procedure. De uitkomst van de beoordeling of de woning voldoet aan de veiligheidsnorm dan wel voor versterking in aanmerking komt kan afzonderlijk ter beoordeling aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Daarbij kan ter discussie worden gesteld of de juiste beoordelingssystematiek is gevolgd, waaronder de vraag of de beoordeling heeft plaatsgevonden aan de juiste versie van de NPR. Dat heeft [appellant A] in dit geval ook gedaan en de Afdeling heeft dat ook getoetst in de zaak die heeft geleid tot de tussenuitspraak van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3976.
20. De slotsom is dat het doel dat [appellant A] voor ogen heeft niet kan worden bereikt met deze procedure. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
21. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
22. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
23. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1120