Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202403011/1/A2

Uitspraak 202403011/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4413
Datum uitspraak
29 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 september 2022 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen de aanvraag van [appellant] om een vergoeding van waardedaling van zijn woning afgewezen. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over: 1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (zaak 202403009/1/A2); 2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (onderhavige zaak 202403011/1/A2); 3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende 4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2). Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om vergoeding van waardedaling van de woning van [appellant]. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken. [appellant] is sinds 1991 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Groningen. De woning is in zijn opdracht gebouwd. Hij verricht vanuit de woning ook beroepsmatig werkzaamheden. Op 2 augustus 2022 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om vergoeding van de waardedaling van zijn woning ontvangen.
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202403011/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend in Groningen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 4 april 2024 in zaak nr. 23/1499 in het geding tussen:

[appellant]

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2022 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om een vergoeding van waardedaling van zijn woning afgewezen.

Bij besluit van 7 februari 2023 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 juni 2026, waar [appellant A], ook als vertegenwoordiger van [appellante B], vergezeld door ing. A. Nanninga, en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. C.L. Kuipers, zijn verschenen.

Inleiding

1.       De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over:

1.       de fysieke mijnbouwschade aan de woning (zaak 202403009/1/A2);
2.       de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (onderhavige zaak 202403011/1/A2);
3.       de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende
4.       feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2).

2.       Daarnaast is een zaak bij de Afdeling aanhangig die gaat over de inhoudelijke beoordeling van de woning aan de veiligheidsnorm (zaak 202307269/1/A2), waarin de Afdeling op 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3976, tussenuitspraak heeft gedaan. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties waarin hij heeft vastgesteld dat de woning van [appellant] voldoet aan de veiligheidsnorm en niet versterkt hoeft te worden (het normbesluit), onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd vanwege onvolkomenheden in het daaraan ten grondslag gelegde deskundigenadvies.

3.       Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om vergoeding van waardedaling van de woning van [appellant]. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken.

Procedure in de besluitvormingsfase

4.       [appellant] is sinds 1991 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Groningen. De woning is in zijn opdracht gebouwd. Hij verricht vanuit de woning ook beroepsmatig werkzaamheden.

5.       Op 2 augustus 2022 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om vergoeding van de waardedaling van zijn woning ontvangen. In een e-mail van 10, 11 en 12 augustus 2022 heeft [appellant] erop gewezen dat hij in 2019 bij de aanvraag om vergoeding van de fysieke schade aan zijn woning het Instituut heeft verzocht ook rekening te houden met vermogensschade. Volgens hem moeten de in dat kader overgelegde stukken worden betrokken bij de berekening van de vergoeding van waardedaling. Daarbij gaat het onder meer om tegenadviezen over de fysieke schades aan zijn woning en over de gewenste versterkingsmaatregelen, gelet op de Nederlandse Prakrijkrichtlijn 9998 (NPR) en de veiligheidsnorm.

6.       Het Instituut heeft op 6 september 2022, gehandhaafd bij besluit van 7 februari 2023, het verzoek van [appellant] om een vergoeding voor waardedaling toe te kennen afgewezen. Daaraan heeft het Instituut ten grondslag gelegd dat de woning buiten het gebied ligt waar waardedaling enkel vanwege de ligging in het aardbevingsgebied is vastgesteld. Uit het onderzoek van Atlas voor gemeenten (J. Poort e.a., 'Zeven bewogen jaren', oktober 2019) is gebleken dat er geen waardedaling is opgetreden in gebieden waar op dat moment voor minder dan 20% van de schadeclaims een vergoeding in verband met aardbevingsschade ten gevolge van mijnbouwactiviteiten was toegekend. De woning van [appellant] ligt in een postcodegebied waar 1 tot 10 procent van de schadeaanvragen heeft geleid tot een toekenning van een schadevergoeding vanwege fysieke schade. Voor zover het gaat om de schades aan de woning wordt deze waardedaling gecompenseerd door een vergoeding voor herstel van de schades. De NPR en de overgelegde stukken gaan over de beoordeling van de woning in het kader van de versterkingsoperatie en zijn daarom door het Instituut in de procedure over waardedaling niet meegenomen.

Uitspraak van de rechtbank

7.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de abstracte wijze van begroting van de waardedaling aan de hand van het Atlasmodel toelaatbaar is en door het Instituut mocht worden toegepast, waarbij in individuele gevallen ruimte bestaat om onevenredige uitkomsten te corrigeren door toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Awb. Niet in geschil is dat de woning niet in het vastgestelde risicogebied ligt en daarom in beginsel niet voor vergoeding van waardedaling in aanmerking komt. Het Instituut hoefde in dit geval niet met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van het in beleid vastgelegde uitgangspunt dat woningen die buiten het vastgestelde risicogebied liggen niet voor een waardedalingsvergoeding in aanmerking komen. De mogelijkheid van fysieke schade aan de woning is verdisconteerd in de waardedalingsregeling en uit onderzoek blijkt dat fysieke schade aan een woning op zichzelf geen verlagend effect heeft op de waarde van een woning, wanneer deze schade is hersteld. De beoordeling van aardbevingsbestendigheid aan de hand van de NPR houdt verder geen verband met de vraag wat de waardedaling van een woning is geweest als gevolg van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Dit leidt er niet toe dat de beleidsmatige keuze van het instituut niet redelijk en aanvaardbaar zou zijn.

Hoger beroep

8.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Instituut in zijn geval niet met toepassing van artikel 4:84 van de Awb hoefde af te wijken van het beleid dat woningen die buiten het vastgestelde risicogebied liggen niet voor een waardedalingsvergoeding in aanmerking komen. De rechtbank heeft daarbij miskend dat hij onevenredig geschaad wordt door de toepassing van de gehanteerde methode voor de beoordeling van de waardedaling van zijn woning. Volgens die methode zou zijn woning niet in waarde zijn gedaald, terwijl dat feitelijk wel het geval is. Dat komt doordat de waardedalingsprocedure geïsoleerd wordt beoordeeld, terwijl er samenhang zit tussen de verschillende schadeprocedures. Daarbij wijst hij ook in hoger beroep op de vastgestelde fysieke schades aan zijn woning, de volgens hem benodigde versterkingsmaatregelen om de woning veiliger te maken en de daarover door hem overgelegde deskundigenadviezen, waaronder het versterkingsrapport van ing. A. Nanninga van 17 juli 2020. Ook wijst hij erop dat het model van Atlas niet geschikt is voor woningen die versterkt moeten worden en dat het voor de burger onvoldoende controleerbaar en onvoldoende inzichtelijk is. Verder wordt volgens [appellant] artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM geschonden, omdat geen inhoudelijke toetsing van zijn individuele situatie plaatsvindt en de door hem aangedragen onevenredige uitkomsten van het model niet worden gecorrigeerd. Ook zijn volgens hem de artikelen 6 en 13 van het EVRM geschonden, omdat hij niet effectief de grondslag van het besluit kan bestrijden.

9.       [appellant] heeft desgevraagd op de zitting bevestigd dat hij niet betwist dat het Instituut in beginsel de in de Procedure en werkwijze van het Instituut neergelegde methode van Atlas mag hanteren voor het vaststellen van de waardedaling van een woning.

Oordeel van de Afdeling

10.     De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat de woning van [appellant] buiten het gebied ligt waar waardedaling volgens het model van Atlas voorkomt. De kern van het geschil is of het Instituut in dit concrete geval mocht volstaan met een modelmatige benadering.

11.     In de uitspraak van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1536, heeft de Afdeling geoordeeld dat er in individuele gevallen ruimte bestaat om onevenredige uitkomsten van het model van Atlas te corrigeren met toepassing van artikel 4:84 van de Awb. Dit is ook het geval waar het gaat om de afbakening van het waardedalingsgebied.

12.     De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het Instituut in dit geval niet met toepassing van artikel 4:84 van de Awb hoefde af te wijken van het beleid dat woningen die buiten het vastgestelde risicogebied liggen niet voor een waardedalingsvergoeding in aanmerking komen. De in het geding zijnde waardedalingsvergoeding is bedoeld voor de schade die voortvloeit uit het enkele feit dat de woning ligt in een gebied met (het risico op) aardbevingen als gevolg van de gaswinning in Groningen. Het gaat hierbij om de ten opzichte van buiten het risicogebied liggende woningen achtergebleven waardeontwikkeling. Uit onderzoek is immers gebleken dat (potentiële) kopers bewust of onbewust het risico op aardbevingen door de gaswinning in Groningen hebben ingecalculeerd bij de prijs voor de aanschaf van een woning in het waardedalingsgebied.

13.     De in het geding zijnde waardedalingsvergoeding staat daarmee los van de fysieke schade of eventueel benodigde versterkingsmaatregelen. De waardedaling van een woning door fysieke schades wordt weggenomen door herstel van die schades. Voor zover deze schades het gevolg zijn van de gaswinning in Groningen kan de betrokkene daarvoor afzonderlijk een vergoeding aanvragen bij het Instituut. Dat heeft [appellant] in dit geval ook gedaan. Uit het onderzoek van Atlas is gebleken dat schade aan een verkochte woning geen aanvullende verklaring biedt voor het optreden van waardedaling, wanneer deze schade is hersteld. Voor de door [appellant] bepleite samenhangende beoordeling bestaat daarom geen aanleiding.

14.     Dat geldt ook voor de door [appellant] gewenste samenhangende beoordeling met de versterkingsvraag. Waar het gaat om de kosten van versterkingsmaatregelen, zal de waardedaling die wordt veroorzaakt door die kosten op zich, in het algemeen worden weggenomen door de uitvoering van de versterkingsmaatregelen. Weliswaar betoogt [appellant] terecht dat uit het advies van de adviescommissie Waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen (de adviescommissie) volgt dat de methode van Atlas niet is ingericht op woningen die versterkt zijn of moeten worden, maar in het advies is ook vermeld dat bij versterkte woningen moet worden vastgesteld of de versterking de waardedaling die anders zou zijn opgetreden, heeft weggenomen. Bij woningen die nog versterkt moeten worden, zal steeds moeten worden vastgesteld of de waarde daarvan nog overeenkomt met de waardering die in het model wordt verondersteld, bijvoorbeeld omdat de schade zo groot is dat geen sprake meer kan zijn van een waarde in het economisch verkeer. Als niet van een grote schade sprake is maar van de noodzaak van preventieve versterking, moet worden onderzocht wat de effecten zijn van een versterking. Daarbij moet de vraag worden beantwoord of het aannemelijk is dat de waarde van de woning erdoor wordt beïnvloed en zo ja, in welke mate.

15.     In dit geval is de woning van [appellant] niet versterkt en staat ook nog niet in rechte vast dat de woning al dan niet versterkt moet worden. Het Instituut hoefde dus ook in dit geval niet af te wijken van de methode van Atlas en individueel te onderzoeken of de woning, ondanks dat deze buiten het afgebakende waardedalingsgebied ligt, alsnog een waardedaling door achtergebleven waardeontwikkeling heeft ondervonden. Het ligt uiteraard in de rede dat, mocht in rechte komen vast te staan dat de woning van [appellant] versterkt moet worden, het Instituut alsnog met inachtneming van het advies van de adviescommissie beoordeelt of al dan niet sprake is van achtergebleven waardeontwikkeling.

16.     De Afdeling volgt tot slot [appellant] niet in zijn betoog dat artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM, artikel 6 en artikel 13 van het EVRM zijn geschonden. In dit geval is er een inhoudelijke toetsing van zijn individuele situatie en is er ook een mogelijkheid om onevenredige uitkomsten van het model te corrigeren. Ook kan hij effectief de grondslag van het besluit bestrijden. De keuze voor de hantering van het model is ook toetsbaar en controleerbaar door de bestuursrechter. Dat [appellant] het niet eens is met de uitkomst van de beoordeling, betekent niet dat daarmee de door hem aangehaalde bepalingen uit het EVRM worden geschonden.

17.     Het betoog slaagt niet.

Conclusie

18.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

19.     Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Kouidar
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026

1120


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon