Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202501189/1/R2

Uitspraak 202501189/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4407
Datum uitspraak
29 juli 2026
Inhoudsindicatie
Gemeente Meierijstad mag voor een periode van maximaal vijftien jaar 500 arbeidsmigranten huisvesten in het Veghelse buurtschap Dorshout. Bezwaren van omwonenden tegen de omgevingsvergunning die de gemeente heeft verleend voor honderd vier- tot zespersoons logiesverblijven, zijn ongegrond. Volgens de omwonenden is geen sprake van logies, maar heeft de bewoning van de tiny houses een duurzaam karakter. Bovendien zouden er meer geschikte alternatieve locaties zijn. De grootschalige huisvesting geeft overlast in het buurtschap, aldus de bezwaarmakers. Zij kwamen eerder tegen de omgevingsvergunning in beroep bij de rechtbank Oost-Brabant, maar die verklaarde hun bezwaren ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt vandaag dus de eerdere uitspraak van de rechtbank op dit punt. Maar ontwikkelaar Het Knokert Kwartier die initiatiefnemer is van het project, kwam ook in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij is het niet eens met het moment waarop de tijdelijke vergunning ingaat. Volgens haar ziet het project op de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten voor een periode van maximaal vijftien jaar en niet alleen op het laten staan van de gebouwen voor vijftien jaar. Anders zou de exploitatie financieel niet rendabel zijn. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de bouwwerkzaamheden deel uitmaken van die vijftien jaar. Anders dan de rechtbank maakt de Afdeling bestuursrechtspraak uit de aanvraag voor de vergunning op dat deze is ingediend om gedurende vijftien jaar daadwerkelijk arbeidsmigranten te huisvesten: “beoogd is dus een exploitatietermijn van de short stay van vijftien jaar.” De ontwikkelaar krijgt dus gelijk van de Afdeling bestuursrechtspraak.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202501189/1/R2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Veghel, gemeente Meierijstad,

2.       [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],

3.       Het Knokert Kwartier B.V., gevestigd in Venray,

appellanten,

tegen de tussenuitspraak van 29 mei 2024 en de einduitspraak van 17 januari 2025 van de rechtbank Oost-­Brabant in zaken nrs. 23/3262 en 23/3264 in het geding tussen:

[appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2023 heeft het college aan Het Knokert Kwartier een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van 100 vier- tot zespersoons logiesverblijven en een ontvangstgebouw voor tijdelijke huisvesting gedurende maximaal vijftien jaar van shortstay internationale medewerkers op een perceel aan de Dorshout in Veghel.

Bij tussenuitspraak van 29 mei 2024 heeft de rechtbank naar aanleiding van de door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen daartegen ingestelde beroepen het college in de gelegenheid gesteld om de in die uitspraak geconstateerde gebreken in het besluit van 27 oktober 2023 te herstellen.

Het college heeft bij besluit van 13 augustus 2024 de omgevingsvergunning van 27 oktober 2023 ingetrokken, opnieuw een omgevingsvergunning verleend en daaraan een aantal gewijzigde voorschriften verbonden (herstelbesluit).

Bij einduitspraak van 17 januari 2025 heeft de rechtbank de beroepen tegen het besluit van 27 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard, de beroepen tegen het besluit van 13 augustus 2024 gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk vernietigd en voor het overige in stand gelaten, bepaald dat aan het besluit van 13 augustus 2024 een nieuw voorschrift wordt verbonden, bepaald dat de termijn van de vergunning voor de activiteit uitweg en de instandhoudingstermijn aanvangen op 24 augustus 2024 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 13 augustus 2024 voor zover vernietigd.

Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hoger beroep ingesteld. Het Knokert Kwartier heeft tegen de einduitspraak hoger beroep ingesteld.

Het college, [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 juni 2026, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, Het Knokert Kwartier, vertegenwoordigd door mr. H.P. Wiersema, advocaat in 's-Hertogenbosch, mr. Th.F. Roest, advocaat in Haarlem, [persoon A],[persoon B] en, via een digitale verbinding, [persoon C], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen en J. de Vries, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 april 2022. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het Knokert Kwartier wil op een perceel in Veghel, sectie L, nummers 412, 4458, 4459 en 4367, 100 vier- tot zespersoons logiesverblijven (tiny houses) en een ontvangstgebouw realiseren voor tijdelijke huisvesting gedurende vijftien jaar van maximaal 500 arbeidsmigranten. De aanvraag betreft de activiteiten bouwen, planologische afwijking en uitweg. Op het perceel was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd. Omdat de ter plaatse geldende agrarische bestemming zich tegen de bouw verzet, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen zijn omwonenden en eigenaren van gronden in de nabijheid van het perceel. Zij vrezen voor negatieve gevolgen van de huisvesting van arbeidsmigranten voor met name hun woon- en leefklimaat. Het Knokert Kwartier is de initiatiefnemer.

2.1.    Met het herstelbesluit heeft het college het besluit van 27 oktober 2023 ingetrokken, opnieuw een omgevingsvergunning aan Het Knokert Kwartier verleend en daaraan gewijzigde voorschriften verbonden. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen komen in hoger beroep niet op tegen de niet-ontvankelijkverklaring in de einduitspraak door de rechtbank van hun beroepen tegen het besluit van 27 oktober 2023. De Afdeling laat een inhoudelijke bespreking van dat besluit daarom achterwege. Zij zal de hoger beroepen beoordelen in het licht van wat de rechtbank heeft geoordeeld over het herstelbesluit.

Ontvankelijkheid

3.       [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat het hoger beroep van Het Knokert Kwartier niet-ontvankelijk is omdat zij opkomt tegen de door de rechtbank vernietigde verruimde instandhoudingstermijn in het herstelbesluit terwijl zij tegen de aanvankelijk in het besluit van 27 oktober 2023 gegeven instandhoudingstermijn niet in beroep is opgekomen.

3.1.    Met het herstelbesluit heeft het college een ruimere instandhoudingstermijn vergund dan in het besluit van 27 oktober 2023. De rechtbank heeft het herstelbesluit in de einduitspraak in zoverre vernietigd en een beperktere termijn vastgesteld. Het Knokert Kwartier kon daar niet eerder dan na de einduitspraak tegen opkomen. De omstandigheid dat Het Knokert Kwartier niet is opgekomen tegen de instandhoudingstermijn in het besluit van 27 oktober 2023 en uit de tussenuitspraak niet voortvloeit dat deze termijn moet worden verlengd, maakt niet dat zij geen belang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep. Het is in haar belang dat zij over een ruimere termijn beschikt, zoals haar met het herstelbesluit is vergund. Haar hoger beroep is ontvankelijk.

Toetsingskader

4.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

De hoger beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen

5.       [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat de beleidsnotitie "Huisvesting arbeidsmigranten" (beleidsnotitie), zoals vastgesteld door de raad van de gemeente op 6 juni 2019, een ruimtelijk kader voor de huisvesting van arbeidsmigranten biedt. De beleidsnota is daarvoor onvoldoende concreet en te algemeen geredigeerd. De beleidsnotitie is geen instrument als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 2.1, van de gemeentelijke Regeling instrumenten ruimtelijke ordening (regeling).

5.1.    Wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen in hoger beroep ter onderbouwing van deze beroepsgrond hebben aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is onder 6.4 in de tussenuitspraak gemotiveerd op die beroepsgrond ingegaan. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de tussenuitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en in de onder 6.4 van de tussenuitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zijn in de beleidsnotitie de kaders geschetst waarbinnen het college kan beslissen zonder bij de raad een verklaring van geen bedenkingen aan te vragen. Dat in de beleidsnotitie geen concrete locaties worden genoemd, maakt niet dat geen sprake is van een instrument als bedoeld in de regeling.

Het betoog slaagt niet.

6.       [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het project past in de categorie ‘aan de rand van bedrijventerreinen’ dan wel ‘nabij bedrijventerreinen’ uit de beleidsnotitie. Het gaat hier om de ligging in agrarisch buitengebied, dus de categorie ‘buitengebied’ is van toepassing. Voor de categorie ‘aan de rand van bedrijventerreinen’ is volgens hen vereist dat het project op het bedrijventerrein ligt. Voor de categorie ‘nabij bedrijventerreinen’ is volgens hen vereist dat het project in stedelijk gebied ligt.

6.1.    De beleidsnotitie noemt in paragraaf 2.5 onder meer de categorieën ‘op bedrijventerreinen’, ‘nabij bedrijventerreinen’ en ‘buitengebied’. In paragraaf 2.4 staat ook ‘aan de rand van bedrijventerreinen’. Daarmee wordt, gelet op het bestaan van de categorie ‘op bedrijventerreinen’, naar het oordeel van de Afdeling hetzelfde bedoeld als met ‘nabij bedrijventerreinen’. Gelet op wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen in hoger beroep hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat wat de rechtbank over deze beroepsgrond onder 7.3 van de tussenuitspraak heeft overwogen onjuist of onvolledig is. De projectlocatie ligt in de directe nabijheid van bedrijventerrein De Amert. De rechtbank heeft terecht en deugdelijk gemotiveerd overwogen dat het college heeft kunnen aansluiten bij de specifieke categorie ‘nabij bedrijventerreinen’. Aan de criteria voor die categorie moet worden getoetst. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat uit de beleidsnotitie niet kan worden opgemaakt dat de categorie ‘nabij bedrijventerreinen’ is beperkt tot short stay-situaties in stedelijk gebied.

Het betoog slaagt niet.

7.       [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voldoende heeft onderbouwd dat de huisvesting past bij het industriële karakter van het bedrijventerrein De Amert. Door de gespreide ligging van de honderd tiny houses is volgens hen eerder sprake van een woonomgeving of een recreatieterrein. Dat past volgens hen niet bij een bedrijventerrein. Het project is daarom volgens hen strijdig met de desbetreffende voorwaarde uit de beleidsnotitie.

7.1.    Wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen in hoger beroep ter onderbouwing van deze beroepsgrond hebben aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is onder 8.2 in de tussenuitspraak gemotiveerd op die beroepsgrond ingegaan. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de tussenuitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en in de onder 8.2 van de tussenuitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daar nog aan toe dat grootschalige huisvesting in de beleidsnotitie wordt uitgelegd in die zin dat er sprake is van grootschalige huisvesting als er meer dan 51 arbeidsmigranten op één locatie verblijven. Het is daarmee een vorm van verstedelijking. Het gebied is door de provincie aangemerkt als ‘verstedelijking afweegbaar’. De locatie is bedoeld voor maximaal 500 personen, die merendeels zullen werken op het bedrijventerrein De Amert. De exploitatie is bedrijfsmatig van opzet. De projectlocatie wordt van het bedrijventerrein afgeschermd door een aarden wal. Niet in geschil is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de tiny houses is gewaarborgd en dat de bedrijven op het bedrijventerrein niet in hun mogelijkheden worden beperkt door de huisvesting op de projectlocatie. In de omgevingsvergunning zijn beperkende voorschriften opgenomen die erin voorzien dat er geen reguliere woonomgeving of recreatieterrein ontstaat. Het college heeft het project passend kunnen achten (na)bij het bedrijventerrein De Amert.

Het betoog slaagt niet.

8.       [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van logies. De tiny houses beschikken over een keuken en een badkamer. De bewoning van de tiny houses heeft volgens hen een duurzaam karakter. Dat de samenstelling van de bewoners frequent wisselt en dat er een gezamenlijke fietsenstalling, een wasserette, parkeervoorzieningen en een beheerdersruimte komen, is volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen niet van belang. Het bestemmingsplan "Buitengebied" definieert het begrip ‘woning’ als een gebouw dat onder meer dient voor de huisvesting van maximaal vier personen die geen huishouden vormen.

8.1.    Uit de beleidsnotitie volgt de voorwaarde dat het moet gaan om logies. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen van mening zijn dat hier niet logies, maar wonen is vergund en zij zich beroepen op het begrip ‘woning’ in het bestemmingsplan "Buitengebied", overweegt de Afdeling dat het begrip ‘logies’ moet worden uitgelegd in de zin zoals is bedoeld in de beleidsnotitie. Daar komt nog bij dat in dit geval van het bestemmingsplan wordt afgeweken en een woning ook voor de logiesfunctie kan worden gebruikt.

Wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen in hoger beroep verder ter onderbouwing van deze beroepsgrond hebben aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is onder 8.3 in de tussenuitspraak gemotiveerd op die beroepsgrond ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en in de onder 8.3 van de tussenuitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Met de rechtbank wijst zij op voorschrift 1 bij de vergunning voor de activiteit planologische afwijking. Daaruit volgt dat een persoon slechts maximaal zes maanden in een unit mag verblijven. Er zal dus voortdurend sprake zijn van wisselende samenstellingen. Er zal geen sprake zijn van een gezamenlijk huishouden. De bewoners moeten de voorzieningen in de woningen delen. Het verblijf in de units zal niet duurzaam zijn. De bewoners hebben in de regel een woning in hun land van herkomst. Verder schrijft voorschrift 9 voor dat een nachtregister wordt bijgehouden, waarin persoons- en contactgegevens, datum aanvang huisvesting en datum beëindiging huisvesting worden opgenomen. Voor de beheerder zal daarmee duidelijk zijn wie er aanwezig is. Bewoners moeten het vast te stellen huishoudelijk reglement naleven. Bij niet-naleving kunnen sancties worden opgelegd. Verder zullen er voor de bewoners gemeenschappelijke voorzieningen buiten de units zijn. Dit alles maakt dat het college terecht van logies is uitgegaan en dat de vergunning in zoverre in overeenstemming is met de beleidsnotitie.

Het betoog slaagt niet.

9.       [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de onderbouwing van het college waarom niet voor de door hen aangedragen alternatieve locaties is gekozen, niet hebben weerlegd. Zij hebben meerdere geschikte locaties genoemd. Ook had het project kunnen worden opgedeeld in twee of meer locaties. Bij die locaties zou ook kunnen worden voorzien in gemeenschappelijke voorzieningen en 24-uurs toezicht. De rechtbank heeft in haar oordeel niet kenbaar de nadelen van het nu mogelijk gemaakte grootschalige project meegewogen. Hierdoor is niet voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en artikel 3.43, onder a en b, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov).

9.1.    Het college moet beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project waarvoor vergunning is aangevraagd. Als dat project op zichzelf aanvaardbaar is, dan kan het college in beginsel niet vanwege alternatieven voor dat project weigeren daaraan mee te werken. Het college kan dat alleen weigeren als op voorhand duidelijk is dat met één of meer alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

9.2.    Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Ingevolge artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht, voor zover relevant, is artikel 3.1.6 van het Bro van overeenkomstige toepassing voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo.

Ingevolge artikel 3.43, aanhef en onder a en b, van de Iov kan een bestemmingsplan in afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, ter plaatse van ‘Verstedelijking afweegbaar’ voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als:

a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is;

b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort.

9.3.    Wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen in hoger beroep ter onderbouwing van deze beroepsgrond hebben aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is onder 9.3 en 10.3 in de tussenuitspraak gemotiveerd op die beroepsgrond ingegaan. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de tussenuitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en in de onder 9.3 en 10.3 van de tussenuitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het project niet in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en artikel 3.43, aanhef en onder a en b, van de Iov.

Daarbij overweegt de Afdeling nog dat de alternatieve locaties niet gelijkwaardig zijn omdat deze op grotere afstand van het bedrijventerrein De Amert zijn gelegen, wat meer reisbewegingen zou genereren. Dat die locaties niettemin aanmerkelijk minder bezwaren met zich brengen, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Uit wat het college naar voren heeft gebracht, volgt bovendien dat de behoefte in de gemeente aan logiesverblijven voor arbeidsmigranten veel groter is dan de nu mogelijk gemaakte 100 logiesverblijven voor 500 arbeidsmigranten. Ook de alternatieve locaties zullen mogelijk daarvoor in beeld komen.

Het betoog slaagt niet.

10.     [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat draagvlak voor de ontwikkeling ontbreekt, niet wil zeggen dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning al daarom onrechtmatig is. De rechtbank heeft volgens hen niet onderkend dat Het Knokert Kwartier zich niet voldoende heeft ingespannen om draagvlak te creëren. Dit is te meer nodig omdat is afgeweken van het bestemmingsplan.

10.1.  Wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen in hoger beroep ter onderbouwing van deze beroepsgrond hebben aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is onder 12.2 in de tussenuitspraak gemotiveerd op die beroepsgrond ingegaan. Draagvlak is geen wettelijke voorwaarde voor het mogelijk maken van de gevraagde short stay-voorziening. Het ontbreken van draagvlak bij de bewoners van het buurtschap Dorshout betekent niet dat het college de omgevingsvergunning niet met afwijking van het bestemmingsplan kon verlenen. De rechtbank heeft onder 12.1 uiteengezet welke handelingen Het Knokert Kwartier heeft verricht om draagvlak te verkrijgen. Dat ondanks de gehouden bijeenkomsten geen of te weinig draagvlak is verkregen, betekent niet dat onvoldoende is getracht om draagvlak te verkrijgen. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de tussenuitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en in de onder 12.1 en 12.2 van de tussenuitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Het betoog slaagt niet.

11.     [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel niet ten koste hoeft te gaan van de kwaliteit van de leefomgeving, de veiligheid en de gezondheid van omwonenden. Er komen te veel mensen wonen. Het is waarschijnlijk dat arbeidsmigranten zich te voet en te fiets door het buurtschap Dorshout gaan bewegen en daar voor overlast zorgen. Uit de beleidsnotitie volgt dat de omvang en aard van de huisvesting afhankelijk zijn van de draagkracht van de omgeving. Het project gaat de draagkracht van het buurtschap Dorshout ver te boven. De raad had daarom over het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen moeten beslissen.

11.1.  De rechtbank is in de tussenuitspraak onder 13.5 en 13.6 ingegaan op wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen nu in hoger beroep hebben aangevoerd. Zij heeft overwogen dat een omgevingsvergunning voor de grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten op deze locatie niet ten koste hoeft te gaan van de kwaliteit van de leefomgeving, de veiligheid en de gezondheid van omwonenden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank dit op goede gronden overwogen.

De Afdeling realiseert zich dat het karakter van het buurtschap Dorshout zal veranderen door de komst van de locatie voor de arbeidsmigranten. Om de gevolgen te beperken heeft het college voorzien in een verplicht gestelde landschappelijke inpassing. De ontsluiting van de projectlocatie is zodanig gesitueerd dat de bewoners aan de noordzijde van de projectlocatie daar weinig gevolgen van zullen ondervinden. Het woon-/werkverkeer is beperkt omdat de locatie naast het bedrijventerrein De Amert ligt, waar veel van de arbeidsmigranten zullen komen te werken. Voor zover het betreft de situatie op de locatie is voorzien in een sanctiebeleid waar de beheerder toezicht op houdt. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen vrezen voor overlast buiten het terrein, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van openbare orde en handhaving is, die niet verder in deze procedure aan de orde kan komen.

De Afdeling betrekt hierbij ook het volgende. De rechtbank heeft onder 13.6 van de tussenuitspraak overwogen dat de voorschriften van de vergunning van 27 oktober 2023 onvoldoende borging bieden om de negatieve gevolgen van de ontwikkeling voor de omgeving voldoende te beperken. Zij heeft het college daarom in de gelegenheid gesteld het besluit van 27 oktober 2023 te herstellen. In het herstelbesluit heeft het college, voor zover hier van belang, de voorschriften 7, 8 en 13 aangepast. In de einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen tegen de voorschriften 7 en 8 hebben aangevoerd, niet leidt tot een vernietiging van het herstelbesluit. Voor zover het gaat om voorschrift 13 heeft de rechtbank overwogen dat dit onvoldoende concreet is bepaald. Zij heeft dit voorschrift in de beslissing zelf voorziend aangepast door onder meer te bepalen dat op de naleving van het huishoudelijk reglement moet worden toegezien en dat het sanctiebeleid en wijzigingen daarvan moeten worden voorgelegd aan het bevoegd gezag en omwonenden in een straal van 1 km van de projectlocatie. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen zijn in hoger beroep niet opgekomen tegen de overwegingen van de rechtbank in de einduitspraak over de voorschriften 7 en 8 en het aangepaste voorschrift 13. Op de zitting hebben zij gesteld zich in die voorschriften te kunnen vinden.

Dit en wat de Afdeling hiervoor onder meer over het beleid heeft overwogen, maakt dat de rechtbank er terecht van is uitgegaan dat een verklaring van geen bedenkingen van de raad niet was vereist.

Het betoog slaagt niet.

12.     [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen voeren onder verwijzing naar bovenvermelde beroepsgronden aan dat zij zich niet met het oordeel van de rechtbank over het herstelbesluit in de einduitspraak kunnen verenigen. Daarbij lassen zij hun beroepschriften en zienswijzen over het herstelbesluit in.

12.1.  [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben zich in zoverre voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de beroepschriften en zienswijzen. De rechtbank is daarop ingegaan. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben in de hogerberoepschriften of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom het oordeel van de rechtbank in zoverre onjuist zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Het hoger beroep van Het Knokert Kwartier

13.     Het Knokert Kwartier voert aan dat de rechtbank ten onrechte in de einduitspraak de aanvang van de instandhoudingstermijn heeft gewijzigd. De rechtbank heeft volgens haar ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat zij als vergunninghoudster een ruimere termijn dan vijftien jaar heeft aangevraagd. De rechtbank gaat volgens haar niet uit van de juiste feiten. Om de exploitatie financieel rendabel te maken ziet het project, en ook de aanvraag, op de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten voor een periode van maximaal vijftien jaar en niet alleen op het laten staan van de bouwwerken voor vijftien jaar. De rechtbank heeft de wijziging van de instandhoudingstermijn in het herstelbesluit ten onrechte in strijd met een goede procesorde geacht. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld en hebben ook daarvan gebruik gemaakt om op de wijziging van de instandhoudingstermijn te reageren. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de wijziging strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van reformatio in peius. Van een verslechtering van de rechtspositie van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen is volgens Het Knokert Kwartier geen sprake omdat uit de aanvraag al de bedoeling volgt dat de termijn van vijftien jaar geldt vanaf het in gebruik nemen van de gebouwen. Het herstelbesluit leidt daarom niet tot een verandering van hun rechtspositie. Bovendien moest het college in het kader van de bestuurlijke lus de omgevingsvergunning van 27 oktober 2023 intrekken. De door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen verworven rechtspositie is met de intrekking vervallen. Het college was toen gehouden opnieuw een besluit op de aanvraag te nemen. Daar komt bij dat het college ook los van de beroepsprocedure bevoegd was het besluit te wijzigen. Het Knokert Kwartier heeft het college na de tussenuitspraak om een herformulering van de instandhoudingstermijn verzocht. Dit maakt dat, voor zover al sprake is van reformatio in peius, zich een uitzondering op dat verbod voordoet. Het is ten slotte onevenredig als het college de evidente omissie inzake de instandhoudingstermijn niet zou mogen herstellen. Ook dat geeft aanleiding om een uitzondering op het verbod van reformatio in peius aan te nemen. Als het college de termijn niet had aangepast, zou Het Knokert Kwartier gedwongen zijn geweest een nieuwe aanvraag in te dienen, wat zij dan ook zou hebben gedaan.

13.1.  In de omgevingsvergunning van 27 oktober 2023 staat over de instandhoudingstermijn het volgende: ‘De vergunning wordt verleend voor een periode van maximaal 15 jaar (1 dag na bekendmaking van dit besluit). Na deze periode dient de situatie teruggebracht te worden naar de oorspronkelijke situatie zodanig dat een gebruik conform de oorspronkelijke bestemming weer mogelijk is.’

In het besluitonderdeel activiteit planologische afwijking zijn als voorschriften opgenomen:

’15. De tijdelijke instandhoudingstermijn van 15 jaar gaat 1 dag na bekendmaking van dit besluit in, zoals bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht.

16. De tijdelijke instandhoudingstermijn eindigt 15 jaar en 1 dag na bekendmaking van dit besluit, zoals bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht.

17. De benodigde tijd voor de bouw van de tijdelijke voorzieningen valt binnen de tijdelijke instandhoudingstermijn van 15 jaar.

18. Na het verstrijken van de tijdelijke instandhoudingstermijn dienen alle voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van internationale werknemers te worden verwijderd.

19. Na het verstrijken van de tijdelijke instandhoudingstermijn dient de bewoning door internationale werknemers te worden gestaakt.

20. Na het verstrijken van de tijdelijke instandhoudingstermijn dient het plangebied weer gebruikt te worden als het oorspronkelijke gebruik of het gebruik zoals is opgenomen in het dan vigerende bestemmingsplan.’

In het besluitonderdeel activiteit uitweg is bepaald: ‘Gelet op de aanvraag en het bepaalde in artikel 2.23 lid 1 van de Wabo geldt deze vergunning voor de tijdelijke activiteit uitweg (inrit) voor een beperkte termijn, tot uiterlijk 31 december 2037 en niet langer dan strikt noodzakelijk gezien de omgevingsvergunning behorende bij deze aanvraag.’

13.2.  In het dossier bevindt zich een brief van het college met als vermelde verzenddatum 21 december 2023 waarbij het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning van 27 oktober 2023 aan Het Knokert Kwartier wordt toegezonden. In die brief wordt melding gemaakt van een beroepstermijn die start op 31 oktober 2023. De Afdeling gaat er daarom vanuit dat de verzenddatum foutief is en dat het besluit op 27 oktober 2023 is verzonden. Die datum, en niet de vermelding van de vergunningverlening in het Gemeenteblad op 31 oktober 2023, is de datum van bekendmaking. Daarvan uitgaande zou de instandhoudingstermijn van de vergunning van 27 oktober 2023 eindigen op 28 oktober 2038. Daarmee is niet in overeenstemming het eerdere eindigen van de vergunning voor de tijdelijke activiteit uitweg op 31 december 2037.

13.3.  In het herstelbesluit staat over de instandhoudingstermijn het volgende: ‘De vergunning wordt verleend voor een periode van maximaal 15 jaar. Deze periode start één dag na formele gereed melding van de bouwwerkzaamheden door de toezichthouder. Na deze periode dient de situatie teruggebracht te worden naar de oorspronkelijke situatie zodanig dat een gebruik conform de oorspronkelijke bestemming weer mogelijk is. De tijdelijke instandhoudingstermijn eindigt 15 jaar en 1 dag na formele gereed melding van de bouwwerkzaamheden door de toezichthouder.’

In het besluitonderdeel activiteit planologische afwijking zijn als voorschriften opgenomen:

’19. De tijdelijke instandhoudingstermijn van 15 jaar gaat 1 dag na formele gereed melding van de bouwwerkzaamheden door de toezichthouder [in].

20. De tijdelijke instandhoudingstermijn eindigt 15 jaar en 1 dag na formele gereed melding van de bouwwerkzaamheden door de toezichthouder.

21. Na het verstrijken van de tijdelijke instandhoudingstermijn dienen alle voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van internationale werknemers te worden verwijderd.

22. Na het verstrijken van de tijdelijke instandhoudingstermijn dient de bewoning door internationale werknemers te worden gestaakt.

23. Na het verstrijken van de tijdelijke instandhoudingstermijn dient het plangebied weer gebruikt te worden als het oorspronkelijke gebruik of het gebruik zoals is opgenomen in het dan vigerende bestemmingsplan.’

In bijlage 3 'Beoordeling activiteit uitrit' is bepaald: ‘Gelet op de aanvraag en het bepaalde in artikel 2.23 lid 1 van de Wabo geldt deze vergunning voor de tijdelijke activiteit uitweg (inrit) voor een beperkte termijn, tot uiterlijk 15 jaar en 1 dag na formele gereed melding van de bouwwerkzaamheden door de toezichthouder. Vanaf dat moment dient de uitweg verwijderd te zijn.’

Als voorschriften is daarbij opgenomen:

’11. De tijdelijke instandhoudingstermijn van 15 jaar gaat 1 dag na onherroepelijk worden van dit besluit in.

12. De tijdelijke instandhoudingstermijn eindigt 15 jaar en 1 dag na onherroepelijk worden van dit besluit.’

13.4.  Het herstelbesluit maakt een langere aanwezigheid van de gebouwen en het gebruik mogelijk dan het besluit van 27 oktober 2023. De rechtbank heeft de langere instandhoudingstermijn strijdig geacht met een goede procesorde, het verbod op verslechtering van rechtspositie en het rechtszekerheidsbeginsel. Zij heeft hetgeen over de termijn in het herstelbesluit is vermeld vernietigd en heeft bepaald dat de termijn van de vergunning voor de activiteit uitweg en de instandhoudingstermijn aanvangen op 24 augustus 2024, een dag na bekendmaking van het herstelbesluit. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen zijn hiertegen in hoger beroep niet opgekomen.

13.5.  Met wat de rechtbank heeft beslist, eindigt de instandhoudingstermijn op 24 augustus 2039. Niet in geschil is dat dit eerder is dan wat uit het herstelbesluit volgt. De termijn van vijftien jaar vangt volgens het herstelbesluit pas aan na gereedmelding van de bouwwerkzaamheden en die gereedmelding heeft nog niet plaatsgevonden. Uit de beslissing van de rechtbank volgt dat de bouwwerkzaamheden deel uitmaken van de periode van vijftien jaar. Voor de bouw moet rekening gehouden worden met een duur van een jaar, zo is op de zitting van de zijde van Het Knokert Kwartier onweersproken gesteld. In de praktijk bestaat er dus tussen wat de rechtbank heeft beslist en wat in het herstelbesluit is bepaald een aanzienlijk tijdsverschil wat ten nadele van de exploitatietermijn zou komen.

13.6.  Het Knokert Kwartier heeft geen beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning van 27 oktober 2023. Daarmee moet zij worden geacht te hebben ingestemd met de in die vergunning opgenomen instandhoudingstermijn. De rechtbank heeft het college in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld enkele gebreken in het besluit van 27 oktober 2023 te herstellen. In de regeling voor de instandhoudingstermijn heeft de rechtbank geen gebrek aangenomen. Niettemin heeft het college op verzoek van Het Knokert Kwartier in het herstelbesluit aanleiding gezien die regeling ruimer vast te stellen. Zoals hiervoor onder 13 is vermeld, is Het Knokert Kwartier in hoger beroep opgekomen tegen de door de rechtbank vastgestelde instandhoudingstermijn, eindigend op 24 augustus 2039.

13.7.  De rechtbank heeft onder 8.3 in de einduitspraak overwogen waarom zij komt tot een wijziging van de in het herstelbesluit vermelde instandhoudingstermijn. De Afdeling komt in zoverre tot een ander oordeel dan de rechtbank.

Anders dan de rechtbank maakt de Afdeling uit de bij de aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing op dat de aanvraag is ingediend om gedurende vijftien jaar arbeidsmigranten te huisvesten. Beoogd is dus een exploitatietermijn van de short stay van vijftien jaar. Dat met het herstelbesluit een ruimere termijn dan met de aanvraag is bedoeld, is vergund, is de Afdeling niet gebleken.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geen oordeel gegeven over de instandhoudingstermijn in het besluit van 27 oktober 2023. De in dat besluit vermelde termijn was niet in geschil. De jurisprudentie waaruit volgt dat de rechtbank, behalve in uitzonderlijke gevallen, niet kan terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel, is daarom, anders dan [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen, niet van belang.

Verder staan de Algemene wet bestuursrecht en de Wabo er niet aan in de weg dat het college buiten wat de rechtbank in de tussenuitspraak om als gebreken heeft aangemerkt, het oorspronkelijke besluit aanpast, mede ter voorkoming van een nieuwe vergunningprocedure. De tussenuitspraak geeft [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen niet een zodanig vertrouwen dat er geen andere wijzigingen in de vergunning kunnen worden doorgevoerd. In dit geval heeft Het Knokert Kwartier het college er na de tussenuitspraak op gewezen dat in de vergunning van 27 oktober 2023 een onjuiste instandhoudingstermijn staat. Daarop heeft het college in het nieuwe besluit deze termijn aangepast. Dat Het Knokert Kwartier geen beroep heeft ingesteld tegen de vergunning van 27 oktober 2023 beperkt het college niet in die mogelijkheid.

[appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben een zienswijze over het herstelbesluit bij de rechtbank ingediend. Zij zijn naar het oordeel van de Afdeling niet in hun mogelijkheden tot verdediging geschaad. Gelet daarop, ziet de Afdeling geen aanleiding om strijd met een goede procesorde aan te nemen.

Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet tot deze wijziging heeft mogen overgaan, gelet op de rechtspositie van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen. In een geschil als dit met tegengestelde belangen kan niet onverkort van de met de tussenuitspraak verkregen rechtspositie worden uitgegaan.

Het betoog slaagt.

Conclusie

14.     De hoger beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen zijn ongegrond. De tussenuitspraak wordt bevestigd.

14.1.  Het hoger beroep van Het Knokert Kwartier is gegrond. De einduitspraak wordt vernietigd voor zover de rechtbank de instandhoudingstermijn en de termijn van de vergunning voor de activiteit uitweg in het besluit van 23 augustus 2024 heeft vernietigd en heeft bepaald dat de termijn van de vergunning voor de activiteit uitweg en de instandhoudingstermijn aanvangen op 24 augustus 2024. De einduitspraak wordt voor het overige bevestigd.

14.2.  Met de gedeeltelijke vernietiging van de einduitspraak herleven de instandhoudingstermijn en de termijn van de vergunning voor de activiteit uitweg in het herstelbesluit. Dit betekent dat de instandhoudingstermijn voor de bouw en exploitatie van de tiny houses van vijftien jaar overeenkomstig het herstelbesluit aanvangt een dag na formele gereedmelding van de bouwwerkzaamheden door de toezichthouder. Anders dan was geregeld in de vergunning van 27 oktober 2023, valt de tijd voor de bouw van de voorzieningen dus niet langer binnen de instandhoudingstermijn. De Afdeling signaleert nog dat de termijn van de vergunning voor de activiteit uitweg niet eenduidig lijkt te zijn geformuleerd in bijlage 3 enerzijds en de voorschriften 11 en 12 anderzijds. Maar de Afdeling beoordeelt dat verder niet omdat dit verschil door partijen niet als onderwerp van geschil naar voren is gebracht.

15.     Het college moet de proceskosten van Het Knokert Kwartier vergoeden. Het college hoeft de proceskosten van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de hoger beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] tegen de tussenuitspraak van 29 mei 2024 en de einduitspraak van 17 januari 2025 van de rechtbank Oost­-Brabant in zaken nrs. 23/3262 en 23/3264 ongegrond;

II.       verklaart het hoger beroep van Het Knokert Kwartier B.V. tegen de einduitspraak van 17 januari 2025 van de rechtbank Oost­-Brabant in zaken nrs. 23/3262 en 23/3264 gegrond;

III.      vernietigt de einduitspraak van de rechtbank voor zover daarbij de instandhoudingstermijn en de termijn van de vergunning voor de activiteit uitweg in het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad van 13 augustus 2024, dossiernr. OV-2022-0237, zijn vernietigd en is bepaald dat de termijn van de vergunning voor de activiteit uitweg en de instandhoudingstermijn aanvangen op 24 augustus 2024;

IV.     bevestigt de tussenuitspraak en de einduitspraak voor het overige;

V.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad tot vergoeding van bij Het Knokert Kwartier B.V in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad aan Het Knokert Kwartier B.V het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 579,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bechinka
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026

371

Persaankondiging

Omgevingsvergunning voor bouw short stay-verblijven voor arbeidsmigranten in Veghel

Uitspraak over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft verleend aan Het Knokert Kwartier B.V. voor honderd vier- tot zespersoons logiesverblijven en een ontvangstgebouw voor de tijdelijke huisvesting van short stay internationale medewerkers in Veghel. Het gaat om huisvesting voor de duur van vijftien jaar voor maximaal vijfhonderd arbeidsmigranten. Omwonenden en eigenaren van percelen in de buurt van het bouwplan vrezen negatieve gevolgen voor hun woongenot. De rechtbank liet de vergunning uiteindelijk in stand. De omwonenden en eigenaren zijn daartegen in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook de vergunninghouder komt in hoger beroep omdat de rechtbank de termijn waarbinnen arbeidsmigranten gehuisvest mogen worden, zou hebben beperkt. Volgens de vergunninghouder wordt het project daardoor niet meer rendabel. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 10 juni 2026 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon