Uitspraak BRS.26.003186
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4251
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.003186
ECLI:NL:RVS:2026:4251
Datum uitspraak: 23 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 19 juni 2026 in zaak nr. NL26.30968 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 19 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.M.G. Crompvoets, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Afgezien van kleine tekstuele wijzigingen is de tekst van artikel 10, vierde lid, onder b, van de nieuwe Opvangrichtlijn ((EU) 2024/1346) inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van artikel 8, derde lid, onder b, van de oude Opvangrichtlijn (2013/33/EU). Voor zover de nieuwe Opvangrichtlijn op het voortduren van de maatregel van appellant van toepassing is, is er dus geen grond voor het oordeel dat die bepaling een nieuwe of zwaardere noodzakelijkheidstoets heeft geïntroduceerd.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak verder geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026
846