Uitspraak 202500053/2/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4252
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 november 2024 heeft de raad van de gemeente Noordwijk het bestemmingsplan "Correctie Zeewaardig, fase 3" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van onder meer appartementen en commerciële ruimten mogelijk op de locaties "Gat van Palace" en "Esplanade" in Noordwijk. Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate hebben gronden in de nabijheid van deze locaties in eigendom. Zij zijn het niet eens met de ruimere bouwmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan "Zeewaardig". Op 12 september 2025 heeft Zinger Noordwijk een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van 76 appartementen, commerciële ruimten en een ondergrondse parkeergarage in het plangebied. Het omgevingsplan maakt dit bouwplan slechts mogelijk met toepassing van binnenplanse afwijkingsbevoegdheden zoals die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Bij besluit van 23 april 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Daarop hebben Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate de voorzieningenrechter gevraagd om het bestemmingsplan dat deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van omgevingsplan te schorsen totdat op de beroepen tegen dat bestemmingsplan is beslist in de bodemprocedure.
- Voorlopige voorziening
- RO - Zuid-Holland
Toon inhoud
202500053/2/R3.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
Résidence Le Mistral B.V. en La Riva Real Estate B.V., beide gevestigd in Warmond, gemeente Teylingen,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Noordwijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Correctie Zeewaardig, fase 3" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben onder meer Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate beroep ingesteld.
Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate hebben een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op een zitting van 14 juli 2026, waar Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], vergezeld door [persoon], en de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Lagrouw, advocaat in Leiden, zijn verschenen. Verder is op de zitting Zinger Noordwijk B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Het door de raad vastgestelde bestemmingsplan maakt de bouw van onder meer appartementen en commerciële ruimten mogelijk op de locaties "Gat van Palace" en "Esplanade" in Noordwijk. Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate hebben gronden in de nabijheid van deze locaties in eigendom. Zij zijn het niet eens met de ruimere bouwmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan "Zeewaardig".
Het bestemmingsplan maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Noordijk als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet.
Op 12 september 2025 heeft Zinger Noordwijk een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van 76 appartementen, commerciële ruimten en een ondergrondse parkeergarage in het plangebied. Het omgevingsplan maakt dit bouwplan slechts mogelijk met toepassing van binnenplanse afwijkingsbevoegdheden zoals die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Bij besluit van 23 april 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Daarop hebben Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate de voorzieningenrechter gevraagd om het bestemmingsplan dat deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van omgevingsplan te schorsen totdat op de beroepen tegen dat bestemmingsplan is beslist in de bodemprocedure.
2. De relevante wettelijke bepalingen en de relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Spoedeisend belang?
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter gaat daarbij na of er onomkeerbare gevolgen te verwachten zijn van in dit geval de werking van het bestemmingsplan dat deel is gaan uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
3.1. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), was uitgangspunt dat de inwerkingtreding van een bestemmingsplan niet tot onomkeerbare gevolgen leidt. Wanneer een bestemmingsplan in een beroepsprocedure wordt vernietigd, heeft die vernietiging terugwerkende kracht. Het bestemmingsplan wordt dan dus geacht nooit te hebben gegolden.
3.2. De Afdeling heeft hierop een uitzondering aangenomen voor gevallen waarin een bestuursorgaan een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" of de activiteit "uitvoeren van een werk" (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Wabo) heeft verleend op basis van dat bestemmingsplan. Het gaat dan om gevallen waarin de aanvrager een rechtstreekse aanspraak had op verlening van die vergunning omdat het bouwplan of het werk op grond van het bestemmingsplan was toegestaan, oftewel om gevallen waarin het bestuursorgaan de gevraagde omgevingsvergunning niet op grond van het bestemmingsplan mocht weigeren. In zo’n geval heeft een latere vernietiging van het bestemmingsplan geen gevolgen voor de verleende vergunning, ook niet als daar nog beroep tegen aanhangig is. De bestuursrechter in beroep en hoger beroep moet in zo’n geval blijven uitgaan van de gelding van het bestemmingsplan ten tijde van het besluit van het bestuursorgaan op de vergunningaanvraag of op een daartegen gemaakt bezwaar. Dit staat bekend als de "Tegelen-jurisprudentie" (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296, van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1131 en van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:784).
Bij verlening van een dergelijke omgevingsvergunning heeft de inwerkingtreding van een bestemmingsplan in die zin dus onomkeerbare gevolgen. Om deze reden neemt de voorzieningenrechter van de Afdeling in de regel een spoedeisend belang aan bij een verzoek om schorsing van een bestemmingsplan, wanneer er een aanvraag om een dergelijke omgevingsvergunning in overeenstemming met het bestemmingsplan is gedaan.
3.3. De in de Tegelen-jurisprudentie aangenomen uitzondering doet zich niet voor als voor de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" of de activiteit "uitvoeren van een werk" ook omgevingsvergunning voor de activiteit "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening" (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo) nodig is. In die gevallen is het aan het bestuursorgaan om te beoordelen of de afwijking van het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, en heeft de aanvrager geen rechtstreekse aanspraak op verlening van de omgevingsvergunning. Dit doet zich niet alleen voor in gevallen waarin een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o en onder 3o, van de Wabo) aan de orde is, maar ook in gevallen waarin een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wabo) aan de orde is. Heeft een bestuursorgaan een omgevingsvergunning verleend op basis van zo’n afwijkingsbevoegdheid, dan geldt onverkort het uitgangspunt dat een latere vernietiging van een bestemmingsplan terugwerkende kracht heeft. In een beroepsprocedure tegen een dergelijke omgevingsvergunning moet de bestuursrechter er dus van uitgaan dat het vernietigde bestemmingsplan nooit heeft gegolden.
Bij verlening van een dergelijke omgevingsvergunning heeft de inwerkingtreding van een bestemmingsplan in die zin dus geen onomkeerbare gevolgen. Om deze reden neemt de voorzieningenrechter van de Afdeling in de regel geen spoedeisend belang aan bij een verzoek om schorsing van een bestemmingsplan, wanneer er een aanvraag om een omgevingsvergunning is gedaan die alleen met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid kan worden verleend.
3.4. Het bestemmingsplan dat Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate geschorst willen zien, maakte het door Zinger Noordwijk aangevraagde bouwplan alleen mogelijk met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Zij had en heeft daarmee dus geen rechtstreekse aanspraak op verlening van de door haar aangevraagde omgevingsvergunning. De aanvraag om deze omgevingsvergunning en de verlening daarvan, zouden de voorzieningenrechter onder de werking van de Wro en de Wabo daarom geen aanleiding hebben gegeven om uit te gaan van onomkeerbare gevolgen en spoedeisendheid bij het verzoek aan te nemen.
3.5. De inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor het bestemmingsplan deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, brengt hier geen verandering in. Uit artikel 22.10 gelezen in samenhang met artikel 5.21, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet volgt dat de binnenplanse afwijkingsregels uit een bestemmingsplan gelden als beoordelingsregels voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Uit artikel 22.280 van de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de zogenaamde Bruidsschat) volgt, kort gezegd, dat voor zover in een bestemmingsplan, dat deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, voor een activiteit een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid gold, een verbod geldt om deze zonder omgevingsvergunning te verrichten. Weliswaar volgt uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat bij zo’n verbod de omgevingsvergunning moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die daarover in het omgevingsplan zijn gesteld, maar die verplichting geldt niet in situaties als deze. Dat volgt uit artikel 22.281 van de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, waarin is bepaald dat de verplichting in gevallen als bedoeld in artikel 22.280 moet worden gelezen als een bevoegdheid. In dat verband moet het college ook beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624, onder 14). Ook onder de Omgevingswet heeft Zinger Noordwijk dus geen rechtstreekse aanspraak op verlening van de door haar gevraagde omgevingsvergunning. De aanvraag en de verlening van de omgevingsvergunning leiden er dan ook niet toe dat het in werking getreden bestemmingsplan onomkeerbare gevolgen heeft.
3.6. Dit betekent dat Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate geen spoedeisend belang hebben bij hun verzoek om schorsing van het bestemmingsplan, ook niet nu dat inmiddels deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
4. De voorzieningenrechter komt niet toe aan een beoordeling of het beroepschrift van Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate gronden bevat en of de aanvullende beroepsgronden die zij hebben ingediend buiten de termijn die daarvoor in de Crisis- en herstelwet is gegeven, zullen kunnen worden betrokken bij de beoordeling van het beroep.
Conclusie
5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzieningenrechter
w.g. Witsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
727
BIJLAGE
Wet ruimtelijke ordening
Artikel 3.6
1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels:
[…]
c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels;
[…]
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk;
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1o. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2o. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3o. In overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…]
Omgevingswet
Artikel 5.21 (artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag omgevingsplanactiviteit)
1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:
a. de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,
[…]
Artikel 22.1 (tijdelijk deel omgevingsplan)
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
a. de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 22.10 (binnenplanse bevoegdheid om af te wijken)
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen regels als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening gelden als regels als bedoeld in artikel 5.21, tweede lid, onder a.
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.6 (deel omgevingsplan)
1. Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden:
a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet,
[…]
g. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
[…]
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Regels Omgevingsplan Noordwijk
Artikel 22.280
Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Artikel 22.281
Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.