Uitspraak BRS.26.002529
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4240
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld en de termijn van deze maatregel van bewaring verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.002529
ECLI:NL:RVS:2026:4240
Datum uitspraak: 23 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 mei 2026 in zaak nr. NL26.24020 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld en de termijn van deze maatregel van bewaring verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 16 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4092, onder 1, over de vraag of een periode van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetelt bij de berekening van de maximale bewaringsduur, als bedoeld in artikel 59, vijfde en zesde lid, van de Vw 2000. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.3. Verder zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026
347-1102