Uitspraak 202202275/3/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4394
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2049, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 januari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "herstelbesluit Stedelijk" te herstellen. De raad heeft bij besluit van 22 februari 2022 het bestemmingsplan "Stedelijk" vastgesteld. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridische regeling voor het stedelijk gebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de beroepen tegen het besluit van 17 januari 2023 behandeld. Naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen heeft de Afdeling gebreken in dit besluit geconstateerd. [appellant sub 1] betoogt dat met het besluit van 8 juli 2025 niet voldaan is aan de opdracht van de tussenuitspraak. Hij wijst erop dat het perceel Liguster 202 in Leidschendam ten onrechte buiten het plangebied is gehouden. Hiermee is volgens hem nog steeds geen oplossing geboden voor hinder die omwonenden in de huidige situatie al ondervinden van het verkeer afkomstig van het winkelcentrum.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Zuid-Holland
Toon inhoud
202202275/3/R3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,
2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2049, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 januari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "herstelbesluit Stedelijk" te herstellen.
Bij besluit van 8 juli 2025 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 maart 2026, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door P.J. Heijnen, D. van Berlo en M. de Gunst, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. De raad heeft bij besluit van 22 februari 2022 het bestemmingsplan "Stedelijk" vastgesteld. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridische regeling voor het stedelijk gebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg.
De raad heeft op 17 januari 2023 een herstelbesluit genomen. Het plan is daarbij in zijn geheel opnieuw vastgesteld met een aantal wijzigingen. Daarmee is met dit besluit het besluit van 22 februari 2022, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stedelijk", vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het besluit van 17 januari 2023 en de tussenuitspraak
3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de beroepen tegen het besluit van 17 januari 2023 behandeld. Naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen heeft de Afdeling gebreken in dit besluit geconstateerd. Het gaat om de volgende gebreken:
a. onder 9.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat ondanks de gewijzigde omstandigheden een aanvaardbare verkeerssituatie en -afwikkeling in en om het winkelcentrum op het perceel Liguster 202 in Leidschendam bestaat of kan worden gerealiseerd;
b. onder 12.1 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in strijd met de rechtszekerheid in artikel 31.2.1, onder c en d, van de planregels onvoldoende duidelijk is bepaald waar bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan;
c. onder 12.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de regeling in het plan over detailhandel in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is vastgesteld;
d. onder 13.1 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel de aanduiding "speeltuin" niet aan het perceel Rozenlaan 16a in Leidschendam heeft toegekend;
e. onder 13.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad in strijd met het motiveringsbeginsel niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom er in ruimtelijk opzicht geen sprake is van een verruiming van de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Gemengd - 1" en dat om die reden de ruimtelijke gevolgen voor de omgeving niet onderzocht hoefden te worden.
In de tussenuitspraak heeft de Afdeling verder overwogen dat in de einduitspraak zal worden beslist over de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen gericht tegen het besluit van 22 februari 2022. Daar komt de Afdeling op terug onder 21 van deze uitspraak.
4. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het besluit van 17 januari 2023 in zoverre vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] anderen tegen dit besluit is gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd voor zover het betreft:
a. de plandelen die betrekking hebben op het winkelcentrum op het perceel Liguster 202 in Leidschendam;
b. artikel 31.2.1, onder c en d, van de planregels;
c. artikel 12.1.1, aanhef en onder n, van de planregels;
d. voor zover de aanduiding "speeltuin" ter plaatse van het perceel Rozenlaan 16a in Leidschendam op de verbeelding ontbreekt;
e. het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" op het perceel Prins Hendriklaan 30 in Leidschendam en de plandelen met de bestemming "Gemengd - 1" op de percelen Prins Hendriklaan 53, 57 en 84 in Leidschendam.
5. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opdracht gegeven om de in de tussenuitspraak onder 9.2, 12.1, 12.2, 13.1 en 13.2 geconstateerde gebreken in het besluit van 17 januari 2023 te herstellen.
Herstel naar aanleiding van de tussenuitspraak
6. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 8 juli 2025 het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Daarbij is onder meer artikel 1.132 van de planregels gewijzigd. Ook is de plangrens van het plangebied gewijzigd, waardoor het winkelcentrum op het perceel Liguster 202 in Leidschendam buiten het plangebied is komen te liggen. De raad heeft daarover in de Nota van wijzigingen toegelicht dat hij hiervoor heeft gekozen omdat hij niet binnen de gestelde termijn van 16 weken in staat was het onder 9.2 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Daarnaast heeft de raad toegelicht dat parallel wordt gewerkt aan een structurele oplossing, die op een later moment kan worden ingepast.
Het besluit van 8 juli 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
7. De Afdeling heeft naar aanleiding hiervan de raad bij brief van 10 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om nader toe te lichten welke stappen er in het parallelle traject zijn gezet en hoe de verdere planning van dat traject eruit ziet. Dat heeft de raad gedaan in de brief van 24 februari 2026.
8. De Afdeling zal hierna aan de hand van de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen naar voren gebrachte zienswijzen beoordelen of de raad met het besluit van 8 juli 2025 dan wel zijn nadere toelichting van 24 februari 2026 heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.
Beoordeling van het herstel
Zienswijze van [appellant sub 1]
9. [appellant sub 1] betoogt dat met het besluit van 8 juli 2025 niet voldaan is aan de opdracht van de tussenuitspraak. Hij wijst erop dat het perceel Liguster 202 in Leidschendam ten onrechte buiten het plangebied is gehouden. Hiermee is volgens hem nog steeds geen oplossing geboden voor hinder die omwonenden in de huidige situatie al ondervinden van het verkeer afkomstig van het winkelcentrum.
9.1. De in de tussenuitspraak gegeven opdracht hield in dat de raad alsnog toereikend diende te motiveren waarom ondanks de in overweging 9.2 van de tussenuitspraak omschreven gewijzigde omstandigheden een aanvaardbare verkeerssituatie en -afwikkeling in en om het winkelcentrum op het perceel Liguster 202 in Leidschendam bestaat of kan worden gerealiseerd.
9.2. De Afdeling stelt vast dat het perceel Liguster 202 in Leidschendam buiten de begrenzing van het bestemmingsplan ligt dat bij besluit van 8 juli 2025 is vastgesteld. De Afdeling vat het betoog daarom op als een plangrensbezwaar. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft toegelicht dat het verkeer van en naar het winkelcentrum heeft geleid tot een forse toename van de verkeersdrukte en parkeeroverlast in omliggende wijken. Vooral op de dagen dat er veel bezoekers naar het winkelcentrum komen leidt dat tot ernstige verstoringen en files op de N14, de Noordsingel en de Heuvelweg. Ook is sprake van ernstige parkeeroverlast in de direct omringende wijken. Omdat de verkeerseffecten van het winkelcentrum zich niet alleen voordoen op het perceel Liguster 202 in Leidschendam maar juist ook in de omgeving daarvan, bestaat een zodanige ruimtelijke samenhang tussen het plangebied en het perceel dat de gehanteerde planbegrenzing naar het oordeel van de Afdeling in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de raad met de wijziging van de begrenzing van het bestemmingsplan bij besluit van 8 juli 2025 niet aan de opdracht in de tussenuitspraak heeft voldaan.
Dat, zoals in de Nota van wijzigingen is overwogen, het perceel buiten het plan is gelaten om te kunnen voldoen aan de opdracht in de tussenuitspraak volgt de Afdeling niet. De raad had namelijk om verlenging van de termijn kunnen vragen. Zoals hiervoor is overwogen wordt met het buiten het plan laten vallen van het perceel juist niet voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.
Het betoog slaagt in zoverre.
9.3. Zoals hiervoor onder 7 is overwogen, heeft de raad alsnog bij brief van 24 februari 2026 toegelicht welke stappen er in het parallelle traject zijn gezet en hoe de verdere planning van dat traject eruit ziet. De raad heeft onderkend dat het rijk het project A4 Haaglanden-N14 heeft gepauzeerd tot en met in ieder geval 2030 en dat de realisatie van de ongelijkvloerse kruisingen tot dan uitblijft. Volgens de raad kan desondanks een aanvaardbare verkeerssituatie en -afwikkeling in en om het winkelcentrum worden gerealiseerd. Zo is een Taskforce opgericht met het doel de doorstroming van het verkeer rondom het winkelcentrum te verbeteren. Dat doet de Taskforce met verschillende "smart mobility" oplossingen zoals de inzet van het Operationeel Mobiliteitscentrum dat de verkeersstromen op drukke dagen reguleert. De raad heeft hierover op de zitting toegelicht dat het Operationeel Mobiliteitscentrum bijvoorbeeld op verkeersborden of via de landelijke media aan bezoekers kan meedelen dat er geen parkeerplaatsen bij het winkelcentrum meer beschikbaar zijn.
Daarnaast is de kruising Heuvelweg/N14 aangepast om de doorstroming en de veiligheid rondom de kruising te verbeteren. De aanpassingen omvatten de toevoeging van een derde rijstrook op de Heuvelweg richting de kruising Heuvelweg/N14 en de wijziging van de belijning op de Heuvelweg zodat linksaf slaan niet meer mogelijk is. Ook de verkeerslichtenregeling op de kruising is aangepast waardoor filevorming op de Heuvelweg wordt verminderd en sluipverkeer in Park Veursehout en de uitstroom van de Sperwerlaan wordt verbeterd. Verder heeft de raad in de brief van 24 februari 2026 toegelicht dat de tramhaltes aan de Heuvelweg in beide richtingen zijn verlengd. Dit draagt volgens de raad bij aan de doorstroming van tramlijnen 2, 6 en 19, die allemaal langs deze haltes rijden. Door verlenging van de tramhaltes kunnen er twee trams tegelijkertijd stoppen waardoor de dienstregelingen van de trams beter op elkaar aansluiten en de kruising minder vaak bezet is. Ook wordt de toegankelijkheid van het winkelcentrum voor fietsers en voetgangers verbeterd, onder meer door de realisatie van een stalling voor deelscooters en een bewaakte fietsenstalling. Tot slot heeft de raad toegelicht dat parkeerrestricties zullen worden opgelegd om parkeeroverlast in omliggende wijken te voorkomen. Zo zal in september 2026 vergunningparkeren in acht wijken rondom het winkelcentrum worden ingevoerd. De raad heeft hiervoor op 9 december 2025 de Verordening vergunningparkeren Leidschendam-Voorburg 2026 vastgesteld. Na de invoering van vergunningparkeren in de omliggende wijken zal de exploitant van het winkelcentrum over gaan tot invoering van betaald parkeren op de parkeerplaatsen van het winkelcentrum.
Dit alles bij elkaar maakt dat de Afdeling van oordeel is dat de raad met de aanvullende motivering van 24 februari 2026 heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht om nader te onderbouwen dat ondanks gewijzigde omstandigheden een aanvaardbare verkeerssituatie en -afwikkeling in en om het winkelcentrum kan worden gerealiseerd. Daarmee heeft de raad het geconstateerde gebrek in het besluit van 17 januari 2023 hersteld.
Het betoog slaagt niet.
Zienswijze van [appellant sub 2] en anderen
Artikel 29.2.1 van de planregels
10. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad het onder 12.1 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet op juiste wijze heeft hersteld. Zij voeren aan dat artikel 29.2.1, aanhef en onder b, van de planregels gelezen in samenhang met artikel 29.2.1, onder c, van de planregels onduidelijk is, omdat dit tegelijkertijd de bouw van bijbehorende bouwwerken lijkt toe te staan en te verbieden.
10.1. Artikel 29.2.1 van de planregels luidt:
"Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming 'Wonen - Grondgebonden' uitsluitend worden gebouwd:
[…]
b. bijbehorende bouwwerken;
c. bijbehorend bouwwerk uitgesloten, uitsluitend ter plaatse van de bouwaanduiding [-bg];
[…]"
10.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:939, onder 13.4, wordt een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk uitgelegd. De Afdeling overweegt dat artikel 29.2.1, onder c, van de planregels een verbijzondering betekent van artikel 29.2.1, onder b, van de planregels. Dit houdt in dat bijbehorende bouwwerken op alle gronden met de bestemming "Wonen - Grondgebonden" zijn toegestaan, behalve wanneer dat is uitgesloten met de bouwaanduiding [-bg]. De planregel is op zichzelf bezien voldoende duidelijk en ondubbelzinnig. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 29.2.1 van de planregels rechtsonzeker is.
Het betoog slaagt niet.
Bestemmingen "Maatschappelijk" en "Gemengd - 1"
11. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad het onder 13.2 geconstateerde gebrek niet op juiste wijze heeft hersteld. Daarover voeren zij aan dat de raad niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling om te onderbouwen waarom de verruimingen van de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Gemengd - 1" ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Daarnaast voorziet artikel 1.132 van de planregels ten onrechte alleen in een beperking van de gronden voor alle vormen van kinderopvang, terwijl de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Gemengd - 1" ook andere bedrijfsactiviteiten met negatieve milieueffecten mogelijk maken. Dat de beperking van het gebruik in een begripsbepaling is opgenomen is bovendien in strijd met paragraaf 6.4 van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVPB 2012). Tot slot stellen [appellant sub 2] en anderen dat de verwijzing naar de adressen in artikel 1.132 van de planregels leidt tot rechtsonzekerheid, omdat deze adressen door bijvoorbeeld woningsplitsing kunnen worden gewijzigd.
11.1. Aan de gronden van het perceel Prins Hendriklaan 30 is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend en aan de gronden van de percelen Prins Hendriklaan 53, 57 en 84 is de bestemming "Gemengd - 1" toegekend.
Artikel 1.132 van de planregels luidt:
"maatschappelijke voorzieningen: voorzieningen van educatieve, sociale, culturele, medische en levensbeschouwelijke aard al dan niet in combinatie met daaraan ondergeschikte voorzieningen ten behoeve van dienstverlening en/of sport alsmede ondergeschikte detailhandel en/of horeca ten dienste van deze voorzieningen. Binnen deze bestemming zijn alle vormen van kinderopvang toegestaan met uitzondering van de adressen Prins Hendriklaan 30, 53, 57 en 84 te Leidschendam;"
Artikel 11.1.1 luidt:
"De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
f. maatschappelijke voorzieningen;
[…]"
Artikel 18.1.1 luidt:
"De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. maatschappelijke voorzieningen;
[…]"
11.2. Artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) luidt:
"1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de vormgeving en inrichting van de in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde visies, plannen, besluiten en verordeningen.
[…]"
11.3. Artikel 2 van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (Regeling) luidt:
"1. De vormgeving, inrichting en elektronische beschikbaarstelling van een […] plan […] vinden plaats overeenkomstig de standaarden […] SVBP2012 […], met dien verstande dat:
a. de standaard SVBP2012 alleen van toepassing is op bestemmingsplannen, […]" De SVBP 2012 maakt als bijlage 5 deel uit van de Regeling.
11.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet heeft onderbouwd waarom de verruimingen van de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Gemengd - 1" ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Met artikel 1.132 van de planregels heeft de raad alle vormen van kinderopvang op de percelen Prins Hendriklaan 30, 53 en 57 en 84 in Leidschendam verboden. Daarom hoefde de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een kinderopvang op voornoemde locaties niet te onderbouwen. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid van andere bedrijfsactiviteiten op de percelen had moeten onderzoeken, overweegt de Afdeling dat de raad daartoe, mede gelet op de opdracht in de tussenuitspraak, niet verplicht was.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
11.5. Wat betreft het betoog dat de verwijzing naar de adressen in artikel 1.132 van de planregels leidt tot rechtsonzekerheid, overweegt de Afdeling dat de verwijzing naar een bestaand adres op zichzelf geen ongebruikelijke formulering in een planregel is. Met de gekozen formulering is duidelijk dat, zoals de raad dat bedoeld heeft, alle vormen van kinderopvang niet zijn toegestaan via vermelding van de adressen. Van onduidelijkheid is daarom geen sprake.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
11.6. Wat betreft het betoog dat artikel 1.132 van de planregels in strijd is met de SVBP 2012, overweegt de Afdeling als volgt. Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, in samenhang gelezen met artikel 1.2.6 van het Bro, volgt dat de raad een bestemmingsplan dient vorm te geven, in te richten en beschikbaar te stellen overeenkomstig de SVBP 2012. Uit de SVBP 2012 volgt dat in hoofdstuk 1 van de planregels de begrippen worden verklaard die in de planregels voorkomen en een nadere omschrijving behoeven. In hoofdstuk 2 worden de bestemmingsregels opgenomen, waaronder specifieke gebruiksregels. De Afdeling stelt vast dat met de eerste zin van artikel 1.132 van de planregels een omschrijving is gegeven van het begrip "maatschappelijke voorzieningen". De laatste zin van deze bepaling betreft echter een gebruiksregel, die op grond van de SVBP 2012 in de bestemmingsregels had moeten worden opgenomen. Daarom heeft de raad in strijd met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, in samenhang gelezen met artikel 1.2.6 van het Bro, zoals uitgewerkt in de SVBP 2012, een gebruiksregel opgenomen in de bedoelde begripsomschrijving. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3071, onder 3.2.
Het betoog slaagt in zoverre.
Conclusie over het herstelbesluit van 8 juli 2025
12. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 8 juli 2025 zijn gegrond. Het besluit van 8 juli 2025 moet worden vernietigd, voor zover:
- het betreft de begrenzing van het plan ter hoogte van het perceel Liguster 202 in Leidschendam;
- in artikel 1.132 van de planregels de zinssnede "Binnen deze bestemming zijn alle vormen van kinderopvang toegestaan met uitzondering van de adressen Prins Hendriklaan 30, 53, 57 en 84 te Leidschendam" is opgenomen.
13. Uit wat onder 11.4 is overwogen blijkt dat de raad heeft beoogd om alle vormen van kinderopvang op de percelen Prins Hendriklaan 30, 53, 57 en 84 in Leidschendam te verbieden. [appellant sub 2] en anderen hebben daarbij betoogd dat de raad heeft nagelaten deze gebruiksregel op de juiste wijze in de planregels op te nemen. Gelet hierop en omdat verder niet aannemelijk is dat derde-belanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door aan de planregels de volgende gebruiksregels toe te voegen.
14. Aan artikel 11.1.1, onder f, van de planregels wordt een zinsnede toegevoegd. Daardoor komt artikel 11.1.1, onder f, als volgt te luiden:
Artikel 11.1.1 Gemengd - 1
De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
f. maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat alle vormen van kinderopvang zijn toegestaan met uitzondering van de percelen met de adressen Prins Hendriklaan 53, 57 en 84 in Leidschendam.
15. Aan artikel 18.1.1, onder a, van de planregels wordt een zinsnede toegevoegd. Daardoor komt artikel 18.1.1, onder a, als volgt te luiden:
Artikel 18.1.1 Maatschappelijk
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat alle vormen van kinderopvang zijn toegestaan met uitzondering van het perceel met het adres Prins Hendriklaan 30 in Leidschendam.
[…]
16. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 8 juli 2025.
17. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
Conclusie over het besluit van 17 januari 2023
18. Het voorgaande betekent dat het herstelbesluit van 8 juli 2025 grotendeels in stand blijft en dat de Afdeling zelf zal voorzien en zal bepalen dat de uitspraak, voor zover het de onder 12 beschreven zinssnede van artikel 1.132 van de planregels betreft, in de plaats treedt van het besluit van 8 juli 2025.
19. Omdat de raad de motivering van het besluit van 17 januari 2023 voor de plandelen die betrekking hebben op het winkelcentrum op het perceel Liguster 202 in Leidschendam heeft aangevuld en het gebrek daarmee is hersteld, zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 17 januari 2023 in stand blijven, voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen ter plaatse van het perceel Liguster 202 in Leidschendam.
Conclusie over het besluit van 22 februari 2022
20. De Afdeling heeft onder 22 van de tussenuitspraak de beslissing op de beroepsgronden van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 22 februari 2022 nog opengelaten.
21. Het plan dat bij besluit van 22 februari 2022 is vastgesteld, is in zijn geheel vervangen door het plan dat bij besluit van 17 januari 2023 is vastgesteld. Dat plan is op zijn beurt weer, met uitzondering van het perceel Liguster 202 in Leidschendam, vervangen door het plan dat bij besluit van 8 juli 2025 is vastgesteld. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het besluit van 17 januari 2023 in stand kan blijven voor zover dat betrekking heeft op het winkelcentrum op het perceel Liguster 202 in Leidschendam. Het bij dat besluit vastgestelde plan blijft dus van kracht als het planologische regime voor die locatie. Voor het overige geldt het plan zoals dat bij besluit van 8 juli 2025 is vastgesteld, met uitzondering van de onder 12 beschreven zinsnede van artikel 1.132 van de planregels die de Afdeling zelf voorziend heeft aangepast. Niet is gebleken dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen onder deze omstandigheden nog enig belang hebben bij een beoordeling van hun beroepen, voor zover gericht tegen het inmiddels vervangen besluit van 22 februari 2022. Hun beroepen tegen dat besluit zijn daarom niet-ontvankelijk.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
22. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de procedure niet binnen een redelijke termijn is afgerond. Daarom hebben zij verzocht om schadevergoeding.
22.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
22.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant sub 2] en anderen ontvangen op 8 april 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus met twee jaren en drie maanden overschreden.
Hoogte van de vergoeding
23. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.500,00. Dat betekent dat [appellant sub 2] en anderen in beginsel ieder recht hebben op een schadevergoeding van € 2.500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant sub 2] en anderen samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen, in die zin dat zij ieder een derde van dat bedrag krijgen toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die [appellant sub 2] en anderen hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2025:6334.
Toerekening
24. In de tussenuitspraak van 7 mei 2025 zijn door de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd in het bestemmingsplan. Daarop heeft de Afdeling een bestuurlijke lus toegepast om de raad de gelegenheid te geven de gebreken te herstellen. Hierdoor is de redelijke termijn met nog meer maanden overschreden dan al het geval was. De overschrijding van de redelijke termijn voor zover die het gevolg is van het toepassen van een bestuurlijke lus om gebreken te herstellen, moet aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Voor zover de overschrijding komt doordat de Afdeling de redelijke behandelingsduur voor het beroep heeft overschreden, dat wil zeggen omdat niet binnen twee jaar de tussenuitspraak is gedaan en niet binnen één jaar na ontvangst van het herstelbesluit einduitspraak is gedaan, moet deze aan de Afdeling worden toegerekend (vergelijk de uitspraak van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1289, onder 14.4).
24.1. De tussenuitspraak was voor [appellant sub 2] en anderen bijna 13 maanden te laat. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend. Omdat de einduitspraak is gedaan binnen een jaar nadat de Afdeling bericht heeft gekregen dat het herstelbesluit was genomen, moet de overschrijding voor de overige 14 maanden aan de raad worden toegerekend.
24.2. Omdat de overschrijding deels aan de raad en deels aan de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de raad en de Staat. De raad wordt veroordeeld tot betaling van 14/27e deel, dus € 1.296,29 aan [appellant sub 2] en anderen. De Staat wordt veroordeeld tot betaling 13/27e deel, dus € 1.203,71 aan [appellant sub 2] en anderen.
24.3. Het verzoek van [appellant sub 2] en anderen om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
Proceskosten
25. De raad hoeft geen proceskosten van [appellant sub 1] te vergoeden.
26. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 2] en anderen vergoeden. Daarbij merkt de Afdeling op dat, omdat de opgegeven verletkosten niet zijn onderbouwd, in dit geval wordt uitgegaan van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uur en het minimaal te hanteren uurtarief van € 9.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
ten aanzien van het besluit van 22 februari 2022
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 22 februari 2022 niet-ontvankelijk.
ten aanzien van het besluit van 17 januari 2023
II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 17 januari 2023 gegrond;
III. vernietigt het besluit van 17 januari 2023:
a. voor zover het betreft de plandelen ter plaatse van het perceel Liguster 202 in Leidschendam;
b. voor zover het betreft artikel 31.2.1, onder c en onder d, van de planregels;
c. voor zover het betreft artikel 12.1.1, aanhef en onder n, van de planregels;
d. voor zover de aanduiding "speeltuin" ter plaatse van het perceel Rozenlaan 16a in Leidschendam op de verbeelding ontbreekt;
e. voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" op het perceel Prins Hendriklaan 30 in Leidschendam en de plandelen met de bestemming "Gemengd - 1" op de percelen Prins Hendriklaan 53, 57 en 84 in Leidschendam;
IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 januari 2023 in stand blijven, voor zover het betreft het onder III.a genoemde onderdeel.
ten aanzien van het besluit van 8 juli 2025
V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 8 juli 2025 gegrond;
VI. vernietigt het besluit van 8 juli 2025:
a. voor zover het betreft de begrenzing van het plan ter hoogte van het perceel Liguster 202 in Leidschendam;
b. voor zover het betreft de zinssnede "Binnen deze bestemming zijn alle vormen van kinderopvang toegestaan met uitzondering van de adressen Prins Hendriklaan 30, 53, 57 en 84 te Leidschendam" in artikel 1.132 van de planregels.
VII. bepaalt dat:
a. artikel 11.1.1, onder f, van de planregels als volgt komt te luiden: "maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat alle vormen van kinderopvang zijn toegestaan met uitzondering van de percelen met de adressen Prins Hendriklaan 53, 57 en 84 in Leidschendam."
b. artikel 18.1.1, onder a, van de planregels als volgt komt te luiden: "maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat alle vormen van kinderopvang zijn toegestaan met uitzondering van het perceel met het adres Prins Hendriklaan 30 in Leidschendam."
VIII. bepaalt dat deze uitspraak wat onderdeel VII betreft in de plaats treedt van het besluit van 8 juli 2025, voor zover vernietigd.
IX. draagt de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen VI en VII, worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
ten aanzien van de proceskosten, het griffierecht en de schadevergoeding
X. veroordeelt de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van deze zaak opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 54,00;
XI. gelast dat de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg aan:
a. [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 184,00 vergoedt;
b. [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
XII. wijst het verzoek van [appellant sub 2] en anderen om schadevergoeding toe;
XIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) om aan [appellant sub 2] en anderen een schadevergoeding van € 1.203,71 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
XIV. veroordeelt de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg om aan [appellant sub 2] en anderen een schadevergoeding van € 1.296,29 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.R. Mosterd, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Mosterd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1091
Bestemmingsplan van Leidschendam-Voorburg ter voorbereiding van Omgevingswet
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Stedelijk’ dat de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan bevat zogenoemde conserverende regels voor Leidschendam, Voorburg en Stompwijk. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft namelijk ter voorbereiding op de Omgevingswet die in 2024 is ingevoerd, besloten om al haar bestaande bestemmingsplannen samen te voegen tot twee bestemmingsplannen. Eén voor het stedelijk gebied en één voor het landelijk gebied. Enkele inwoners van Leidschendam en Voorburg zijn het niet eens met het bestemmingsplan voor het stedelijk gebied en zijn daartegen in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Als bezwaar voeren zij onder meer aan dat er geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan. Omwonenden ondervinden in de bestaande situatie al hinder van het verkeer afkomstig van het winkelcentrum de ‘Mall of the Netherlands’, maar desondanks zijn er geen actuele onderzoeken verricht naar onder meer verkeer, luchtkwaliteit en flora- en fauna, aldus een van de bezwaarmakers. De Afdeling bestuursrechtspraak deed in mei 2025 een zogeheten tussenuitspraak in deze zaak. Zij droeg de gemeenteraad op om te motiveren dat er een aanvaardbare verkeerssituatie en -afwikkeling in en om het winkelcentrum bestaat of kan worden gemaakt. De gemeenteraad paste het bestemmingsplan aan waarbij ze heeft besloten het deel voor de Mall of the Netherlands uit het plan te halen. Er wordt gewerkt aan een meer structurele oplossing, aldus de gemeenteraad. In de uitspraak van 29 juli 2026 beoordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak of de gemeente hiermee aan de opdracht in de tussenuitspraak heeft voldaan. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 17 maart 2026 op zitting behandeld.