Uitspraak BRS.26.003301
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4229
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 9 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003301
ECLI:NL:RVS:2026:4229
Datum uitspraak: 21 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker 1], [verzoeker 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 juni 2026 in zaken nrs. NL26.20241 en NL26.20237 in het geding tussen:
[verzoekers]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 9 april 2026 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 24 juni 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoekers hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hun overdracht achterwege blijft voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.
2. Gelet op de belangen die partijen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden overgedragen, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
w.g. Stoové
voorzieningenrechter
w.g. Mercelina
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026
938-1118