Uitspraak BRS.26.003321 en BRS.26.003322
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4212
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 oktober 2025, aangevuld bij besluit van 17 februari 2026, heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen, ambtshalve geweigerd hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen en hem opgedragen de Europese Unie te verlaten.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003321 en BRS.26.003322
ECLI:NL:RVS:2026:4212
Datum uitspraak: 21 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 juni 2026 in zaak nr. NL25.51497 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2025, aangevuld bij besluit van 17 februari 2026, heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen, ambtshalve geweigerd hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen en hem opgedragen de Europese Unie te verlaten.
Bij uitspraak van 25 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M. Spapens, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen. De Afdeling overweegt daarbij dat de uitspraak van de rechtbank er niet aan in de weg staat dat de minister zich bij zijn herbeoordeling van de verklaringen van betrokkene alsnog ook een inhoudelijk oordeel vormt over de geloofwaardigheid van het door betrokkene gestelde niet-praktiserend moslim zijn.
1.2. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Kuijer
voorzieningenrechter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026
992