Uitspraak 202306494/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4303
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- De stichting heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een volgens hen van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. Op 6 december 2022 heeft de stichting een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van vier sport- en speeltoestellen (een survivalrunbaan) met een maximumhoogte van 2,5 meter op het bosperceel met nr. B-1049 aan de Dongensebaan in Teteringen. Op 21 april 2023 heeft het college, nadat de beslistermijn op 16 februari 2023 is verlengd en op 29 maart 2023 met instemming van de stichting is opgeschort, aan de stichting medegedeeld dat ook een omgevingsvergunning is vereist voor het afwijken van het bestemmingsplan en dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure op de aanvraag van toepassing is. De stichting is het daar niet mee eens en vindt dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is op de aanvraag.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202306494/1/R2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Survivalrun Groep Teteringen, gevestigd in Teteringen, gemeente Breda,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 september 2023 in zaak nr. 23/3464 in het geding tussen:
de stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda.
Procesverloop
De stichting heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een volgens hen van rechtswege gegeven omgevingsvergunning.
Bij uitspraak van 5 september 2023 heeft de rechtbank het door de stichting ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 13 mei 2024 heeft het college de door de stichting aangevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van de gronden in strijd met het bestemmingsplan geweigerd en de aanvraag voor het bouwen van een bouwwerk buiten behandeling gelaten.
De stichting heeft daartegen gronden ingediend.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 januari 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. R.J.G. Ensink, advocaat in Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.A.L. Verhoeven en mr. N.E. Snel zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 6 december 2022 heeft de stichting een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van vier sport- en speeltoestellen (een survivalrunbaan) met een maximumhoogte van 2,5 meter op het bosperceel met nr. B-1049 aan de Dongensebaan in Teteringen.
2.1. Op 21 april 2023 heeft het college, nadat de beslistermijn op 16 februari 2023 is verlengd en op 29 maart 2023 met instemming van de stichting is opgeschort, aan de stichting medegedeeld dat ook een omgevingsvergunning is vereist voor het afwijken van het bestemmingsplan en dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure op de aanvraag van toepassing is.
2.2. De stichting is het daar niet mee eens en vindt dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is op de aanvraag. Volgens de stichting is de omgevingsvergunning inmiddels van rechtswege verleend en zij heeft daarom beroep ingesteld om die vergunning alsnog te verkrijgen. De rechtbank heeft dat beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij tot de conclusie is gekomen dat het college terecht de uitgebreide voorbereidingsprocedure op de aanvraag van de stichting van toepassing heeft geacht
2.3. De Afdeling beoordeelt in deze uitspraak als eerste of de survivalrunbaan in strijd is met het bestemmingsplan dat gold op het moment dat de stichting haar aanvraag heeft ingediend, en zo ja, of de baan ook in strijd is met het bestemmingsplan dat gold op het moment dat het college zijn besluit van 13 mei 2024 heeft genomen. Daarna beoordeelt de Afdeling of de omgevingsvergunning had kunnen worden verleend met toepassing van het Besluit omgevingsrecht (Bor) op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo. Als dat niet het geval is, dan heeft het college terecht de uitgebreide voorbereidingsprocedure toegepast. Alleen als alsnog de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, heeft het college niet binnen de termijn beslist en is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend.
2.4. Het wettelijk kader is opgenomen als bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Belang bij een uitspraak op hoger beroep
3. Het college betoogt tevergeefs dat de stichting geen belang meer heeft bij een uitspraak op het hoger beroep omdat de stichting geen gebruik meer zou maken van de gronden. De stichting heeft namelijk op de zitting toegelicht dat zij de wens heeft om na deze procedure weer terug te keren naar de survivalrunbaan aan de Dongensebaan. Er bestaat daarom geen aanleiding om te oordelen dat een belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep ontbreekt.
Heropening onderzoek
4. Na sluiting van het onderzoek heeft de stichting bij brief van 30 april 2026 verzocht om het onderzoek te heropenen. De Afdeling ziet hiervoor geen aanleiding en wijst dit verzoek af.
Is het gebruik van de survivalrunbaan in strijd met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Teteringen’?
5. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag in strijd is met het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen". Zij voert daarover aan dat het gebruik van de survivalrunbaan in overeenstemming is met de gebruiksregels in artikel 10.1 van de planregels, omdat de survivalrunbaan kan worden aangemerkt als extensief recreatief medegebruik van de gronden. De rechtbank heeft daarbij volgens de stichting ten onrechte verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:264), waarbij bootcampactiviteiten als intensief gebruik werden aangemerkt. De survivalrunbaan bevindt zich namelijk niet op een afgescheiden bosperceel en er worden geen losse materialen gebruikt. Daarnaast heeft de rechtbank volgens de stichting ten onrechte de plantoelichting betrokken bij de uitleg van de planregels. De begripsbepaling voor extensief recreatief gebruik vereist namelijk niet dat de recreatie natuurvriendelijk moet zijn en ook niet dat deze in de hoofdzaak gericht moet zijn op natuur-en landschapsbeleving. Zo’n vereiste mag ook niet worden ingelezen op basis van de plantoelichting. Verder voert de stichting aan dat het gebruik van de survivalrunbaan ondergeschikt gebruik is in een al bestaand bos, waar de functies van de bestemming, zoals duurzame instandhouding en behoud, blijven prevaleren en het bos verder toegankelijk blijft voor derden.
5.1. De rechtbank heeft allereerst bij haar oordeel over de vraag of het gebruik van de survivalrunbaan voldoet aan artikel 1, onder e1, van de planregels ten onrechte de plantoelichting betrokken in haar oordeel. De rechtbank heeft namelijk de natuur- en landschapsbeleving vooropgesteld bij de vraag of het gebruik als extensief recreatief medegebruik kan worden aangemerkt. Deze natuur- en landschapsbeleving wordt echter alleen in de toelichting van het bestemmingsplan genoemd. Aan de toelichting komt pas betekenis toe, als die planregel op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels. Omdat niet is gebleken dat de tekst van artikel 1, onder e1, van de planregels onduidelijk is, is er geen reden om aan de hand van de niet-juridisch bindende toelichting van het bestemmingsplan uitleg te geven aan de definitie van extensief recreatief medegebruik. De stichting heeft dit dan ook terecht aangevoerd.
5.2. Dit leidt alleen niet tot een vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht tot de conclusie gekomen dat de survivalrunbaan moet worden aangemerkt als intensief gebruik van de gronden en dus niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen". Het bosperceel is namelijk in zijn geheel omheind en afgesloten waardoor alleen donateurs van de stichting gebruik kunnen maken van het bosperceel en de survivalrunbaan. Door dit exclusieve gebruik is het gebruik van de survivalrunbaan alleen al hierom geen recreatief medegebruik. Het feit dat het gehele bosperceel is omheind en niet alleen de survivalrunbaan maakt dit niet anders. De survivalrunbaan is namelijk door de omheining nog steeds niet toegankelijk voor derden. Gelet op het voorgaande moet het gebruik van de survivalrunbaan dan ook worden aangemerkt als intensief gebruik van de gronden van het bosperceel.
5.3. De verschillen met de situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 maken niet dat de Afdeling in dit geval tot een ander oordeel komt. Het feit dat voor de survivalrunbaan geen losse materialen worden gebruikt, maar gebruik wordt gemaakt van speeltoestellen die permanent in en aan de natuur zijn bevestigd, onder meer in en aan bomen, maakt dat juist intensiever gebruik wordt gemaakt van de natuur dan met de losse materialen die in de uitspraak van 30 januari 2019 worden genoemd.
5.4. Zoals onder 5.2 is overwogen is het gebruik van de survivalrunbaan intensief. De rechtbank is daarom terecht, zij het deels op onjuiste gronden, tot de conclusie gekomen dat het gebruik van de survivalrunbaan in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen".
Is het gebruik van de survivalrunbaan in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost"?
6. Verder betoogt de stichting dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag ook op goede gronden in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost" heeft geacht. Zij voert daarover aan dat het gebruik van de gronden is aan te merken als extensief recreatief medegebruik en daarom wordt voldaan aan de begripsbepaling van artikel 1.36 van de planregels. Het gebruik van de survivalrunbaan legt namelijk geen specifiek beslag op de ruimte omdat dit gebruik ondergeschikt is aan de natuurfunctie. Bovendien is het gebruik van de survivalrunbaan wel degelijk gericht op natuur- en landschapsbeleving omdat de baan bestaat uit natuurlijke obstakels en naast het beklimmen daarvan wordt gewandeld en hardgelopen op het bosperceel.
6.1. Op grond van dit bestemmingsplan rust op het bosperceel de bestemming "Natuur". Deze gronden zijn mede bestemd voor extensief recreatief medegebruik (artikel 8.1, onder e, van de planregels). Onder extensief recreatief medegebruik wordt in dit plan verstaan: recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen en daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur-en landschapsbeleving (artikel 1.36 van de planregels).
6.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het gebruik van de survivalrunbaan ook in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost" heeft geacht omdat dit gebruik niet kan worden aangemerkt als extensief recreatief medegebruik. Op grond van wat onder 5.5 en 5.6 is overwogen kan al worden geoordeeld dat het gebruik een specifiek beslag op de ruimte legt. Bovendien ziet de Afdeling in dat wat is aangevraagd ook geen aanleiding om te oordelen dat de survivalrunbaan in hoofdzaak op natuur en landschapsbeleving is gericht.
Het betoog slaagt niet.
Kan het bouwplan worden vergund met toepassing van het Bor?
7. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat enkel op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo de omgevingsvergunning voor het afwijkend gebruik van de gronden kan worden vergund. Zij voert daarover aan dat een omgevingsvergunning kan worden verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo en artikel 4, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor. Verder had het college moeten kijken of het mogelijk is om de omgevingsvergunning tijdelijk (artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Bor) te verlenen.
7.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college voor de strijdigheid met het bestemmingsplan geen vergunning kan verlenen met toepassing van artikel 4 van bijlage II van het Bor. Hoewel op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor wel de plaatsing van de separate sport- en speeltoestellen zou kunnen worden toegestaan, biedt artikel 4 van bijlage II van het Bor verder geen ruimte voor het toestaan van het gebruik daarvan als survivalrunbaan in afwijking van het bestemmingsplan. Artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Bor biedt ook geen mogelijkheden om de vergunning te verlenen. Dit artikel gaat namelijk over een tijdelijke vergunning voor een maximum duur van tien jaar, maar zoals het college op de zitting terecht heeft opgemerkt, heeft de stichting geen tijdelijke vergunning aangevraagd en moet het college een besluit nemen op een aanvraag zoals deze is ingediend.
7.2. Omdat, zoals hierboven in 7 en 7.1 is overwogen, de omgevingsvergunning ook niet met toepassing van het Bor kan worden verleend, kan een omgevingsvergunning voor het bouwplan niet op een andere grondslag worden verleend dan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo. Het college heeft daarom terecht de uitgebreide voorbereidingsprocedure toegepast (artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo). Gelet op artikel 3:10, vierde lid, van de Awb kan bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure geen vergunning van rechtswege ontstaan. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat geen vergunning van rechtswege is verleend.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden waarop zij rust.
Het besluit van 13 mei 2024
9. In het besluit van 13 mei 2024 heeft het college de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan’ geweigerd en de aanvraag voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ buiten behandeling gelaten. De stichting heeft een grond tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van de gronden in strijd met het bestemmingsplan’ ingediend. De Afdeling bespreekt de gronden van de stichting daarom hieronder.
Natuur Netwerk Brabant
10. De stichting betoogt dat het college ten onrechte geen omgevingsvergunning heeft verleend omdat het gebruik van de survivalrunbaan in strijd zou zijn met nationale regels, in het bijzonder artikel 2.10.4 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Volgens de stichting moeten de regels die de provincie moet stellen in haar verordening voorkomen dat een activiteit leidt tot een significante aantasting of vermindering van de natuurlijke waarden van het bosperceel, terwijl in artikel 3.18 van de IOV is geregeld dat alleen nieuwe ontwikkelingen zijn toegestaan wanneer die de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant niet aantasten. Door niet te spreken van een significante aantasting maar slechts van een aantasting, wordt de drempel volgens de stichting ten onrechte hoger gelegd dan nodig.
10.1. Artikel 3.18 van de IOV is een algemeen verbindend voorschrift waartegen, gelet op artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb, geen beroep kan worden ingesteld. Een rechter kan een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, in een zaak over een besluit dat op dat voorschrift gebaseerd is, toetsen op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De rechter komt ook de bevoegdheid toe te beoordelen of dat algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het besluit waarover de zaak gaat. Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, waarbij de toetsing wordt verricht op de wijze zoals de Afdeling die heeft uiteengezet in haar uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:452).
10.2. Op grond van artikel 2.10.4 van het Barro worden bij provinciale verordening regels gesteld die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en waarbij een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend geen activiteiten mogelijk worden gemaakt die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden. Aan die opdracht hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant invulling gegeven met artikel 3.18 van de IOV. Daarin staat dat een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing voor de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik is toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
10.3. Artikel 3.18 van de IOV is ten eerste niet in strijd is met artikel 2.10.4 van het Barro. Hoewel de drempel voor het mogelijk maken van activiteiten in het NNB op grond van artikel 3.18 van de IOV hoger ligt dan artikel 2.10.4 van het Barro vereist, betekent dit nog niet dat artikel 3.18 van de IOV daarom in strijd is met het Barro. Uit het Barro en de toelichting daarop blijkt namelijk niet dat strengere natuurbeschermingsregels niet zijn toegestaan; het Barro geldt daarom als ondergrens. De lokale wetgevers hebben de ruimte om strengere eisen op te nemen in de provinciale verordeningen en bestemmingsplannen.
10.4. Het beroep van de stichting op artikel 3.18 van de IOV kan verder ook niet slagen. Op grond van dit artikel is het oprichten van bouwwerken voor de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. De sport- en speeltoestellen worden echter niet opgericht voor een natuurfunctie of recreatief medegebruik, maar, zoals eerder is overwogen, voor intensief gebruik. Artikel 3.18 van de IOV biedt dan ook geen mogelijkheden om alsnog een vergunning voor het gebruik van de survivalrunbaan te verlenen. Omdat artikel 3.18 van de IOV alleen al hierom niet van toepassing is, wordt niet toegekomen aan het betoog van de stichting dat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden die dat artikel stelt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroep
11. Het beroep tegen het besluit van 13 mei 2024 is ongegrond.
Proceskosten
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 13 mei 2024 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
638-1167
Bijlage
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Afdeling 3.4. Uniforme openbare voorbereidingsprocedure;
Artikel 3:10, vierde lid van de Awb luidt:
4. Indien deze afdeling van toepassing is op de voorbereiding van een besluit is paragraaf 4.1.3.3. (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid van de Wabo luidt:
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. […]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
Artikel 2.12, eerste lid van de Wabo luidt:
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
Artikel 3.10, eerste lid van de Wabo luidt:
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;
Besluit omgevingsrecht
Artikel 4, aanhef en onderdeel 3 en 11, van bijlage II van het Bor luidt:
[..]
3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 10 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Artikel 2.10.4, eerste lid van het Barro luidt:
1. Bij provinciale verordening worden regels gesteld die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied behorende tot het natuurnetwerk Nederland en een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken geen activiteiten mogelijk maken ten opzichte van het ten tijde van inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, tenzij:
a. er sprake is van een groot openbaar belang,
b. er geen reële alternatieven zijn, en
c. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Artikel 3.18, eerste lid van de IOV luidt:
1. Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.
Bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost"
Artikel 1.36 van de planregels luidt:
recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen en daarmee gelijk te stellen activiteiten (met uitzondering van rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair), dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving;
Artikel 8.1 van de planregels luidt:
De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
e. extensief recreatief medegebruik, waaronder ter plaatse van de aanduiding 'golfbaan' tevens wordt bedoeld het extensief medegebruiken van de gronden ten behoeve van de golfbaan;
Artikel 8.2 van de planregels luidt:
a. Op of in de tot Natuur bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de hoogte niet meer dan 1.50 meter mag bedragen en in de vorm van voorzieningen voor het extensief recreatief medegebruik zoals zitgelegenheden.
Bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen"
Artikel 1, onder e1 van de planregels luidt:
e1. extensief recreatief gebruik:
gebruik van daartoe bestemde gronden voor recreatief medegebruik, niet zijnde verblijfsrecreatie, zoals onder andere wandelen en fietsen;
Artikel 10, eerste lid van de planregels luidt:
I. Doeleindenomschrijving
De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor:
• duurzame instandhouding van het bos en de groeiplaats van het bos;
• behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de bossen eigen zijnde natuur- en landschapswaarden met daarop afgestemd bosbouw;
• behoud en/of herstel van de cultuurhistorische en archeologische waarden;
• extensief recreatief medegebruik;
• waterwinning voorzover gelegen binnen het op de plankaart aangegeven grondwaterbeschermingsgebied.