Uitspraak 202204834/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4298
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 21 april 2021 en 6 oktober 2021 heeft de korpschef verzoeken van [appellant] om rectificatie van politiegegevens afgewezen. Een medewerker van de politie heeft twee e-mails van [appellant] in het politiesysteem BVH opgeslagen met de vermelding ‘(Dreig)mail’. Verder heeft een medewerker van de politie de projectcode ‘corona’ gekoppeld aan een BVH-registratie waarin politiegegevens van [appellant] zijn verwerkt. [appellant] heeft op grond van de Wet politiegegevens verzocht om wijziging van deze vermelding en om verwijdering van de projectcode. De korpschef heeft deze verzoeken bij afzonderlijke besluiten afgewezen. De rechtbank heeft de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om te controleren of de feitelijke kwalificatie van de e-mail als ‘(Dreig)mail’ klopt. Ook voert hij aan dat er geen ‘effective remedy’ is omdat meningen en indrukken niet voor rectificatie vatbaar zijn, terwijl die meningen en indrukken in strafrechtelijke procedures tegen hem gebruikt worden als feiten omdat mutaties op ambtseed zijn opgemaakt.
- Hoger beroep
- Politiegegevens
Toon inhoud
202204834/1/A3.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2022 in zaak nr. 21/2389 en 21/5581 in het geding tussen:
[appellant]
en
de korpschef van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluiten van 21 april 2021 en 6 oktober 2021 heeft de korpschef verzoeken van [appellant] om rectificatie van politiegegevens afgewezen.
Bij uitspraak van 27 juni 2022 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nader stukken ingediend.
De korpschef heeft stukken ingediend en verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2026, waar [appellant] en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. S. Filali, bijgestaan door mr. P.M.L. van der Schot, advocaat in Loosdrecht, zijn verschenen.
[appellant] heeft ter zitting toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend om mede op grondslag van de geheime stukken uitspraak te doen.
Overwegingen
Waar gaat deze uitspraak over?
1. Een medewerker van de politie heeft twee e-mails van [appellant] in het politiesysteem BVH opgeslagen met de vermelding ‘(Dreig)mail’. Verder heeft een medewerker van de politie de projectcode ‘corona’ gekoppeld aan een BVH-registratie waarin politiegegevens van [appellant] zijn verwerkt. [appellant] heeft op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) verzocht om wijziging van deze vermelding en om verwijdering van de projectcode. De korpschef heeft deze verzoeken bij afzonderlijke besluiten afgewezen. De rechtbank heeft de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
2. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld.
Wat heeft [appellant] aangevoerd?
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om te controleren of de feitelijke kwalificatie van de e-mail als ‘(Dreig)mail’ klopt. Ook voert hij aan dat er geen ‘effective remedy’ is omdat meningen en indrukken niet voor rectificatie vatbaar zijn, terwijl die meningen en indrukken in strafrechtelijke procedures tegen hem gebruikt worden als feiten omdat mutaties op ambtseed zijn opgemaakt.
3.1. Artikel 28, eerste lid, van de Wpg luidt: "De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende onjuiste politiegegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigen."
3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in een uitspraak op een hoger beroep van [appellant], is het in artikel 28, eerste lid, van de Wpg neergelegde correctierecht niet bedoeld om indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Voor zover verzoeken betrekking hebben op feitelijke gegevens, is het aan verzoeker om aannemelijk te maken dat deze gegevens onjuist zijn. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:621.
3.3. In de e-mail van [appellant] die in het politiesysteem BVH is opgeslagen met de vermelding ‘(Dreig)mail’ staat vermeld: "ik verzoek u nogmaals om geen eigen regels te verzinnen en u te onthouden van machtsmisbruik hetgeen een ambtsmisdrijf is." De korpschef heeft toegelicht dat de ontvanger uit deze e-mail heeft opgemaakt dat hem een aangifte voor het plegen van een ambtsmisdrijf boven het hoofd zou hangen als hij niet doet wat [appellant] van hem verlangt. De kwalificatie van de mail tussen haakjes is een indruk van de verbalisant waarvoor het correctierecht niet is bedoeld. Omdat het hier niet gaat om een feitelijk gegeven, heeft de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om te beoordelen of de kwalificatie van de e-mail als ‘(Dreig)mail’ klopt.
3.4. Het betoog van [appellant] hij geen doeltreffende voorziening in rechte heeft, omdat meningen en indrukken in strafrechtelijke procedures tegen hem gebruikt worden als feiten omdat mutaties op ambtseed zijn opgemaakt, kan de Afdeling niet volgen. De strafrechter maakt een eigen weging van alle ingebrachte bewijsmiddelen in samenhang bezien en moet deze weging goed motiveren. Een betrokkene kan zijn stelling over het gewicht dat dient toe te komen aan de bewijsmiddelen aan de orde stellen in de strafrechtprocedure.
3.5. Het betoog slaagt niet.
4. Ter zitting heeft [appellant] zijn hoger-beroepsgronden over de afwijzing van zijn verzoek om verwijdering van de projectcode ‘corona’ ingetrokken.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Redelijke termijn
6. [appellant] betoogt terecht dat de procedure niet binnen de redelijke termijn is afgerond. De redelijke termijn bij een procedure als deze bedraagt namelijk vier jaar. In dit geval is deze aangevangen op 24 april 2021 met de ontvangst van het beroepschrift van [appellant] tegen het besluit van 21 april 2021. Vanaf die datum tot 22 juli 2026, de dag van deze uitspraak, zijn vijf jaar en drie maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met een jaar en drie maanden is overschreden. Dit is aan de Afdeling toe te rekenen omdat de behandeling van het hoger beroep langer dan twee jaar heeft geduurd. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet daarom een schadevergoeding van € 1.500,00 betalen.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 1.500,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Larsson-van Reijsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026