Uitspraak 202503702/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4288
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen besloten om een bussluis aan te leggen in de Noorddammerlaan ter hoogte van de bocht naar de Legmeerdijk en het weggedeelte op dat punt gesloten te verklaren voor alle motorvoertuigen, uitgezonderd lijnbussen. Bovenkerk is een wijk in Amstelveen. De route Noorddammerlaan-Legmeerdijk werd vóór de plaatsing van de bussluis door autoverkeer gebruikt als doorgaande route. Om doorgaand verkeer op de Noorddammerlaan-Legmeerdijk tegen te gaan is het, in het bijzonder met het oog op de verkeersveiligheid, wenselijk geacht om een fysieke afsluiting in de vorm van een bussluis te realiseren voor gemotoriseerd verkeer. Het college heeft daarom, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov), op 26 januari 2021 een verkeersbesluit genomen om een bussluis te realiseren ter hoogte van de Sint Urbanuskerk. Deze is in november 2021 aangelegd.
- Hoger beroep
- Wegenverkeerswet
Toon inhoud
202503702/1/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D], [appellant sub 1E], [appellant sub 1F] ([appellant sub 1] en anderen), allen wonend in Amstelveen,
2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Amstelveen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2025 in zaak nr. 23/1656 in het geding tussen:
[appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D], [appellant sub 1E], [appellant sub 1F], [partij A] en [partij B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college besloten om een bussluis aan te leggen in de Noorddammerlaan ter hoogte van de bocht naar de Legmeerdijk en het weggedeelte op dat punt gesloten te verklaren voor alle motorvoertuigen, uitgezonderd lijnbussen.
Bij uitspraak van 20 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 januari 2023 vernietigd en bepaald bij wijze van voorlopige voorziening dat de feitelijke uitvoering van het verkeersbesluit van 31 januari 2023 in stand blijft tot uiterlijk zes maanden na de dag van verzending van haar uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen, en [appellant sub 2] en anderen hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 11 november 2025 heeft het college opnieuw besloten om een bussluis aan te leggen in de Noorddammerlaan-Legmeerdijk en het weggedeelte op dat punt te sluiten voor alle motorvoertuigen, uitgezonderd lijnbussen, waarmee de huidige situatie in stand blijft.
Bij afzonderlijke besluiten van 26 maart 2026 heeft het college de afzonderlijke ingediende bezwaren tegen het besluit van 11 november 2025 ongegrond verklaard.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 mei 2026, waar [appellant sub 1A], vergezeld door [appellant sub 1E], en [appellant sub 2], vergezeld door [appellant sub 2A], en het college, vertegenwoordigd door F. Meyer en P.J.W. Gilissen, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij C], [partij D] en [partij E] gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Bovenkerk is een wijk in Amstelveen. De route Noorddammerlaan-Legmeerdijk werd vóór de plaatsing van de bussluis door autoverkeer gebruikt als doorgaande route. Om doorgaand verkeer op de Noorddammerlaan-Legmeerdijk tegen te gaan is het, in het bijzonder met het oog op de verkeersveiligheid, wenselijk geacht om een fysieke afsluiting in de vorm van een bussluis te realiseren voor gemotoriseerd verkeer. Het college heeft daarom, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov), op 26 januari 2021 een verkeersbesluit genomen om een bussluis te realiseren ter hoogte van de Sint Urbanuskerk. Deze is in november 2021 aangelegd.
2. Tegen het besluit van 26 januari 2021 hebben [appellant sub 1] en anderen beroep ingesteld.
3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 8 november 2022 het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. In die uitspraak heeft de rechtbank bij voorlopige voorziening bepaald dat de bussluis in stand blijft tot zes weken nadat het college een nieuw besluit heeft genomen. De rechtbank heeft het college opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Met het besluit van 31 januari 2023 heeft het college gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 8 november 2022.
Besluitvorming
4. Met het besluit van 31 januari 2023 heeft het college opnieuw besloten om de bussluis te realiseren ter hoogte van de Sint Urbanuskerk, waarmee de bestaande situatie dus in stand is gebleven. De keuze voor het behoud van de bussluis ter hoogte van de Sint Urbanuskerk wordt onderbouwd door het verkeerskundige conceptrapport van Goudappel Coffeng van 12 maart 2019, het draagvlakonderzoek onder bewoners, het akoestisch onderzoek van Royal Haskoning van 16 december 2020, de verkeerstellingen en het aanvullend verkeerskundig rapport van Goudappel Coffeng van 25 januari 2023.
5. Met het verkeersbesluit worden, op basis van artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw), de volgende doelstellingen nagestreefd: het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van weggebruikers en passagiers en het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer. Deze doelstellingen worden bereikt door de verkeersintensiteit te doen afnemen. Het aanvullend verkeerskundig rapport van Goudappel Coffeng van 25 januari 2023 laat zien dat de huidige situatie met de bussluis ter hoogte van de Sint Urbanuskerk heeft geleid tot een sterke vermindering van het aantal motorvoertuigen in Bovenkerk. De voorkeur van de bewoners, de minimale hoeveelheid sluipverkeer en de toegevoegde waarde van de mogelijkheid voor het creëren van een verkeersluwe verblijfsruimte in het centrum van Bovenkerk, heeft het college doen besluiten om de bussluis te realiseren ter hoogte van de Sint Urbanuskerk.
Uitspraak van de rechtbank
6. Volgens de rechtbank heeft het college het verkeersbesluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Ter toelichting van dat oordeel heeft zij onder meer het volgende overwogen.
7. Het doel van het verkeersbesluit is om het verkeer dat in de wijk Bovenkerk rijdt over de Noorddammerlaan en de Legmeerdijk, te verminderen. Het college heeft daartoe drie varianten onderzocht: een variant waarbij de snelheid op de doorgaande route wordt teruggebracht naar 30 kilometer per uur, en twee varianten met bussluis. Een op het zuidelijkste punt van de doorgaande route (ter hoogte van de Beneluxbaan), en de uiteindelijk gekozen variant, een bussluis in het midden van deze doorgaande route (ter hoogte van de Sint Urbanuskerk). De rechtbank heeft, gelet op haar uitspraak van 8 november 2022, beoordeeld of het college in het verkeerbesluit van 31 januari 2023, wél de verkeerskundige gevolgen van de drie varianten heeft onderzocht en vervolgens voldoende heeft afgewogen.
8. Het college heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke verkeerskundige gevolgen - van bijvoorbeeld bestemmingsverkeer - een bussluis ter hoogte van de Beneluxbaan heeft. Pas als alle gevolgen voor alle varianten onderzocht en kenbaar zijn, kan het college de belangen afwegen. Hoewel Goudappel Coffeng oordeelde dat de nadelige effecten lijken mee te vallen, moeten deze effecten alsnog kenbaar worden afgewogen tegen de effecten van de variant waarbij de knip ter hoogte van de Beneluxbaan komt. Daarbij is van belang bevonden dat Goudappel Coffeng in het aanvullende rapport ten aanzien van een knip bij de Beneluxbaan overweegt: "Verkeerskundig blijft daarbij de knip aan de zuidkant van de Legmeerdijk de meest voor de hand liggende maatregel, (…)". Dat maakt de verplichting voor het college om te onderbouwen waarom het college toch niet voor deze variant kiest, des te belangrijker.
9. Verder kan het draagvlakonderzoek geen rol spelen bij de besluitvorming, omdat aan de bewoners niet het advies van Goudappel Coffeng is voorgelegd. De bewoners waren niet voldoende geïnformeerd over de verkeerskundige gevolgen van de drie voorgelegde varianten. Als het college de wensen van de bewoners alsnog zou willen laten meewegen bij het nemen van een nieuw verkeersbesluit, zal het college opnieuw varianten, met een uiteenzetting van de verkeerskundige gevolgen van de voorgelegde varianten, aan de bewoners moeten voorleggen.
Hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen
10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank duidelijker instructies aan het college had moeten geven voor het nemen van het nieuwe verkeersbesluit. De rechtbank had expliciete aanwijzingen moeten geven over de wijze waarop het college de belangenafweging, het variantenonderzoek en de bewonersparticipatie had moeten aanpakken. De rechtbank had ook explicieter de instructie aan het college moeten geven om de variant van de bussluis bij de Beneluxbaan opnieuw goed te onderzoeken. De rechtbank had het college ook moeten verplichten om voor het nieuwe verkeersbesluit wederom de uniforme voorbereidingsprocedure toe te passen.
10.1. Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen richt zich tegen rechtsoverweging 18 onder het kopje ‘Hoe nu verder?’ van de uitspraak van de rechtbank. Hierin beschrijft de rechtbank wat de vervolgstappen van het college kunnen zijn na de vernietiging. De rechtbank bepaalt daarin dat het college niet opnieuw toepassing hoeft te geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
10.2. De uov is in dit geval niet wettelijk voorgeschreven. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, ziet daarom niet op deze situatie. Het college heeft toepassing gegeven aan artikel 3:10, eerste lid, van de Awb en er zelf voor gekozen ten aanzien van de oorspronkelijke besluitvorming de uov te volgen. Dit betekent niet dat als dat besluit wordt vernietigd en het college een nieuw besluit moet nemen, het gehouden is om ook het nieuwe besluit met toepassing van de uov te nemen. Het staat het college vrij om de nieuwe besluitvorming zonder uov te doen. Het college heeft het besluit van 31 januari 2023 ook voorbereid zonder toepassing van de procedure in afdeling 3.4 van de Awb. Het college was niet gehouden om na vernietiging van dat besluit een nieuw besluit voor te bereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het betoog slaagt in zoverre niet. Ook het betoog dat de rechtbank aan het college aanwijzingen had moeten geven over de wijze waarop het nieuwe besluit moet worden genomen slaagt niet. De rechtbank heeft het besluit vernietigd, omdat daaraan gebreken kleven. Het is vervolgens aan het college om die gebreken te herstellen. [appellant sub 1] en anderen kunnen rechtsmiddelen instellen tegen het nieuwe besluit als zij vinden dat het college de geconstateerde gebreken niet heeft hersteld.
10.3. Het betoog slaagt niet.
10.4. Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond.
Hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen
11. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het verkeersbesluit voldoende is gemotiveerd en de rechtbank ten onrechte aanvullend verkeersonderzoek eist. Uit het aanvullend verkeerskundig rapport van Goudappel Coffeng van 25 januari 2023 blijkt dat het sluipverkeer door de wijk verwaarloosbaar is en bovendien betwisten [appellant sub 2] en anderen dat dit sluipverkeer betreft. Volgens hen zijn de veranderde verkeersintensiteiten in de straatjes alleen het gevolg van een iets andere verdeling van het bestemmingsverkeer binnen de wijk. Er is geen enkel belang mee gediend om het college opdracht te geven tot weer aanvullend onderzoek en weer nieuwe besluitvorming. Het is namelijk evident dat bij een bussluis ter hoogte van de Beneluxbaan de verkeerstellingen net weer anders zullen uitpakken.
11.1. Dat de veranderde verkeersintensiteiten het gevolg zijn van een andere verdeling van het bestemmingsverkeer binnen de wijk, wordt door de rechtbank ook overwogen. Wat het college echter niet heeft onderzocht, is op welke manier dit bestemmingsverkeer gaat rijden bij een knip ter hoogte van de Beneluxbaan. Door dit na te laten heeft het college de verkeerskundige gevolgen daarvan onvoldoende inzichtelijk gemaakt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat pas als alle gevolgen voor alle varianten onderzocht en kenbaar zijn, het college de belangen kan afwegen. De Afdeling kan zich hiermee verenigen en maakt de overwegingen onder rechtsoverweging 15 van de rechtbank tot de hare.
11.2. Het betoog slaagt niet.
11.3. Het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond.
Beroep tegen het besluit van 11 november 2025
12. Het college heeft op 11 november 2025 opnieuw een verkeersbesluit genomen. Het college stelt dat dit besluit geen herstel- of wijzigingsbesluit is, maar een nieuw primair verkeersbesluit, waartegen bezwaar gemaakt kan worden.
12.1. Anders dan het college stelt, strekt het besluit van 11 november 2025 wél tot vervanging dan wel wijziging van het besluit van 31 januari 2023, na vernietiging daarvan door de rechtbank, omdat het is genomen met herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid door het zelfde bestuursorgaan en op dezelfde feitelijke grondslag, waarbij is gebleven binnen de grondslag en reikwijdte van de eerste besluitvorming. Het door het college hangende het hoger beroep genomen besluit van 11 november 2025 is een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24, van de Awb. Artikel 6:19 van de Awb is een bepaling van openbare orde, waaraan de Afdeling ambtshalve toetst. De Afdeling stelt vast dat het college de bezwaren tegen het besluit van 11 november 2025 niet overeenkomstig die bepaling heeft doorgezonden aan haar, dat het college zich ten onrechte bevoegd heeft geacht bezwaren tegen dat besluit in behandeling te nemen en dat het zich ten onrechte bevoegd heeft geacht een beslissing op deze bezwaren te nemen (uitspraak van 7 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4100, onder 3). Daarom vernietigt de Afdeling de besluiten van 25 maart 2026.
13. Met het vervangingsbesluit van 11 november 2025 heeft het college opnieuw besloten om door middel van het treffen van een fysieke maatregel een bussluis aan te brengen op de Noorddammerlaan-Legmeerdijk ter hoogte van de Sint Urbanuskerk. Hiermee blijft de bestaande situatie in stand. Het college heeft de volgende motivering aan het besluit ten grondslag gelegd.
13.1. Met het vervangingsbesluit worden, op basis van artikel 2 van de Wvw, de volgende doelstellingen nagestreefd: het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van weggebruikers en passagiers en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer. Het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer, is met de verkeersmaatregel in het geding. Het college heeft dit belang ondergeschikt verklaard ten opzichte van de met het besluit te dienen belangen. In opdracht van het college heeft Bono Traffics een aanvullend verkeersonderzoek uitgevoerd waarin een systematische vergelijking is gemaakt tussen de aanleg van een bussluis ter hoogte van de Sint Urbanuskerk (variant 1) en een bussluis ter hoogte van de Beneluxbaan (variant 2). Dit heeft geresulteerd in het rapport betreffende het verkeersonderzoek Variantenstudie Bovenkerk van 14 oktober 2025. Het college heeft de uitkomsten van het verkeersonderzoek betrokken bij zijn besluitvorming. Uit de Variantenstudie concludeert het college dat variant 1 in zijn totaliteit op de gekozen criteria beter scoort dan variant 2, waarbij het college meer gewicht heeft toegekend aan de criteria leefbaarheid en verkeersveiligheid.
14. Omdat met het vervangingsbesluit volledig wordt tegemoetgekomen aan de wens van [appellant sub 2] en anderen ontstaat er voor hen geen beroep van rechtswege. Zij hebben daar onvoldoende belang bij (zie artikel 6:19, eerste lid, van de Awb).
15. Voor [appellant sub 1] en anderen ontstaat wel een beroep tegen het besluit van 11 november 2025, omdat zij zich niet kunnen verenigen met het vervangingsbesluit.
16. [partij C], [[partij F], [partij G], [partij E], [partij H], [partij I], [partij J] en [partij D] ([partij C] en anderen) hebben niet als partij deelgenomen aan het geding tegen het oorspronkelijke besluit, zodat voor hen geen beroep van rechtswege is ontstaan. Zij hebben reëel bezwaar gemaakt tegen het vervangingsbesluit. De ratio van de regeling van artikel 6:19 van de Awb is dat tegen het oorspronkelijke besluit en het hangende de procedure afgekomen vervangingsbesluit dezelfde rechtsgang openstaat. Dit bevordert een effectieve geschillenbeslechting. Daarom wordt het bezwaar van [partij C] en anderen aangemerkt als een beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt, in het geval dat na vernietiging van een besluit door de rechter een vervangend besluit nieuw besluit wordt genomen, aan iemand die voor het eerst opkomt tegen het nieuwe besluit in beginsel tegengeworpen dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het vernietigde besluit. Door geen beroep in te stellen tegen dat besluit, wordt hij geacht daarin te hebben berust. Gelet op het belang van efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van andere partijen, kan hij alleen beroep instellen tegen het nieuwe besluit als hij daardoor in een nadeligere positie is geraakt ten opzichte van het vernietigde besluit of als aan het nieuwe besluit gewijzigde feiten of omstandigheden ten grondslag liggen waardoor hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet is opgekomen tegen het vernietigde besluit. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:121. [partij C] en anderen hebben geen beroep ingesteld tegen het besluit van 31 januari 2023. Daarmee worden zij geacht te hebben berust in dat besluit. Na vernietiging van dat besluit door de rechtbank, heeft het college het vervangingsbesluit van 11 november 2025 genomen, zonder toepassing van de procedure in afdeling 3.4 van de Awb. Zoals uit 10.2 volgt, mocht de college dat doen. [partij C] en anderen zijn als gevolg van het vervangingsbesluit niet in een nadeliger positie komen te verkeren ten opzichte van het besluit van 31 januari 2023. Ook zijn er geen gewijzigde feiten en omstandigheden waardoor hen anderszins redelijkerwijs niet kan worden verweten niet eerder te zijn opgekomen tegen dit besluit. Het als beroep aangemerkte reële bezwaar van [partij C] en anderen is daarom niet-ontvankelijk.
Beoordeling beroepen van rechtswege
17. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de verkeerstoename in de wijk veel groter is dan het college doet voorkomen. Weliswaar is het verkeer afgenomen op de Noordammerlaan-Legmeerdijk, maar in de wijk zelf is het verkeer toegenomen. Dat de verkeerstoename binnen de acceptabele marges past, is niet onderbouwd in de rapporten van Goudappel Coffeng en Bono Traffics.
17.1. Niet in geschil is dat de bussluis ter hoogte van de Sint Urbanuskerk heeft gezorgd voor een significante afname in doorgaand (sluip)verkeer. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat hierdoor de doelstellingen van het vervangingsbesluit zijn gehaald. Dat het verkeer in sommige straten in de wijk is toegenomen, wordt niet betwist. Echter, uit de verkeerstellingen van 2022 blijkt dat de verkeerstoename in die straten in de wijk, binnen de acceptabele marges past. In tegenstelling tot wat [appellant sub 1] en anderen betogen is dit in het rapport van 25 januari 2023 van Goudappel Coffeng wel onderbouwd op pagina 4 en in het rapport van Bono Traffics van 14 oktober 2025 op pagina 30 en 32, waar wordt verwezen naar de verkeerstellingen van 2022.
Het betoog slaagt niet.
18. [appellant sub 1] en anderen betogen verder dat in het vervangingsbesluit is overwogen dat variant 1 beter scoort dan variant 2, terwijl uit het rapport van Goudappel Coffeng juist blijkt dat variant 2 verkeerskundig effectiever is. Bij variant 2 zal er helemaal geen sluipverkeer zijn, terwijl dat er bij variant 1 nog wel is. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het toch bij het nemen van het vervangingsbesluit af mocht gaan op het advies van Bono Traffics.
18.1. Volgens het college blijkt uit het onderzoek van Bono Traffics dat het sluipverkeer ook bij variant 1 effectief wordt geweerd. Daarnaast blijkt dat bij variant 1 een betere spreiding van de verkeersstromen plaatsvindt, waardoor de verkeersdruk in de wijk zich evenredig verdeelt. In het rapport van Goudappel Coffeng is de situatie enkel bezien vanuit het perspectief van het weren van doorgaand (sluip)verkeer, terwijl in de Variantenstudie naar meerdere criteria is gekeken (reistijd, reisafstand, leefbaarheid, inpasbaarheid, doorstroming en verkeersveiligheid).
18.2. Het college moest gelet op de uitspraak van de rechtbank nader onderzoek verrichten naar alle gevolgen. Omdat Goudappel Coffeng de situatie enkel heeft bezien vanuit het perspectief van doorgaand (sluip)verkeer kon het college daar niet meer alleen op afgaan. Daarom heeft het advies ingewonnen van Bono Traffics die een breder perspectief ten grondslag heeft gelegd aan zijn rapport. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het door Bono Traffics verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Zij hebben ook geen contra expertise aangeleverd. Niet gebleken is dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het rapport van Bono Traffics. Bij het nemen van het besluit heeft het college daarom af mogen gaan op het verkeersonderzoek Variantenstudie Bovenkerk van 14 oktober 2025.
Het betoog slaagt niet.
19. [appellant sub 1] en anderen betogen verder dat het vervangingsbesluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het leidt namelijk tot een structurele beperking van de vrijheid van verkeer voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer en tot omrijden via woonstraten in de wijk. Het college heeft onvoldoende aangetoond dat de maatregel noodzakelijk en proportioneel is.
19.1. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994. Het college dient dit naar behoren te motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). De absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft daarbij niet te worden aangetoond.
19.2. Het vervangingsbesluit dient de in artikel 2, eerste lid, onder a en b en artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wvw 1994 vermelde belangen, namelijk het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van weggebruikers en passagiers en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer. Uit de verkeerstellingen blijkt dat de verkeersmaatregel heeft gezorgd voor een significante afname in doorgaand (sluip)verkeer. De getelde verkeerstoename op bepaalde wegen in de wijk en daarmee de totale intensiteit op deze specifieke wegen past ruim binnen de verkeerskundige acceptabele marges voor deze woonstraten. Bij het nemen van het vervangingsbesluit heeft het college minder gewicht toegekend aan de beperkte verkeerstoename in deze woonstraten en het beperken van de vrijheid van het verkeer als gevolg van de verkeersmaatregel dan aan bovengenoemde doelen. Het college heeft gelet op de uitkomsten van het rapport van Bono Traffics, mogen kiezen voor variant 1. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in voldoende mate de voor- en nadelen van de varianten heeft afgewogen. Het college heeft daarbij inzichtelijk gemaakt hoe de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
19.3. Gelet op het voorgaande heeft het college bij zijn afweging om het verkeersbesluit te nemen meer gewicht mogen toekennen aan de verkeersveiligheid en de beperking van de door het verkeer veroorzaakte overlast dan aan de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor [appellant sub 1] en anderen. Het door [appellant sub 1] en anderen genoemde nadelige gevolg van het vervangingsbesluit is daarmee niet onevenredig in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Het betoog slaagt niet.
20. De beroepen tegen het besluit van 11 november 2025 zijn ongegrond.
21. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen ongegrond;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak;
IV. vernietigt de besluiten van 26 maart 2026;
V. verklaart de beroepen van rechtswege van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D], [appellant sub 1E], en [appellant sub 1F] tegen het besluit van 11 november 2025 met kenmerk: Z25-134926, ongegrond.
VI. verklaart de beroepen van [partij C], [partij F], [partij G], [partij E], [partij D], [partij J], [partij I], en [partij H] tegen het besluit van 11 november 2025 met kenmerk: Z25-134926, niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
594-1112
Verkeersbesluit voor de aanleg van een bussluis in Amstelveen
Uitspraak over het verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen om een bussluis aan te leggen in de Noorddammerlaan-Legmeerdijk. Het college van B&W wil met het besluit het verkeer verminderen dat in de wijk Bovenkerk over de Noorddammerlaan en de Legmeerdijk rijdt. Het college heeft daarvoor drie varianten onderzocht: een variant waarbij de snelheid op de doorgaande route wordt teruggebracht naar 30 kilometer per uur, en twee varianten met een bussluis. Een variant waarbij de bussluis wordt aangelegd op het zuidelijkste punt van de doorgaande route ter hoogte van de Beneluxbaan. En de uiteindelijk gekozen variant, een bussluis in het midden van deze doorgaande route ter hoogte van de Sint Urbanuskerk. Enkele inwoners zijn het niet eens met verkeersbesluit en zijn daartegen in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens hen is het verkeer op de Noorddammerlaan-Legmeerdijk weliswaar afgenomen, maar in de wijk zelf toegenomen. Dat de verkeerstoename binnen acceptabele marges past, is volgens hen niet onderbouwd in de verkeerskundige rapporten die het college van B&W bij zijn besluit heeft betrokken. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 11 mei 2026 op zitting behandeld.