Uitspraak BRS.26.000974
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4193
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.000974
ECLI:NL:RVS:2026:4193
Datum uitspraak: 17 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 24 februari 2026 in zaak nr. NL26.8341 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5013, onder 1, overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, niet volgt dat de bewaringsrechter buiten de omvang van het geding mag treden door de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject te toetsen. Uit deze uitspraak volgt ook dat als de strafrechter wettelijk niet bevoegd is, appellant zich kan wenden tot de burgerlijke rechter. Appellant betoogt dat geen sprake is van effectieve rechtsbescherming, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen feitelijke toegang heeft tot de strafrechtelijke of civiele procedure.
1.1. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof, zoals toegepast door de Afdeling. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026
872