Uitspraak BRS.26.002132
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4074
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.002132
ECLI:NL:RVS:2026:4074
Datum uitspraak: 16 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 april 2026 in zaak nr. NL26.15257 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant werpt in een van de grieven de vraag op of hij, als burger van de Unie, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld. Het aan appellant op 28 oktober 2024 uitgereikte besluit van 26 oktober 2021 is een besluit tot verwijdering als bedoeld in artikel 15 van de Verblijfsrichtlijn. Op een dergelijk besluit kunnen de overwegingen van het Hof van Justitie in het arrest van 22 juni 2021, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., ECLI:EU:C:2021:505, punten 33 tot en met 39, analoog worden toegepast. Bij gebreke van een Unierechtelijke regeling in de Verblijfsrichtlijn onderzoekt het Hof in deze punten of lidstaten de nationale regels ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn, die betrekking heeft op derdelanders, mogen gebruiken om Unieburgers in bewaring te stellen. Het Hof acht dit niet in strijd met het Unierecht, als die regels in overeenstemming zijn met de Terugkeerrichtlijn, niet ongunstiger zijn dan de regeling voor derdelanders en voldoen aan de toepasselijke bepalingen over de vrijheid van verkeer en verblijf (artikelen 20 en 21 van het VWEU en de Verblijfsrichtlijn). Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:562, onder 9.2.1 tot en met 9.2.3.
1.1. Uit deze uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. De grief slaagt niet.
2. Ook de overige grieven leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026
1179-347