Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202506214/1/R4

Uitspraak 202506214/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4284
Datum uitspraak
22 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen zijn beslissing om op 28 november 2025 spoedeisend bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Groningen 2025 en artikel 10, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 212,10, voor rekening van [appellant] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 28 november 2025 is aangetroffen op een ondergrondse papiercontainer met locatie nummer 3566 aan het Floresplein in Groningen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn adresgegevens op het adreslabel van de doos staat. [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij voert aan dat de enkele omstandigheid dat de aangetroffen kartonnen doos tot hem herleidbaar is, onvoldoende is om aan te nemen dat hij deze op de ondergrondse papiercontainer heeft geplaatst.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202506214/1/R4.
Datum uitspraak: 22 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)) in het geding tussen:

[appellant], wonend in Groningen,
appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,
verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2025 heeft het college zijn beslissing om op 28 november 2025 spoedeisend bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Groningen 2025 en artikel 10, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 212,10, voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 30 december 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 28 november 2025 is aangetroffen op een ondergrondse papiercontainer met locatie nummer 3566 aan het Floresplein in Groningen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn adresgegevens op het adreslabel van de doos staat.

Overtreding

2.       [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij voert aan dat de enkele omstandigheid dat de aangetroffen kartonnen doos tot hem herleidbaar is, onvoldoende is om aan te nemen dat hij deze op de ondergrondse papiercontainer heeft geplaatst. Volgens [appellant] heeft het college ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan het herleidbaarheidsvermoeden en miskend dat er sprake is van omstandigheden die aan het vermoeden afdoen. Daarbij wijst hij erop dat de containeromgeving vervuild was, meerdere personen bij het opruimen betrokken waren, niemand heeft waargenomen dat hij de doos op de container heeft geplaatst en niet is vastgesteld wanneer en door wie de doos daar is neergezet.

Verder betoogt [appellant] dat het college de bewijslast ten onrechte feitelijk bij hem heeft gelegd door van hem een concrete, gedetailleerd en objectief onderbouwde alternatieve verklaring te verlangen. Volgens hem is bovendien het volledige kostenverhaal onevenredig en heeft het college nagelaten een individuele belangenafweging te maken.

3.       Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Groningen 2025 houdt in dat huishoudelijke afvalstoffen alleen mogen worden aangeboden op de wijze en plaats die het college heeft vastgesteld voor het gebruik van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen.

Artikel 10, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 houdt in dat geen afvalstoffen, waaronder een (gesloten) huisvuilzak, buiten de inzamelmiddelen mogen worden achtergelaten.

3.1.    Als verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij de overtreder is. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.

4.       Anders dan waar [appellant] van uitgaat, hoeft het college niet onomstotelijk te bewijzen dat hij de doos op de ondergrondse papiercontainer heeft gezet. Omdat de doos door middel van het daarop aangebrachte adreslabel tot [appellant] was te herleiden, mocht het college hem in beginsel als overtreder aanmerken. Het was vervolgens aan [appellant] om feiten of omstandigheden naar voren te brengen die voldoende twijfel oproepen over de juistheid van dat bewijsvermoeden. [appellant] heeft die twijfel niet opgeroepen. De omstandigheid dat de omgeving van de container al vervuild was en dat niet is vastgesteld wanneer en door wie de doos naast de container is geplaatst, is daarvoor onvoldoende. Het bewijsvermoeden is juist bedoeld voor situaties waarin niet rechtstreeks is waargenomen wie het afval verkeerd heeft aangeboden. Ook de stelling dat ten gevolge van het opruimen van de door waterschade getroffen schuur van de overleden buurman waarbij meerdere personen bij het opruimen zouden zijn betrokken, leidt niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat een ander buiten zijn macht de doos naast de container heeft geplaatst.

Kostenverhaal

5.       Voor zover [appellant] betoogt dat het volledige kostenverhaal onevenredig is, overweegt de Afdeling dat de in rekening gebrachte kosten niet uitsluitend zien op het verwijderen van de kartonnen doos. De kosten bestaan ook uit het doorzoeken van het afval en het opstellen van een rapport, het verwijderen, transporteren en verwerken van het afval, alsmede de inzet van een werkproces coördinator en een juridisch medewerker. Dat hem om één kartonnen doos gaat, betekent daarom niet dat het in rekening gebrachte bedrag onevenredig is. Het college heeft de kosten in redelijkheid geheel op [appellant] kunnen verhalen.

Conclusie

6.       Het beroep is ongegrond.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.

w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Klingers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026

341-836


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon