Uitspraak 202500140/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4282
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van een zomereik aan de [locatie] in Soest. [appellant] woont aan de [locatie] in Soest. In zijn achtertuin staat een zomereik. [appellant] wil deze boom kappen. Hij stelt dat het formaat van de boom niet in verhouding staat tot de grootte van zijn achtertuin, de boom niet stabiel is en veel overlast veroorzaakt. Het college heeft geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat de zomereik een beeldbepalende functie heeft door zijn omvang en leeftijd. Ook is de boom volgens het college goed zichtbaar vanaf de openbare weg en zal het verwijderen van de boom een gat met zich brengen. De rechtbank heeft het hiertegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] kan zich hier niet in vinden.
- Hoger beroep
- Kapvergunningen
Toon inhoud
202500140/1/R4.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Soest,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 november 2024 in zaak nr. 24/3394 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Soest.
Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van een zomereik aan de [locatie] in Soest.
Bij besluit van 27 maart 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 21 april 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door M. van Rummelen, vergezeld door V.J. Huppelschoten, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont aan de [locatie] in Soest. In zijn achtertuin staat een zomereik. [appellant] wil deze boom kappen. Hij stelt dat het formaat van de boom niet in verhouding staat tot de grootte van zijn achtertuin, de boom niet stabiel is en veel overlast veroorzaakt. Het college heeft geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat de zomereik een beeldbepalende functie heeft door zijn omvang en leeftijd. Ook is de boom volgens het college goed zichtbaar vanaf de openbare weg en zal het verwijderen van de boom een gat met zich brengen. De rechtbank heeft het hiertegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] kan zich hier niet in vinden.
2.1. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in beroep het verweerschrift te laat heeft ingediend, zodat hij hier niet meer op heeft kunnen reageren en geen contra-expertise heeft kunnen aanvragen. Het verweerschrift van het college is door de rechtbank ontvangen op 23 augustus 2024. Daarmee is het verweerschrift na de in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) vermelde termijn ontvangen. Hoewel de Awb geen gevolgen verbindt aan het indienen van een verweerschrift na die termijn, moet daarbij evenwel artikel 8:58, eerste lid, van de Awb in acht worden genomen. In dit geval is het verweerschrift op tijd volgens de in laatstgenoemde bepaling vermelde termijn, dat wil zeggen, tot tien dagen voor de zitting, ontvangen door de rechtbank. [appellant] heeft op de zitting bij de rechtbank verklaard dat hij het verweerschrift heeft ontvangen en heeft kunnen lezen. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen de omvang en inhoud van het verweerschrift, ziet de Afdeling in dit geval onvoldoende aanleiding om te oordelen dat [appellant] onvoldoende tijd heeft gehad om adequaat op de inhoud van het verweerschrift te reageren en daarom het verweerschrift wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.
Het betoog slaagt niet.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank onjuiste feiten aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd. [appellant] voert aan dat niet juist is dat de zomereik onderdeel uitmaakt van een groenstrook en een bomengroep. Verder stelt het college zich volgens [appellant] de ene keer op het standpunt dat er een gat zou ontstaan bij verwijdering van de boom en de andere keer niet.
4.1. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog. In het besluit op bezwaar van 27 maart 2024 heeft het college verwezen naar de ‘Beoordeling aanvraag vellen houtopstand’ van 18 maart 2024 (de beoordeling). In die beoordeling staat onder andere dat de zomereik onderdeel is van een intacte bomengroep en dat bij verwijdering van de zomereik een gat zal ontstaan in die groep dat deels zal worden opgevangen door de bomen in de groep. Op de zitting bij de rechtbank heeft de boomdeskundig adviseur van het college toegelicht dat enkele Amerikaanse eiken en de zomereik in het verlengde staan van een groenstrook. Ze maken niet onderdeel uit van die strook, maar praktisch gezien vormt het één lijn. In het aanzicht ziet men geen verschil, aldus de boomdeskundig adviseur. Het college heeft dit op de zitting bij de Afdeling opnieuw toegelicht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college het standpunt over de bomengroep daarmee deugdelijk gemotiveerd. Verder is de Afdeling van oordeel dat de motivering van het college dat bij verwijdering van de zomereik een gat in die bomengroep zal ontstaan dat deels zal worden opgevangen door de bomen in de groep voldoende feitelijk onderbouwd en duidelijk is.
Het betoog slaagt niet.
De beeldbepalende waarde van de boom
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het college is gevolgd in zijn standpunt dat de zomereik vanaf de openbare weg zichtbaar is en daarmee beeldbepalend is. [appellant] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op de door hem aangeleverde afbeeldingen van Google Maps duidelijk te zien is dat de zomereik niet of nauwelijks zichtbaar is vanaf de openbare weg. Op de zitting heeft [appellant] erop gewezen dat het zicht op de zomereik vanaf de straat voor een groot deel wegvalt door omliggende bomen.
5.1. Het college komt bij de beslissing om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen of te weigeren, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
5.2. De rechtbank heeft overwogen dat de op de zitting aanwezige boomdeskundig adviseur heeft verklaard dat hij meermalen op de locatie is geweest en heeft vastgesteld dat de boom vanaf meerdere punten vanaf de openbare weg zichtbaar is. Op de afbeeldingen van Google Maps die [appellant] heeft overgelegd is een bovenaanzicht te zien van zijn perceel. Op één afbeelding is het vooraanzicht van zijn woning te zien vanaf de openbare weg met zicht op de zomereik. Met deze afbeeldingen heeft [appellant] zijn standpunt dat de zomereik niet of nauwelijks zichtbaar is vanaf de openbare weg niet onderbouwd. Op de afbeelding van het vooraanzicht van zijn woning is de zomereik namelijk duidelijk zichtbaar. Dit is op de zitting bevestigd. Dat de zomereik vanaf een ander punt in de straat nauwelijks zichtbaar is, omdat hij wegvalt door omliggende bomen, maakt dit niet anders.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de belangenafweging die het college heeft gemaakt niet onredelijk is. [appellant] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de zomereik voor een onveilige situatie zorgt in de tuin door dode takken, eikels en vogelpoep, zodat de tuin onbruikbaar is. Hij verwijst naar de contra-expertise van een boomveiligheidscontroleur van Bomencheck. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat het verbouwen van de tuin onmogelijk is door de oppervlakkige wortels van de zomereik die in de tuin aanwezig zijn. Ook heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat de zomereik weliswaar op een perceel van in totaal 215 m2 staat, maar dat de tuin zelf 66 m2 groot is, zodat de boom niet genoeg ruimte heeft om te groeien.
6.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [appellant] naar voren gebrachte belangen niet zwaarder wegen dan het behoud van de zomereik. De boomdeskundig adviseur van het college heeft in de beoordeling toegelicht dat het gaat om een gezonde boom van meer dan vijftig jaar oud die deel uitmaakt van een bomenrij. Verder heeft hij op de zitting bij de rechtbank toegelicht dat het verwijderen van de zomereik niet voldoende gaat helpen om overlast van vallende takken, bladeren en eikels en de overmatige vogelpoep tegen te gaan nu er meerdere eiken in de nabije omgeving van deze boom staan. Daarbij heeft [appellant] de woning in 2022 gekocht. De zomereik stond er toen al zeventig jaar, aldus het college.
6.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft mogen stellen dat het behoud van de zomereik zwaarder weegt dan de belangen van [appellant]. In de contra-expertise van Bomencheck is geconcludeerd dat de zomereik dood hout bevat in de kroon en dat de zomereik daardoor een risicoboom is. Het advies is om de boom te snoeien. Daarna zal de zomereik een boom zijn zonder noemenswaardige gebreken. Verder volgt de Afdeling het college in zijn standpunt dat het vallen van eikels seizoensgebonden is en dat overlast door vogelpoep niet zwaarder weegt dan het behoud van de zomereik. Verder wordt in de contra-expertise van Bomencheck geadviseerd om een Boom Effect Analyse uit te voeren wanneer er een ontwerp is voor de tuin. De analyse geeft inzicht of de boom duurzaam te behouden is, of er alternatieven mogelijk zijn om de boom duurzaam te behouden, of dat de uitkomst is dat de boom met de nieuwe plannen niet duurzaam is te behouden en dus niet ingepast kan worden. Uit de contra-expertise van Bomencheck volgt dus niet dat het niet mogelijk is om de tuin te gebruiken en te verbouwen. Hierbij merkt dat Afdeling op dat bij een eventueel ontwerp ook rekening kan worden gehouden met de val van seizoensgebonden eikels door bijvoorbeeld in een deel van de tuin een overkapping te creëren of een wat grotere maat tuinparasol te plaatsen.
Het betoog slaagt niet.
Het gelijkheidsbeginsel
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat buren onder hetzelfde beleid en onder dezelfde omstandigheden wel een omgevingsvergunning hebben gekregen voor het kappen van een boom. [appellant] wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op een analyse van een bomenexpert van de gemeente Soest, een contra-expertise van een door [appellant] ingehuurde boomveiligheidscontroleur van Bomencheck, een verleende omgevingsvergunning van 2 juni 2020 aan buren en de bomenkaart van Soest.
7.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het college in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft in de schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat de verleende omgevingsvergunning aan buren van [appellant] is verleend wegens veiligheidsoverwegingen. Bovendien gaat het bij die boom om een Douglasspar wat een ander soort boom is met andere kenmerken en eigenschappen dan een zomereik. Hoewel uit de contra-expertise van de boomveiligheidscontroleur is gebleken dat ook bij de zomereik enkele dode takken heeft die af kunnen breken, is dit volgens de controleur te verhelpen door te snoeien. Niet aannemelijk is geworden dat dergelijk snoeien ook voor de Douglasspar een optie was. [appellant] heeft derhalve met de door hem ingebrachte stukken en verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.D.J.D. van der Heijden, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
954
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.2
1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
[…]
g. houtopstand te vellen of te doen vellen;
[…]
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Algemene plaatselijke verordening Soest 2022
Artikel 4.11d Omgevingsvergunning voor het vellen van bomen die niet op de Bomenkaart staan (categorie 4 en 5 en overige particuliere bomen)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstanden die niet op de Bomenkaart staan:
a. te vellen of te doen vellen;
b. in hun groeiruimte aan te tasten, zodat duurzaam behoud niet gewaarborgd is.
[…].
Artikel 4.11e Weigeringsgronden voor bomen die niet op de Bomenkaart staan
1. Vergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 4:11d lid 1 wordt onder verwijzing naar het beleid geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende criteria:
a. de boom heeft beeldbepalende waarde;
b. de boom heeft cultuurhistorische waarde;
c. de boom heeft dendrologische waarde;
d. de boom heeft natuur-/natuurwetenschappelijke waarde;
e. het betreft een herplantboom;
f. de boom heeft educatieve waarde.
[…].
Nota bescherming en kap van bomen 2012: Bomen, de groene parels van Soest
Paragraaf 2.1 Visie
Het beschermen van de bomen is gericht op het behoud van het groene karakter van de gemeente Soest. Dit groene karakter wordt hoofdzakelijk bepaald door bomenstructuren van zowel het stedelijk gebied als het landschap rondom het stedelijk gebied van Soest en Soesterberg.
Daarnaast kunnen individuele bomen of bomengroepen door bijvoorbeeld hun omvang, ouderdom of historie van grote waarde zijn voor een bepaalde plek.
De te beschermen bomen zijn dan ook onder te verdelen in de volgende categorieën:
• bomenstructuren
• monumentale bomen
• waardevolle bomen
• particuliere bomen op percelen ≥ 175 m2
• overige openbare bomen
De bescherming van de bomen is gewaarborgd door de juridische regels in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en het daarop gebaseerde beleid inclusief de Bomenkaart van Soest.
Paragraaf 2.1.4 Categorie 4: Particuliere bomen op percelen ≥ 175 m2
Bomen hebben ruimte nodig. Ook op particuliere percelen kan een boom uitgroeien tot een monumentale boom, mits daarvoor oa. voldoende ruimte is. Om ook in de toekomst de nu jonge bomen de kans te geven om uit te groeien tot monumentale boom, worden particuliere bomen met een stamomtrek van minimaal 80 cm op percelen met een totaal oppervlak van minimaal 175 m beschermd (gemeten op 1.30 m hoogte boven maaiveld). De tuinen bij (ééngezins-) rijtjeswoningen zijn over het algemeen dermate klein, dat jonge bomen niet uit kunnen groeien tot monumentale bomen zonder op enige wijze overlast te geven (te dicht op woningen/aangrenzende woningen/tuinen).
Paragraaf 5.1.1 Waarde en functie van de boom
Beeldbepalende functie
[…]. Uitgangspunt is dat de boom duidelijk zichtbaar is vanaf openbaar terrein.
- De boom is door zijn omvang, uiterlijke verschijning of aansluiting met de omgevingsarchitectuur onvervangbaar voor het karakter van de omgeving of van landschappelijk belang.
- De boom is een onderdeel van een intacte bomengroep of van een uniforme laanbeplanting die een karakteristieke structuur aan de bebouwing of het landschap geeft.
- De boom is direct gerelateerd aan de landschappelijke structuur.
- Wanneer de boom vervangen moet worden duurt het meer dan 50 jaar voordat een boom van dergelijke omvang is teruggekomen.