Uitspraak 202307844/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4278
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 21 april 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Leeuwarden het verzoek van [appellant] met als onderwerp ‘aanvraag wijziging tenaamstelling ligplaatsvergunning’ afgewezen.[appellant] is eigenaar van een perceel in Warten, dat voor een deel bestaat uit water. Een klein hoekje van dit perceel valt binnen de functieaanduiding "Specifieke vorm van water - recreatie-ark" uit het bestemmingsplan "Leeuwarden - Arken en woonschepen". Deze aanduiding voorziet in een ligplaats voor een recreatie-ark [partij A] en [partij B] hebben hun recreatie-ark liggen op de plek van de aanduiding. [appellant] wil de ligplaats graag innemen en heeft hierover een verzoek ingediend bij het college. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de eigen reactie op het verzoek van [appellant] in het besluit op bezwaar ten onrechte als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangemerkt.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202307844/1/R3.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 november 2023 in zaak nr. 22/3558 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.
Procesverloop
Bij brief van 21 april 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] met als onderwerp ‘aanvraag wijziging tenaamstelling ligplaatsvergunning’ afgewezen.
Bij besluit van 10 oktober 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 oktober 2022 vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Kwint, advocaat in Groningen, en het college, vertegenwoordigd door E. Hoekstra, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. [appellant] is eigenaar van een perceel in Warten, dat voor een deel bestaat uit water. Een klein hoekje van dit perceel valt binnen de functieaanduiding "Specifieke vorm van water - recreatie-ark" uit het bestemmingsplan "Leeuwarden - Arken en woonschepen". Deze aanduiding voorziet in een ligplaats voor een recreatie-ark [partij A] en [partij B] hebben hun recreatie-ark liggen op de plek van de aanduiding. [appellant] wil de ligplaats graag innemen en heeft hierover een verzoek ingediend bij het college.
Oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de eigen reactie op het verzoek van [appellant] in het besluit op bezwaar ten onrechte als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangemerkt. Hierover heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] heeft verzocht om de tenaamstelling van de vergunning van [partij A] en [partij B] te wijzigen en dat de reactie daarop geen besluit inhoudt. Dit moeten partijen namelijk onderling regelen. Ook kon het verzoek van [appellant] volgens de rechtbank niet worden beschouwd als een verzoek om de (omgevings)vergunning van [partij A] en [partij B] in te trekken en aan [appellant] een nieuwe vergunning te verlenen. Een aanvraag om een omgevingsvergunning moet evident zijn en dat was hier niet het geval. Uit het verzoek volgt naar het oordeel van de rechtbank niet meer en anders dan dat, als [partij A] en [partij B] over een vergunning beschikken, deze op naam van [appellant] wordt gesteld.
3.1. Aangezien de brief van het college als reactie op het verzoek van [appellant] niet als besluit is aan te merken waartegen bezwaar open stond, is het college ten onrechte overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift. Het college had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 10 oktober 2022 vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [appellant] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
Hoger beroep
4. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de reactie van het college op het verzoek van [appellant] geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. De rechtbank is hier gemotiveerd op ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6-6.2 en 7.1-7.2 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
4.1. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat zij het betoog van [appellant] niet volgt dat de rechtbank niet de letterlijke tekst van het verzoek als uitgangspunt had moeten nemen, maar naar de achterliggende bedoeling had moeten kijken. De tekst van het verzoek is leidend. Daaruit blijkt niet dat het verzoek ook gaat over het intrekken van de omgevingsvergunning van [partij A] en [partij B], of dat het verzoek een aanvraag om een eigen omgevingsvergunning inhoudt. Zelfs bij een welwillende lezing is het verzoek niet zo op te vatten. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de reactie op dit verzoek geen besluit in de zin van de Awb is.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
638-1192