Uitspraak 202405577/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4277
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 augustus 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen geparkeerde voertuigen op het perceel [locatie 1] in Boxtel afgewezen. [appellant] woont op [locatie 2] in Boxtel. Hij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen van een carport en het parkeren van voertuigen op het perceel [locatie 1]. Het college heeft het verzoek afgewezen voor zover het ziet op het parkeren van een voertuig in de voortuin. Voor zover het ziet op het bouwen van de carport zonder omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan de eigenaren van het perceel [locatie 1], namelijk [partij A] en [partij B]. [partij A] en [partij B] hebben vervolgens de carport verwijderd. [appellant] heeft daarna het college verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen van een nieuwe carport en tegen het parkeren van voertuigen op het achtererf van het perceel [locatie 1]. Het college heeft dit verzoek afgewezen.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202405577/1/R2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Boxtel,
appellant,
tegen de tussenuitspraak van 16 januari 2024 en de einduitspraak van 24 juli 2024 van de rechtbank Oost-Brabant, in zaken nrs. 22/722 en 23/861 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2021 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen geparkeerde voertuigen op het perceel [locatie 1] in Boxtel afgewezen.
Bij besluit van 11 oktober 2021 heeft het college naar aanleiding van een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden een last onder dwangsom opgelegd aan [partij A] en [partij B] vanwege het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan realiseren van een carport op het perceel [locatie 1] in Boxtel.
Bij besluit van 8 februari 2022 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2021 ongegrond verklaard. In datzelfde besluit heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2021 deels gegrond verklaard en het besluit met aanvullende motivering in stand gelaten.
Bij besluit van 23 augustus 2022 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het bouwen van een nieuwe carport en het gebruik van gronden ten behoeve van het stallen van een kampeerwagen op het perceel [locatie 1] in Boxtel afgewezen.
Bij besluit van 9 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Op 16 januari 2024 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan en het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
Bij einduitspraak van 24 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 februari 2022 ongegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 9 februari 2023 gegrond verklaard, het besluit van 9 februari 2023 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft nadere stukken ingezonden.
[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door [persoon], wonende te Boxtel, en het college, vertegenwoordigd door W.A.J. Piepenbrock en T. Hoogenboom, zijn verschenen. Voorts zijn op de zitting [partij A] en [partij B] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 11 oktober 2021 heeft het college aan [partij A] en [partij B] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [appellant] woont op [locatie 2] in Boxtel. Hij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen van een carport en het parkeren van voertuigen op het perceel [locatie 1]. Het college heeft het verzoek afgewezen voor zover het ziet op het parkeren van een voertuig in de voortuin. Voor zover het ziet op het bouwen van de carport zonder omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan de eigenaren van het perceel [locatie 1], namelijk [partij A] en [partij B]. [partij A] en [partij B] hebben vervolgens de carport verwijderd.
4. [appellant] heeft daarna het college verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen van een nieuwe carport en tegen het parkeren van voertuigen op het achtererf van het perceel [locatie 1]. Het college heeft dit verzoek afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen overtreding is voor wat betreft het parkeren van een voertuig in de voortuin en van het parkeren van voertuigen op het achtererf en dat het college daarom niet bevoegd was om handhavend op te treden. Wat betreft de nieuwe carport heeft de rechtbank geoordeeld dat het college niet heeft onderzocht of de nieuwe carport niet te hoog is volgens de planregels. De rechtbank heeft het college de gelegenheid gegeven de hoogte van de nieuwe carport alsnog op de juiste wijze te onderzoeken.
In de einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het door het college alsnog uitgevoerde onderzoek blijkt dat de goot- en nokhoogte van de carport aan het bepaalde in artikel 11.2.2. aanhef en onder c en d, van de planregels voldoet en dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld.
Hoger beroep
- Voertuigen op het perceel
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de planregels niet zijn overtreden omdat parkeren binnen de op het perceel geldende bestemmingen "Tuin" en "Wonen" is toegestaan. Hiertoe voert [appellant] aan dat er voertuigen langdurig in de voortuin en op het achtererf zijn geplaatst. Door het langdurige karakter gaat het volgens [appellant] op basis van jurisprudentie van de Afdeling niet over parkeren, maar over stallen. Hoewel parkeren op basis van de planregels is toegestaan binnen de bestemmingen "Tuin" en "Wonen", is stallen volgens [appellant] niet in het bestemmingsplan opgenomen, waardoor dit in strijd is met het bestemmingsplan.
6.1. Op het perceel is het bestemmingsplan Lennisheuvel van toepassing. Het voorste gedeelte van het perceel [locatie 1], vanaf de straatzijde bezien, heeft de bestemming "Tuin". Op grond van artikel 8.1, aanhef en onder a en c van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen, met onder meer de daarbij behorende parkeervoorzieningen. Op grond van artikel 8.3, aanhef en onder a, van de planregels worden tot een gebruik strijdig met de bestemming "Tuin" in ieder geval gerekend het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen […], behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Het achterste gedeelte van het perceel [locatie 1] heeft de bestemming "Wonen". Op grond van artikel 11, aanhef en onder a en i, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, met onder meer de daarbij behorende parkeervoorzieningen. Aan de gronden is niet de aanduiding "opslag" toegekend, terwijl het bestemmingsplan wel die mogelijkheid kent.
6.2. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.
6.3. De rechtbank heeft terecht afgeleid uit de planregels dat parkeren op de gronden met de bestemming "Tuin" en "Wonen" is toegestaan, maar opslag niet. De planregels bevatten geen definitie van de begrippen "parkeren" of "opslag". De toelichting bij de planregels geven ook geen nadere onderbouwing. De Afdeling zoekt daarom aansluiting bij hetgeen onder het algemeen spraakgebruik onder "parkeren" wordt verstaan. Volgens het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal moet onder "parkeren" worden verstaan het opstellen van een voertuig na een volbrachte rit.
6.4. De voertuigen zijn geregistreerd als personenauto dan wel bedrijfsauto met de aanduiding kampeerwagen. De voertuigen zijn in eigendom van [partij A] en [partij B] en zijn door hen in gebruik. [partij A] en [partij B] gaan met de voertuigen op reis en maken met enige regelmaat een rit. Gelet op de betekenis van "parkeren" in het algemeen spraakgebruik heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gronden in dit geval worden gebruikt voor parkeren.
De rechtbank heeft in hetgeen door [appellant] is aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. Ook de door [appellant] genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1388) geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat het in deze zaak ging om het stallen van een caravan.
6.5. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de planregels niet worden overtreden en dat het college daarom niet bevoegd was om handhavend op te treden.
Het betoog slaagt niet.
- De nieuwe carport
7. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte geen besluit heeft genomen op een op 31 januari 2022 door [partij A] en [partij B] ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor het realiseren van de nieuwe carport. Hij verzoekt daarom aan de Afdeling om het college op te dragen om alsnog een voor beroep vatbaar besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt. Ter toetsing bij de rechtbank lag immers voor of het college terecht heeft afgezien van handhaving, omdat er volgens het college geen overtreding is. Niet ter toetsing lag voor of het college nog moest beslissen op een alsnog ingediende aanvraag. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om het college op te dragen om alsnog te beslissen op de aanvraag.
7.1. Het college heeft overigens toegelicht dat er niet is beslist op de aanvraag, omdat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen omgevingsvergunning nodig is. Zoals uit het hierna overwogene onder 8.2 en 8.4 volgt, is dit standpunt van het college juist.
Het betoog slaagt niet.
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de nieuwe carport niet voldoet aan de vereisten die zijn neergelegd in artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Daardoor had de nieuwe carport niet in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vergunningvrij gebouwd mogen worden. [appellant] stelt dat niet is voldaan aan artikel 11.2.2, aanhef en onder e, van de planregels, omdat die bepaling moet worden uitgelegd zoals de bezwaarschriftencommissie dat heeft gedaan, namelijk dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken voor het gehele bouwperceel 150 m² bedraagt. Door de bouw van de nieuwe carport zou dat maximum worden overschreden. Ook stelt [appellant] dat bij de meting van de nieuwe carport geen rekening is gehouden met de peilhoogte van waaruit de hoogtematen van een bijgebouw behoren te worden gemeten. Voorts stelt [appellant] dat de nieuwe carport een grotere hoogte heeft dan op basis van de planregels is toegestaan. Daarnaast zou de goot van de carport onvoldoende voorkomen dat sneeuw van het dak op zijn perceel schuift.
8.1. Het college heeft bij de beoordeling of de nieuwe carport vergunningvrij kan worden gerealiseerd toepassing gegeven aan artikel 3 van bijlage II bij het Bor. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor de in artikel 3 van bijlage II bij het Bor vermelde categorieën gevallen geldt dat, voor zover wordt voldaan aan de in die bepaling gestelde eisen, bouwwerken alleen zijn uitgezonderd van de vergunningplicht voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en niet van de vergunningplicht voor de activiteit gebruiken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Dit brengt mee dat zodanige bouwwerken wel dienen te worden getoetst aan het bestemmingsplan en de daarin opgenomen regels. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, heeft het begrip "gebruiken" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo ook betrekking op het bouwen van bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 26 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU1640). Dit heeft tot gevolg dat artikel 11.2 (bouwregels) van de planregels wel beperkingen stelt aan de mogelijkheid om vergunningvrij bouwwerken op te richten die voldoen aan de eisen van artikel 3 van bijlage II bij het Bor.
8.2. De grond die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd over de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen op een perceel volgens artikel 11.2.2, aanhef en onder e, van de planregels, is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 11.6 in de tussenuitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daar nog aan toe dat het college op grond van artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd is om af te wijken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat het college de redenen voor afwijking van het advies onvoldoende heeft vermeld.
8.3. Op grond van artikel 11.2.2, aanhef en onder c en d, van de planregels mag de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer dan 3 meter bedragen en de nokhoogte niet meer dan 5 meter. Op grond van artikel 2.3 van de planregels moet de bouwhoogte worden vastgesteld vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de nieuwe carport. Op grond van artikel 1.55, onder b, van de planregels is het peil voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. Niet in geschil is dat de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst.
8.4. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank heeft het college de goot- en nokhoogte op 24 januari 2024 laten meten vanaf het terrein ter hoogte van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. Uit deze meting volgt dat de goothoogte en de nokhoogte van de nieuwe carport respectievelijk 2,993 meter en 4,854 meter is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze meting in overeenstemming is met de wijze waarop volgens de planregels moet worden gemeten.
Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat bij deze meting onvoldoende rekening is gehouden met de peilhoogte of dat het college deze meting niet aan het besluit en de aanvullende motivering ten grondslag heeft mogen leggen. Ter zitting heeft [appellant] nog naar voren gebracht dat het terrein zou zijn opgehoogd, maar daarvan is niet gebleken. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de metingen blijkt dat de goot- en nokhoogte van de carport aan het bepaalde in artikel 11.2.2. aanhef en onder c en d van de planregels voldoet. Of de goot voldoende functioneert om te voorkomen dat sneeuw van het dak op het perceel van [appellant] schuift, is niet relevant voor de vraag of de carport vergunningvrij mocht worden gerealiseerd.
8.5. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de tussenuitspraak van de rechtbank van 16 januari 2024 en de einduitspraak van de rechtbank van 24 juli 2024, voor zover aangevallen.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de tussenuitspraak van de rechtbank van 16 januari 2024 en de einduitspraak van de rechtbank van 24 juli 2024, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nales
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
680-1201
BIJLAGE
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:13
Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld:
[…]
7 Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.
Besluit omgevingsrecht - bijlage II
Artikel 3
Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:
1 een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m,
b. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,
c. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, en
d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
[…]
Planregels bestemmingsplan Lennisheuvel
1.22 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige; bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan;
1.25 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
1.55 peil
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
[…]
8.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor
a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gelegen hoofdgebouwen
met de daarbij behorende:
b. erven;
c. parkeervoorzieningen;
d. overige verhardingen;
e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.2 Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 18 wordt in ieder geval gerekend:
a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
[…]
11.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen, al dan niet in combinatie met kamerbewoning en/of de uitoefening van een beroep aan huis, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 80 m²;
b. ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’, mede voor opslag;
c. ter plaatse van de aanduiding ‘bed & breakfast’, mede voor een bed & breakfast;
d. ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’, mede voor detailhandel niet zijnde grootschalig, productieverbonden of perifeer;
e. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - autohandel’, mede voor handel in auto’s en motorfietsen zoals bedoeld in lid 145,
f. ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’, mede voor kleinschalige activiteiten, kleinschalige horeca in de vorm van een restaurant of theetuin en kleinschalige detailhandel in antiek, tuinartikelen en /of streekgebonden producten of daarmee gelijk te stellen activiteiten;
g. voor het gebruik ten behoeve van een atelier en/of kantoor op de begane grond; met de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - atelier/ kantoor’, mede daarbijbehorende:
h. tuinen en erven;
i. parkeervoorzieningen;
j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
11.2.2
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
a. de bijbehorende bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan;
b. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 meter;
c. de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 3 meter bedragen;
d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 5 meter bedragen;
e. buiten het bouwvlak bedraagt het maximum bebouwingspercentage 50%, waarbij het gezamenlijk bebouwd oppervlak niet meer mag bedragen 20% van de oppervlakte van het bouwperceel met een minimum van 50 m² per hoofdgebouw tot een maximum van 150 m² per hoofdgebouw:
f. de minimale afstand tot de voorgevellijn van het hoofdgebouw bedraagt 3 meter.