Uitspraak 202307801/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4276
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 september 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Aalsmeer aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een aanbouw met dakterras en het plaatsen van een dakopbouw aan de [locatie] in Aalsmeer. [appellant] woont hiernaast en is het niet eens met dit dakterras, omdat dit volgens hem een onevenredige inbreuk op zijn privacy vormt. Vanaf het dakterras kun je namelijk zijn woning inkijken.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202307801/1/R1.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Aalsmeer,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2023 in zaak nr. 23/1766 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een aanbouw met dakterras en het plaatsen van een dakopbouw aan de [locatie] in Aalsmeer.
Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 16 september 2022 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 3 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 juni 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.P. van Lent, zijn verschenen.
Overwegingen
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
5. Het college heeft aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van haar woning. De vergunning gaat onder andere over een dakterras op de aanbouw aan de zijkant van de woning. [appellant] woont hiernaast en is het niet eens met dit dakterras, omdat dit volgens hem een onevenredige inbreuk op zijn privacy vormt. Vanaf het dakterras kun je namelijk zijn woning inkijken.
Geen nieuwe beroepsgronden in hoger beroep
6. De Afdeling bespreekt de beroepsgronden over het afwijken van de omgevingsvergunning van de aanvraag, het afwijken van het advies van de Welstandscommissie en de aanbouw niet inhoudelijk. [appellant] heeft deze gronden niet eerder in beroep aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze gronden niet voor.
De Afdeling sluit aan bij het oordeel van de rechtbank
7. Op de gronden die [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd is de rechtbank gemotiveerd ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.3 en 7.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
7.1. De Afdeling voegt hieraan toe dat het college bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning in afwijking van het bestemmingsplan een belangenafweging verricht en bekijkt of de aanvraag in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij komt aan de orde of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Bij die belangenafweging heeft het college beleidsruimte. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.
7.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het besluit in overeenstemming is met het recht en dat de inbreuk op de privacy van [appellant] niet onevenredig is. Het college heeft de aanvraag beoordeelt in het licht van de criteria uit paragraaf 3.3 uit de Beleidsregels ‘Planologische afwijkingen gemeente Aalsmeer 2021’ van 29 juni 2021 en zich op het standpunt mogen stellen dat de aanvraag daaraan voldoet. Het college heeft mogen betrekken dat er vanaf het dakterras alleen zijdelings zicht op de woning is. Daarnaast heeft het college ook mogen betrekken dat uit de tekening bij de aanvraag blijkt dat er een hek op 2,5 meter van de erfgrens op de aanbouw van de woning wordt geplaatst om het dakterras af te bakenen en ervoor te zorgen dat het terras niet te dicht bij de erfgrens komt. De vergunning staat dus niet toe dat het gehele dakvlak van de zijaanbouw als dakterras wordt gebruikt. Hiermee heeft het college goed gemotiveerd dat de inbreuk op de privacy van [appellant] aanvaardbaar is. Overigens is nog bij de rechtbank bevestigd dat over de gehele breedte van het dakterras beplanting ter afscherming van het dakterras zal worden geplaatst.
De grote verspringing in de voorgevelrooilijn en de grootte van het dakterras heeft het college niet tot een andere afweging van de belangen hoeven brengen. Deze gegevens zijn opgenomen in de bouwtekeningen en het college heeft ze meegenomen in haar belangenafweging. Het college heeft dan ook goed gemotiveerd dat [appellant] niet onevenredig wordt benadeeld door het dakterras.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
8. [appellant] verzoekt om een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
8.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
8.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 28 oktober 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus nog niet overschreden. [appellant] heeft dus geen recht op een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Ook wijst de Afdeling het verzoek om schadevergoeding af.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Blomberglid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
638-1192