Uitspraak 202505467/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:6455
- Datum uitspraak
- 19 december 2025
- Inhoudsindicatie
- Uit artikel 8:104 van de Awb volgt dat uitsluitend tegen een uitspraak van de rechtbank, als bedoeld in het eerste en derde lid, hoger beroep kan worden ingesteld. In artikel 8:105 van de Awb is geregeld wanneer hoger beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld. Bij uitspraak van 11 juni 2024, in zaak nr. 23/2985, heeft de Centrale Raad van Beroep het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023 in zaak nr. 22/2154 en zaak nr. 22/2156, na vereenvoudigde behandeling, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 11 juni 2024, in zaak nr. 23/2985, heeft de Centrale Raad van Beroep het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023 in zaak nr. 22/2154 en zaak nr. 22/2156, na vereenvoudigde behandeling, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 15 januari 2025, in zaak nr. 23/2985, heeft de Centrale Raad van Beroep het door [appellant] daartegen gedane verzet ongegrond verklaard. [appellant] heeft op 20 oktober 2025 hoger beroep bij de Afdeling ingesteld. Uit de omschrijving van de aangevallen uitspraak valt af te leiden dat hij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023.
- Vereenvoudigde behandeling
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202505467/1/A2.
Datum uitspraak: 19 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Uit artikel 8:104 van de Awb volgt dat uitsluitend tegen een uitspraak van de rechtbank, als bedoeld in het eerste en derde lid, hoger beroep kan worden ingesteld. In artikel 8:105 van de Awb is geregeld wanneer hoger beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld.
2. Bij uitspraak van 11 juni 2024, in zaak nr. 23/2985, heeft de Centrale Raad van Beroep het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023 in zaak nr. 22/2154 en zaak nr. 22/2156, na vereenvoudigde behandeling, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2025, in zaak nr. 23/2985, heeft de Centrale Raad van Beroep het door [appellant] daartegen gedane verzet ongegrond verklaard.
3. [appellant] heeft op 20 oktober 2025 hoger beroep bij de Afdeling ingesteld. Uit de omschrijving van de aangevallen uitspraak valt af te leiden dat hij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023.
4. Bij brief van 20 november 2025 is [appellant] onder meer verzocht om, uiterlijk op 18 december 2025, een kopie over te leggen van de uitspraak, waartegen het hoger beroep is gericht. [appellant] heeft dat niet gedaan. De Afdeling kan daardoor niet vaststellen of de zaak, waarop de uitspraak van de rechtbank Gelderland betrekking heeft, onder haar bevoegdheid valt. Verder is in de Awb niet voorzien in de mogelijkheid dat tegen de uitspraak van een andere hogerberoepsrechter, in dit geval de Centrale Raad van Beroep, hoger beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld.
5. De Afdeling is kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Ten Veen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.