Uitspraak BRS.25.000536
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4102
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.000536
ECLI:NL:RVS:2026:4102
Datum uitspraak: 17 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 april 2025 in zaak nr. NL24.33692 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
Bij besluit van 31 juli 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H.A. Rispens, advocaat in Hilversum, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. In deze zaak kan in het midden blijven of de minister inkomsten waarover geen belastingen en premies zijn afgedragen mag uitsluiten als bestaansmiddelen in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verblijfsrichtlijn, zoals uitgelegd in het arrest van het Hof van Justitie van 2 oktober 2019, Bajratari, ECLI:EU:C:2019:809. Zelfs als de minister deze inkomsten wel had moeten meenemen in zijn beoordeling, is niet gebleken dat appellant over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij ten laste komt van het socialebijstandsstelsel. Niet in geschil is immers dat hij gestopt is met het verkopen van de straatkrant en dat zijn enige inkomsten bestaan uit een uitkering op grond van de Participatiewet.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag, over de uitleg van het begrip ‘voldoende bestaansmiddelen’ in het licht van het arrest Bajratari, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026
846