Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202504264/1/A2

Uitspraak 202504264/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4273
Datum uitspraak
22 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 maart 2024 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel het verzoek van [appellante] om schadevergoeding afgewezen. [appellante] exploiteert een akker- en tuinbouwbedrijf in Oirschot en is onder meer eigenaar van een perceel waarop zij sinds 2019 miscanthus (olifantsgras) teelt. In 2022 heeft [appellante] toenemende groei van biezen op het perceel geconstateerd. De geoogste miscanthus was vermengd met biezen en kon daardoor niet meer tot bioplastics worden verwerkt. De afnemer accepteerde het geoogste product niet en dat heeft tot omzetderving geleid.
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202504264/1/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in Oirschot,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 12 juni 2025 in zaak nr. 24/4319 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2024 heeft het dagelijks bestuur het verzoek van [appellante] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 12 november 2024 heeft het dagelijks bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juni 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.C.M. Brom, juridisch adviseur, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.P.M. van Beers, advocaat in Den Bosch, en G. Karimlou, hydroloog bij het waterschap, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat in dit geval artikel 7.14 van de Waterwet, zoals die bepaling gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

2.       [appellante] exploiteert een akker- en tuinbouwbedrijf in Oirschot en is onder meer eigenaar van een perceel waarop zij sinds 2019 miscanthus (olifantsgras) teelt.

3.       In 2022 heeft [appellante] toenemende groei van biezen op het perceel geconstateerd. De geoogste miscanthus was vermengd met biezen en kon daardoor niet meer tot bioplastics worden verwerkt. De afnemer accepteerde het geoogste product niet en dat heeft tot omzetderving geleid.

Het verzoek om nadeelcompensatie

4.       Op 27 januari 2023 heeft [appellante] een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 7.14 van de Waterwet ingediend bij het dagelijks bestuur. Zij heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de schade (€ 27.527,50), is veroorzaakt door de verhoging van het waterpeil in de B-watergang langs het perceel waardoor er biezen zijn gaan groeien tussen het miscanthusgewas. De verhoging is volgens haar het gevolg van de verlegging van de B-watergang de Banisloop in 2021. De verlegging van de Banisloop, een vernattingsmaatregel, vond plaats ter uitvoering van het Projectplan Natte Natuurparel Kampina Zuidoost (verder: het project).

Besluitvorming en advisering

5.       Het dagelijks bestuur heeft het verzoek aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie op grond van artikel 7.14 van de Waterwet en de Verordening schadevergoeding Waterschap De Dommel 2015 (de verordening). Het verzoek is voor advies voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). In het advies van 23 januari 2024 heeft de SAOZ geadviseerd geen nadeelcompensatie toe te kennen. Volgens SAOZ ontbreekt het causaal verband tussen de verlegging van de Banisloop en het waterpeil in de B-watergang langs het perceel. Voor de onderbouwing hiervan wijst SAOZ op een hydrologisch rapport van 20 mei 2023, opgesteld door een hydroloog van het waterschap. In een nader advies van 16 juli 2024 heeft SAOZ uiteengezet geen aanleiding te zien terug te komen van haar eerdere advies. Het dagelijks bestuur heeft deze adviezen ten grondslag gelegd aan de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Het hydrologisch rapport

6.       In het hydrologisch rapport is vermeld dat in het kader van het ontwerpprojectplan berekeningen zijn gemaakt om het effect van de maatregelen in beeld te brengen. In hoofdstuk 1.7.2. ‘Effecten op oppervlaktewater’ is ingegaan op de verschillen in overstromingsbeeld. De kaarten laten zien dat er rondom het perceel in de ontwerpfase van het plan geen peilstijgingen zijn voorzien die zouden wijzen op de overlast waar [appellante] mee te maken heeft.

7.       Na de voltooiing van het project zijn opnieuw oppervlaktewaterberekeningen gemaakt om eventuele verschillen uit te sluiten tussen ontwerpberekeningen en berekeningen van de uiteindelijk aangelegde situatie. Aansluitend aan de oplevering van het project is de nieuwe situatie ingemeten. Het gaat om inmetingen van dwarsprofielen, duikers, stuwen en daarmee van ook de ligging van het tracé. Deze geodata zijn gebruikt voor de opbouw van een oppervlaktewatermodel. Van de situatie vóór de aanleg van het project (eveneens ingemeten geodata) is ook een model beschikbaar dat als referentie dient. Er zijn dus hernieuwde modelberekeningen gemaakt van de situatie voor en na aanleg van het project. Daarbij is specifiek ingezoomd op de afwatering van het gebied van [appellante], via de Banisloop tot aan de Koevortsche Loop en direct aansluitend de Beerze.

8.       Om te zien of er peilverschillen zijn ontstaan door de verlegging van de Banisloop, is in beide modellen gerekend met hetzelfde (oplopende) debiet. Daarbij is een debietreeks doorgerekend waarvan het debiet steeds in kleine stappen wordt verhoogd van 50 l/s tot 1000 I/s. Deze debietrange dekt daarmee het hele systeemgedrag van de Banisloop af, van lage afvoer tot uitzonderlijk hoge afvoer. De debieten zijn gedurende een langere periode van dagen stationair vastgehouden om een nauwkeurige vergelijking te kunnen maken (na bereiken van evenwicht in beide modellen). Omdat bij het oplopen van het debiet water buiten de oevers treedt, is in het model niet alleen het watersysteem opgenomen, maar ook het landschap daarom heen.

9.       De resultaten laten zien dat de waterstanden over het algemeen op vergelijkbaar niveau liggen met de situatie van voor de uitvoering van het project. Het grootste verschil doet zich voor in de vorm van een waterstandsdaling van 5 cm bij een afvoer van 500 I/s. In het laagste en in het hoogste afvoerbereik liggen de waterstanden voor de uitvoering en erna dichter bij elkaar. Rond een afvoer van 600 I/s is een lichte verhoging te zien van 2 cm. Doorgaans is de afvoer in de Banisloop beperkt tot tientallen liters per seconde tot een paar honderd liter (200 I/s). De momenten waarop de afvoer daarboven komt zijn beperkt. De afvoer van 600 I/s is een dermate extreme afvoer dat deze minder dan een keer per tien jaar voorkomt. Dit leidt in het hydrologisch rapport tot de conclusie dat de gevolgen van het project nihil zijn op deze locatie. Dat kwam al tot uiting in de berekeningsresultaten voor het projectplan en dat beeld is na de verlegging van de Banisloop niet anders. De afvoercapaciteit van de Banisloop is niet verkleind. Voor de locatie van het perceel maakt de verlegging van de Banisloop geen noemenswaardig verschil en deze kan daarmee niet in verband worden gezien met de toenemende groei van biezen op het perceel.

Uitspraak van de rechtbank

10.     De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen. Het dagelijks bestuur heeft het door [appellante] gestelde causale verband van de schade met de verlegging van de Banisloop gemotiveerd betwist onder verwijzing naar het hydrologisch rapport. Het is aan [appellante] om aannemelijk te maken dat de gestelde schade in causaal verband staat met het project. [appellante] is daar volgens de rechtbank niet in geslaagd.

Hoger beroep van [appellante]

11.     [appellante] betoogt dat het dagelijks bestuur het advies van SAOZ niet aan de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding ten grondslag mocht leggen. SAOZ heeft zich voor de conclusie dat het causaal verband ontbreekt, ongemotiveerd gebaseerd op het hydrologisch rapport en niet zelf hydrologisch onderzoek gedaan. Daarbij komt dat de hydroloog van het waterschap in mei 2023 onderzoek heeft gedaan en de waterstanden dan niet representatief zijn voor de waterstanden in de winter. Daarmee is uitgegaan van een verkeerde 0-meting.

12.     Volgens [appellante] heeft een lid van het dagelijks bestuur erkend dat de (model)berekeningen in het hydrologisch rapport onjuist zijn. Dat berekeningen van het waterschap in het algemeen niet kloppen, volgt ook uit het onderlopen van gronden in meerdere gemeenten, zoals een video over ondergelopen landerijen in Wintelre illustreert. Verder heeft de rechtbank miskend dat uit het memo van 2 december 2022 volgt dat het hydrologisch onderzoek onjuist is. Met het plaatsen en het vergoeden van de kosten van een pomp om zo het waterpeil op het perceel te kunnen verlagen, bevestigt het dagelijks bestuur dat het hydrologisch rapport onvoldoende dan wel zelfs onjuist is. In het memo is verder vermeld dat voldoende hydrologische informatie over het gebied ontbreekt. Dat betekent dat het dagelijks bestuur het hydrologisch rapport niet aan het ontbreken van causaliteit ten grondslag kan leggen, omdat het dagelijks bestuur heeft erkend dat zij niet objectief kan vaststellen of het waterpeil structureel hoger is dan voorheen. Op de zitting heeft [appellante] betoogd dat het perceel lager ligt dan de gronden waarop de berekeningen zijn uitgevoerd en de berekeningen ook daarom niet kloppen.

13.     [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat zij het causaal verband aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe wijst zij erop dat het drainagesysteem op het perceel voor de uitvoering van het project boven het grondwater lag en na de uitvoering van het project gedeeltelijk in het grondwater of eronder. Ook blijkt uit het feit dat de pomp werkt en er verder niets is veranderd, dat de verlegging van de Banisloop de oorzaak van de schade is.

Beoordelingskader

14.     Het causaal verband als bedoeld in art. 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (het condicio sine qua non-verband) moet worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de beweerdelijk schadeveroorzakende gedraging achterwege was gebleven. Dit uitgangspunt geldt ook bij nadeelcompensatie. Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3510 en de daarin genoemde rechtspraak.

15.     De hoofdregel is dat de belanghebbende die in een verzoek om nadeelcompensatie stelt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende schade lijdt als gevolg van een rechtmatige gedraging van een bestuursorgaan, bij gemotiveerde betwisting daarvan door het bestuursorgaan, het door hem gestelde causaal verband moet bewijzen. Op de belanghebbende rusten in dit geval de stelplicht en de bewijslast van het condicio sine qua non-verband. Dit betekent dat ook het bewijsrisico voor het ontbreken van het causaal verband bij de benadeelde/belanghebbende ligt als hij er niet in slaagt te bewijzen dat de schade het gevolg is van de gestelde schadeoorzaak.

Beoordeling door de Afdeling

16.     Voor het vaststellen van het causaal verband moet een vergelijking worden gemaakt van de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als het project achterwege zou zijn gebleven. Het dagelijks bestuur heeft het door [appellante] gestelde causaal verband tussen het project en de gestelde schade gemotiveerd betwist onder verwijzing naar het hydrologisch rapport en de adviezen van SAOZ. Dit betekent dat de bewijslast van het causaal verband en het bewijsrisico op [appellante] rust.

17.     De Afdeling volgt niet het betoog van [appellante] dat het dagelijks bestuur zich niet mocht baseren op het advies van SAOZ voor de conclusie dat het causaal verband ontbreekt tussen het project en de gestelde schade, omdat SAOZ zich ongemotiveerd heeft gebaseerd op het hydrologisch rapport.

17.1.  Uit artikel 5 van de verordening volgt dat de adviseur bevoegd is inlichtingen en adviezen bij derden, waaronder ambtenaren in dienst van het waterschap, in te winnen. Het stond SAOZ dus ook vrij om gebruik te maken van specialistische (hydrologische) kennis, zoals neergelegd in het hydrologisch rapport. Daarbij komt dat SAOZ de hoofdlijnen van het onderzoek heeft beschreven en vervolgens heeft vastgesteld dat op basis van de feiten en omstandigheden van het geval, de opzet van het hydrologisch rapport, de methodologische uitvoering van het daarin beschreven onderzoek en de vrij grote afstanden tussen de maatregelen van het projectplan en het perceel, er geen aanleiding is voor twijfel aan de uitkomsten van het onderzoek door de hydroloog.

18.     De Afdeling volgt evenmin het betoog van [appellante], onder verwijzing naar het memo van het waterschap van 2 december 2022 en de daaraan voorafgaande brief van 28 juli 2022, dat het hydrologisch rapport niet juist is. In het memo is expliciet vermeld dat niet kan worden vastgesteld of het waterpeil langs het perceel structureel hoger is dan voorheen en evenmin of dat een gevolg zou kunnen zijn van de verlegging van de Banisloop. De plaatsing van de pomp door het waterschap kan dan ook niet opgevat worden als erkenning van het causaal verband tussen het project en de gestelde schade.

18.1.  In het hydrologisch onderzoek dat na het memo is verricht, is op basis van beschikbare geodata een hypothetische vergelijking gemaakt van de afwateringscapaciteit in de huidige situatie als gevolg van de verlegging van de Banisloop met de situatie waarin het project niet zou zijn uitgevoerd. Voor dat onderzoek zijn modelberekeningen gemaakt van de situatie voor en na de aanleg. Vervolgens is onderzocht op basis van hetzelfde oplopende debiet in hoeverre er verschillen in het waterpeil zouden optreden. Actuele waterstanden en een nul-meting zijn dus niet relevant voor het onderzoek en kunnen niet gelden als een inhoudelijke betwisting van het onderzoek. Dat geldt ook voor de stelling van [appellante] dat het perceel lager ligt dan de gronden die in de berekeningen zijn betrokken. Daarbij komt dat uit het hydrologisch rapport volgt dat specifiek is ingezoomd op de gronden van [appellante].

19.     De stelling van [appellante] dat de berekeningen niet corresponderen met de realiteit en dat daaruit volgt dat de hydroloog van het waterschap foutieve berekeningen heeft gemaakt, is niet onderbouwd. Het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat de modellen zijn gekalibreerd en gevalideerd op basis van de met beschikbare meetpunten (peilbuizen) verkregen resultaten en dat in het onderzoek is uitgegaan van de uiteindelijk aangelegde situatie. Dat volgens [appellante] het waterschap vaker uitgaat van foutieve berekeningen en dat dit bijvoorbeeld blijkt uit de video, betekent niet dat het dagelijks bestuur zich in dit geval niet op het hydrologisch rapport mocht baseren. Daarbij komt, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat de video op een hoogwatersituatie in december 2023 ziet; een uitzonderlijke situatie in een ander gebied (op ongeveer zeventien kilometer afstand) dan waar [appellante] is gevestigd. Ook is niet gebleken dat een lid van het dagelijks bestuur heeft bevestigd dat de berekeningen onjuist zijn.

20.     [appellante] heeft geen deskundigenadvies overgelegd, waaruit volgt dat de conclusie van het hydrologisch rapport onjuist is en dat moet worden uitgegaan van een causaal verband. Dat had wel op haar weg gelegen, omdat aan de conclusie van het dagelijks bestuur dat het causaal verband ontbreekt, specialistisch hydrologisch onderzoek ten grondslag ligt. Dat volgens [appellante] dergelijk onderzoek niet mogelijk is en zij daarom heeft afgezien van het laten opstellen van een tegenadvies, komt voor haar rekening. Daarbij betrekt de Afdeling dat op de zitting namens het dagelijks bestuur gemotiveerd is verklaard dat een tegenonderzoek wel mogelijk zou zijn, hetgeen door gemachtigde niet verder is betwist, en dat gemachtigde als onderdeel van zijn beroepsgronden juist aan de SAOZ verwijt geen eigen hydrologisch onderzoek te hebben uitgevoerd. De door [appellante] aangedragen omstandigheden waaruit zou volgen dat na de verlegging van de Banisloop het (grond)waterpeil is verhoogd, zijn onvoldoende om het causaal verband aannemelijk te maken. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat na de uitvoering van het project het grondwater soms zo hoog staat dat het drainagesysteem op zijn perceel op het grondwaterniveau of daaronder ligt, kan niet begrepen worden als een afdoende onderbouwing van het causaal verband. Dat geldt ook voor de stelling dat het grondwaterpeil op orde is dankzij de werking van de pomp en dat daaruit zou volgen dat het project de oorzaak van de gestelde schade is.

21.     Onder 15 is overwogen dat de partij op wie de bewijslast rust, ook het bewijsrisico draagt als de gestelde feiten niet komen vast te staan. Omdat [appellante] er niet in is geslaagd het causaal verband aannemelijk te maken, heeft zij geen recht op nadeelcompensatie. In dit geval is niet gebleken dat bijzondere omstandigheden aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken.

22.     Het betoog slaagt niet.

Conclusie

23.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

24.     Het dagelijks bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Hoekstra
voorzitter

w.g. Planken
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026

299


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon