Uitspraak 202500298/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4272
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan exploiteren van een bed and breakfast (B&B) in een gedeelte van hun woonhuis aan de [locatie] in Cuijk. [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaren van de woning aan de [locatie] in Cuijk en exploiteren een B&B in een gedeelte van de woning. Op het perceel is op grond van het bestemmingsplan "Cuijk, Heeswijkse Kampen 2014" het huisvesten van één huishouden toegestaan. Bij besluit van 23 mei 2022 heeft het college [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een deel van de kelder van de woning voor recreatief nachtverblijf. [appellant A] en [appellant B] dienen het gebruik van de woning anders dan voor de huisvesting van één huishouden na 10 juli 2022 te beëindigen en beëindigd te houden op last van een dwangsom van € 1.650,00 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 9.900,00. Dit besluit is onherroepelijk geworden. In de periode van 11 juli 2022 tot 1 mei 2023 heeft het college 22 overtredingen geconstateerd en is vervolgens overgegaan tot invordering van verbeurde dwangsommen van € 9.900,00.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202500298/1/R2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Cuijk, gemeente Land van Cuijk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 december 2024 in zaken nrs. 24/1520 en 24/1534 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2023 heeft het college [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan exploiteren van een bed and breakfast (B&B) in een gedeelte van hun woonhuis aan de [locatie] in Cuijk.
Bij besluit van 3 augustus 2023 heeft het college besloten tot invordering van door [appellant A] en [appellant B] verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 9.900,00.
Bij besluit van 17 januari 2024 heeft het college de door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 13 juli 2023 en 3 augustus 2023 ongegrond verklaard en deze besluiten in stand gelaten.
Bij uitspraak van 6 december 2024 heeft de rechtbank, voor zover van belang, de daartegen door [appellant A] en [appellant B] ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een digitale zitting behandeld op 29 juni 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. N.M.C.H. Crooijmans, advocaat in Helmond, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Verbroekken, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 13 juli 2023 heeft het college [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaren van de woning aan de [locatie] in Cuijk en exploiteren een B&B in een gedeelte van de woning. Op het perceel is op grond van het bestemmingsplan "Cuijk, Heeswijkse Kampen 2014" het huisvesten van één huishouden toegestaan. Bij besluit van 23 mei 2022 heeft het college [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een deel van de kelder van de woning voor recreatief nachtverblijf. [appellant A] en [appellant B] dienen het gebruik van de woning anders dan voor de huisvesting van één huishouden na 10 juli 2022 te beëindigen en beëindigd te houden op last van een dwangsom van € 1.650,00 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 9.900,00. Dit besluit is onherroepelijk geworden. In de periode van 11 juli 2022 tot 1 mei 2023 heeft het college 22 overtredingen geconstateerd en is vervolgens overgegaan tot invordering van verbeurde dwangsommen van € 9.900,00.
3. Omdat het maximale bedrag aan dwangsommen was verbeurd en de overtreding volgens het college niet is beëindigd, heeft het college [appellant A] en [appellant B] bij besluit van 13 juli 2023 opnieuw een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan blijven gebruiken van een deel van de kelder van het woonhuis voor recreatief nachtverblijf.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een bedrag van € 9.900,00 aan dwangsommen is verbeurd. Hiertoe overweegt de rechtbank dat in de periode van 11 juli 2022 tot 1 mei 2023 via Booking.com 17 keer een verblijf in de B&B is geboekt, waarmee naar het oordeel van de rechtbank vast is komen te staan dat [appellant A] en [appellant B] niet aan de last van 23 mei 2022 hebben voldaan en het maximum aan dwangsommen als bedoeld in die last is verbeurd. Volgens de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om af te zien van invordering.
5. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het college bij besluit van 13 juli 2023 een nieuwe last onder dwangsom heeft kunnen opleggen, omdat afdoende is gebleken dat de overtreding na de opgelegde last van 23 mei 2022 niet is beëindigd. De rechtbank ziet geen reden voor het college om van handhaving af te zien.
Het invorderingsbesluit van 3 augustus 2023
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er na de begunstigingstermijn in het besluit van 23 mei 2022 geen overtredingen hebben plaatsgevonden, waardoor er geen dwangsommen zijn verbeurd. Hiertoe voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de betrouwbaarheid van het overzicht met boekingen waarvan het college stelt dat dit van Booking.com afkomstig is. Verder betogen [appellant A] en [appellant B] dat geen deugdelijke controle heeft plaatsgevonden, omdat er geen controle op locatie is uitgevoerd door een bevoegd toezichthouder. De rapportage van 23 mei 2022, die aan het invorderingsbesluit ten grondslag is gelegd, bevat volgens [appellant A] en [appellant B] onvoldoende controleerbaar bewijsmateriaal.
6.1. Over het door het college verstrekte overzicht van boekingen via Booking.com heeft de rechtbank overwogen dat hierop te zien is dat de boekingen worden gedaan voor de B&B van [appellant A] en [appellant B]. Verder staat per boeking aangegeven wanneer de in- en uitcheckdatum van het verblijf was. Als de boeking is geannuleerd, dan staat dat apart op het overzicht vermeld. Ook zijn de prijzen die in rekening zijn gebracht op het overzicht weergegeven. Met de rechtbank ziet de Afdeling geen aanleiding om eraan te twijfelen dat deze gegevens daadwerkelijk door Booking.com zijn verstrekt, nu het college de begeleidende brief van Booking.com ook heeft ingediend. De Afdeling volgt daarom het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven onder 4 van deze uitspraak. Wat [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep hebben aangevoerd, geeft de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
De last onder dwangsom van 13 juli 2023
- Vrees voor herhaling
7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen. Volgens [appellant A] en [appellant B] is de exploitatie van de B&B beëindigd en heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat vrees voor herhaling in dit geval gerechtvaardigd is. De aanleiding voor het nemen van het besluit van 13 juli 2023 was een melding op de website dat de B&B is geboekt voor de periode van 18 juli 2023 tot 21 juli 2023, maar tijdens deze periode van de Nijmeegse Vierdaagse geldt in de regio Nijmegen een gedoogsituatie voor het aanbieden van logies in woningen om deelnemers van het evenement in de omgeving onderdak te bieden. In deze periode heeft dus geen overtreding plaatsgevonden. Daarom was er volgens [appellant A] en [appellant B] geen gerechtvaardigde vrees voor herhaling en was het college niet bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen.
7.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het overzicht van boekingen via Booking.com afdoende is gebleken dat de overtreding na het besluit van 23 mei 2022 niet is beëindigd en beëindigd gehouden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank dan ook terecht niet de stelling van [appellant A] en [appellant B] gevolgd dat er geen vrees is voor herhaling. De vermeende gedoogsituatie tijdens de Nijmeegse Vierdaagse doet daar niet aan af, omdat dit voor het college slechts één van de aanwijzingen was dat de overtreding niet was beëindigd. Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen het in strijd met het bestemmingsplan blijven gebruiken van de kelder van de woning voor recreatief nachtverblijf.
Het betoog slaagt niet.
- Concreet zicht op legalisatie
8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen concreet zicht op legalisatie is.
8.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
8.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen concreet zicht op legalisatie is, omdat het college de door [appellant A] en [appellant B] aangevraagde omgevingsvergunning ter legalisering van de B&B bij besluit van 26 januari 2023 heeft geweigerd en het hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 19 juni 2023 ongegrond heeft verklaard. Overigens is het beroep tegen dit besluit bij uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2024 in zaak nr. 23/1880 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak van de rechtbank bevestigd in haar uitspraak van 6 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2577).
Het betoog slaagt niet.
- Evenredigheid
9. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat handhavend optreden onevenredig is. Door het handhavend optreden hebben [appellant A] en [appellant B] de B&B moeten sluiten en daardoor hebben zij schade geleden in de vorm van gederfde inkomsten.
9.1. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat het college het algemeen belang bij handhaving zwaarder heeft mogen laten wegen dan het persoonlijke belang van [appellant A] en [appellant B]s bij het voorkomen van schade in de vorm van de gederfde inkomsten.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graaff-Haasnoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
531-1201