Uitspraak 202505230/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4234
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 10 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] medegedeeld dat haar zorgtoeslagen over 2015 en 2016 zijn herzien en zijn bepaald op € 0,00. Op 3 september 2024 heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 10 januari 2023. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens de overschrijding van de bezwaartermijn die liep tot 22 februari 2023. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Geld
Toon inhoud
202505230/1/A2.
Datum uitspraak: 10 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 september 2025 in zaak nr. 24/4838 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Openbare zitting gehouden op 10 juli 2026 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. L.S. van den Oosterkamp
Jurist: mr. F.L. de Boer
Verschenen:
De Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
Bij besluiten van 10 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] medegedeeld dat haar zorgtoeslagen over 2015 en 2016 zijn herzien en zijn bepaald op € 0,00.
Bij besluit van 9 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 9 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
Op 3 september 2024 heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 10 januari 2023. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens de overschrijding van de bezwaartermijn die liep tot 22 februari 2023. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, onder 2.3, heeft de rechtbank vastgesteld dat de bestuursrechter in geval van een termijnoverschrijding moet beantwoorden of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daartoe moet worden beoordeeld of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Is dat niet het geval dan moet worden beoordeeld of het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd. Als direct duidelijk is dat het bezwaarschrift hoe dan ook niet is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, hoeft de toerekenbaarheid geen afzonderlijke bespreking. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat de bezwaartermijn is overschreden en heeft geen aanleiding gezien om wat over de toerekenbaarheid daarvan is aangevoerd te bespreken. Zij heeft geoordeeld dat direct al duidelijk is dat [appellante] het bezwaarschrift hoe dan ook niet heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. De termijnoverschrijding bedraagt tachtig weken en zij heeft naar het oordeel van de rechtbank hiervoor geen relevante omstandigheden aangevoerd die deze termijnoverschrijding verschoonbaar maken.
De rechtbank heeft er verder op gewezen dat de situatie waarin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, is neergelegd in een wet in formele zin, namelijk in de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom heeft de rechtbank geen ruimte gezien om met toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur haar niet tegen te werpen dat zij in verzuim is geweest.
De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9.2 tot en met 9.2.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Dat is namelijk mede gebaseerd op een onjuiste lezing en uitleg van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat [appellante] op 10 augustus 2023 voor het eerst contact heeft gezocht met de Dienst Toeslagen over de besluiten van 10 januari 2023. Daarna heeft zij nog een jaar gewacht tot 3 september 2024 om een bezwaarschrift in te dienen, terwijl zij uit de bezwaarmiddelenclausules, die anders dan zij stelt wel waren opgenomen in de besluiten van 10 januari 2023, kon begrijpen dat zij daar zes weken de tijd voor had.
Het hoger beroep is ongegrond. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
941-1180