Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202406442/1/R3

Uitspraak 202406442/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4269
Datum uitspraak
22 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 september 2024 heeft de raad van de gemeente Wierden het bestemmingsplan "Wierden Centrum, herziening Burgemeester J.C. van den Bergplein 32" vastgesteld. Het plan heeft betrekking op het perceel aan het Burgemeester van den Bergplein 32 in Wierden. Dit perceel is in eigendom van de Hervormde Gemeente Wierden. Op het perceel staan een voormalige pastoriewoning en bijbehorende bebouwing. Stichting Aveleijn wil hier in samenwerking met de Hervormde Gemeente Wierden een woonzorgvoorziening realiseren voor 32 bewoners met een verstandelijke beperking. [appellant] vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat doordat het perceel als gevolg van het plan veel intensiever zal worden gebruikt. [appellant] betoogt dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast doordat het perceel waarop thans één pastoriewoning staat door tientallen bewoners met uiteenlopende problematieken bewoond zal worden. Hij vreest dat dit zal leiden tot geluidsoverlast en overige hinder.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Overijssel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202406442/1/R3.
Datum uitspraak: 22 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Wierden,
appellant,

en

de raad van de gemeente Wierden,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Wierden Centrum, herziening Burgemeester J.C. van den Bergplein 32" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Stichting Aveleijn en de Hervormde gemeente Wierden hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 23 juni 2026 behandeld, waar de raad, vertegenwoordigd door Y.E. Yildirim, A.M.J. Somhorst-Kuipers en M. Stevens-Welleweerd, is verschenen. Voorts zijn ter zitting Stichting Aveleijn, vertegenwoordigd door mr. M. Tunnissen, advocaat te Arnhem, [persoon A] en [persoon B], en de Hervormde Gemeente Wierden, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 3 augustus 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het plan heeft betrekking op het perceel aan het Burgemeester van den Bergplein 32 in Wierden. Dit perceel is in eigendom van de Hervormde Gemeente Wierden. Op het perceel staan een voormalige pastoriewoning en bijbehorende bebouwing. Stichting Aveleijn wil hier in samenwerking met de Hervormde Gemeente Wierden een woonzorgvoorziening realiseren voor 32 bewoners met een verstandelijke beperking. [appellant] vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat doordat het perceel als gevolg van het plan veel intensiever zal worden gebruikt.

3.       De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Toetsingskader

4.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Woon- en leefklimaat

5.       [appellant] betoogt dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast doordat het perceel waarop thans één pastoriewoning staat door tientallen bewoners met uiteenlopende problematieken bewoond zal worden. Hij vreest dat dit zal leiden tot geluidsoverlast en overige hinder. In dit kader wijst hij erop dat bewoners van de woonzorgvoorziening geluidsoverlast zullen veroorzaken. Verder wijst hij op de verkeersbewegingen van personeel en bezoekers. Bovendien sluit het bestemmingsplan niet uit dat de inrit naast de Appelhofstraat 10, waar een noodontsluiting is voorzien, gebruikt wordt door personeel en bezoekers om het drukke Van den Bergplein te vermijden. Ook sluit het bestemmingsplan niet uit dat het voorziene voetpad langs het perceel van [appellant] wordt gebruikt door anderen dan bewoners, personeel en bezoekers, aldus [appellant].

5.1.    De Afdeling begrijpt dat de woonomgeving van [appellant] zal veranderen als gevolg van het plan dat maatschappelijke voorzieningen en bijzondere woonvormen - zoals verpleging, verzorging en begeleid wonen - mogelijk maakt achter zijn woning, waar thans één pastoriewoning met bijbehorende bebouwing staat. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij afweging van de betrokken belangen echter een groter gewicht mogen toekennen aan het belang van een woonzorgvoorziening ter plaatse dan aan het belang van [appellant] bij een ongewijzigde woonsituatie. In dit kader is allereerst van belang dat in paragraaf 2.2.1 van de plantoelichting staat dat er geen woonzorgvoorziening is in Wierden voor inwoners met een verstandelijke beperking, terwijl hier wel behoefte aan bestaat. Verder betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat geluid dat wordt veroorzaakt door bewoners van de woonzorgvoorziening, zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder in zijn woning en tuin. Wat betreft de woning is in dit kader van belang dat, zoals in de plantoelichting staat, is aangesloten bij de Brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG uit 2009. Nu een woonzorgvoorziening hierin niet is genoemd, is uitgegaan van de functie verpleeghuis dat volgens de plantoelichting het meest met deze functie te vergelijken is. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 m tot aan woningen in een gemengd gebied, waaraan ruimschoots wordt voldaan nu deze afstand 22 m bedraagt. In de plantoelichting wordt onder verwijzing hiernaar geconcludeerd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat desondanks ter plaatse van zijn woning onaanvaardbare geluidhinder zal ontstaan. Voorts ziet de Afdeling niet in dat de raad niet heeft mogen aannemen dat ook in de tuin van [appellant] sprake zal zijn van een aanvaardbare geluidsbelasting, mede gelet op de bufferzone die wordt gevormd door de schutting en het groen langs de plangrens en de bijgebouwen op het perceel van [appellant]. De bufferzone, voor zover deze behoort tot het plangebied, is in het landschapsplan - dat als bijlage 2 bij de planregels is gevoegd en dat op grond van de voorwaardelijke verplichting in artikel 4.4.1 van de planregels in acht moet worden genomen - als volgt geconcretiseerd. Aan de westelijke zijde van het plangebied ligt een schutting waar een haag van 1,80 m hoog naast wordt geplant. Verder staat in paragraaf 3.2 van het landschapsplan dat de bestaande bomen langs de buitenranden van het plangebied zoveel als mogelijk worden gerespecteerd en ingepast in het plan. Daarnaast is op de zitting vastgesteld dat het perceel van [appellant] langs het plangebied volledig is bebouwd met bijgebouwen van enkele meters diep en ook enige meters hoog die daarmee eveneens behoren tot de bufferzone.

Bij haar oordeel dat de raad bij afweging van de betrokken belangen een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van een woonzorgvoorziening dan aan het belang van [appellant] bij een ongewijzigde situatie, betrekt de Afdeling verder het volgende. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hinder zal ondervinden van de verkeersbewegingen van personeel en bezoekers. Met artikel 3.1 van de planregels en de verbeelding is immers, anders dan [appellant] stelt, verzekerd dat de ontsluiting van het plangebied plaatsvindt via het Burgemeester J.C. van den Bergplein, op ongeveer 90 m afstand van zijn woning, en dat een ontsluiting via de Appelhofstraat alleen een noodontsluiting betreft. In dit kader is van belang dat op grond van artikel 3.1, aanhef en onder f, jo. artikel 1.33 van de planregels een dergelijke noodontsluiting alleen mag worden gebruikt door voetgangers, fietsers en hulpdiensten. Verder is, gelet op voornoemde bufferzone, niet aannemelijk dat [appellant] hinder zal ondervinden van gebruikers van de voetpaden die in het plangebied zijn toegestaan. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant] zijn stelling dat een voorzien voetpad als vluchtweg zal worden gebruikt door drugsgebruikers en drugsdealers niet met feiten of omstandigheden heeft onderbouwd. Van de zijde van de stichting Aveleijn is opgemerkt dat dat haar ervaring ook niet is bij andere woonzorgvoorzieningen. Ten slotte is van belang dat [appellant] zijn vrees voor overige hinder niet heeft onderbouwd.

Het betoog slaagt niet.

Waardedaling woning

6.       [appellant] betoogt verder dat als gevolg van het plan zijn woning in waarde zal dalen.

6.1.    Naar het oordeel van de Afdeling is het niet aannemelijk dat een eventuele waardevermindering van de woning van [appellant] zo groot zal zijn dat de raad bij afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. [appellant] kan voor de mogelijke negatieve gevolgen die hij ondervindt van het bestreden plan een verzoek om planschade indienen. Voor een eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3767, onder 11.1). In die procedure kan [appellant] aanvoeren dat de eventueel toegekende planschade onvoldoende is.

Het betoog slaagt niet.

Zienswijze herhaald en ingelast

7.       [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

8.       Het beroep is ongegrond.

9.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Kooten-Vroegindeweij
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026

559

BIJLAGE

Artikel 1.33 van de regels van het bestemmingsplan "Wierden Centrum, herziening Burgemeester J.C. van den Bergplein 32" luidt:

noodontsluiting: een pad dat doorgaans gebruikt wordt voor voet- en fietsverkeer maar dat tijdelijk gebruikt kan worden voor het gebruik van hulpdiensten zoals brandweer, ambulance en politie.

Artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving luidt:

De op de verbeelding voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. fiets- en/of voetpaden;

c. speelvoorzieningen en hierbij passende openbare verblijfsvoorzieningen;

d. bijbehorende verhardingen;

e. infrastructurele voorzieningen ten behoeve van de aangrenzende bestemming 'Maatschappelijk', met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' een in- en uitrit voor gemotoriseerde voertuigen is toegestaan;

f. noodontsluiting ten behoeve van de aangrenzende bestemming 'Maatschappelijk' uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - noodontsluiting';

g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

h. parkeervoorzieningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - parkeervoorziening';

i. bijbehorende bouwwerken en overkappingen ten dienste van de aangrenzende bestemming 'Maatschappelijk' uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen';

met daarbijbehorende:

j. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

k. werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden

Artikel 4.1. Bestemmingsomschrijving luidt:

De op de verbeelding voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen:

a. maatschappelijke voorzieningen;

b. bijzondere woonvormen, zoals verpleging en verzorging en begeleid wonen, al dan niet in samenhang met centrale voorzieningen;

met daarbij behorende:

c. gebouwen;

d. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

e. tuinen en erven;

f. terreinen;

g. waterhuishoudkundige voorzieningen;

h. groenvoorzieningen.

Artikel 4.2.1. Hoofdgebouwen luidt:

Voor hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a. een hoofdgebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;

b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';

c. een hoofdgebouw voldoet aan de beeldkwaliteitscriteria zoals opgenomen in Bijlage 1 van de regels.

Artikel 4.4.1. Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing luidt:

a. tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken binnen de bestemming 'Maatschappelijk' zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen in de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Groen' conform het in Bijlage 2 opgenomen Landschapsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.

b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming 'Maatschappelijk' worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 24 maanden na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 2 opgenomen Landschapsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon